Zuster Rabi’a

Mijn terugkeer naar Allah.

BekeringsverhalenMij is regelmatig de vraag gesteld: “Hoe ben je moslim geworden?”

Een heel reële vraag, zou je denken. Toch is de vraag een stuk makkelijker te stellen, dan het antwoord erop te geven. Het is niet simpelweg een opsomming van gebeurtenissen die geleid hebben tot mijn shahaadah. Het is ook niet een pad dat iedereen bewandeld wanneer hij of zij moslim wordt. Sommige mensen reizen de wereld rond en hebben enorm veel kennis van de Islaam, maar hun hart blijft bevroren. Anderen horen slechts één woord of zien een teken en worden met nauwelijks kennis moslim. Ik had niet ineens “het licht” gezien, God heeft niet persoonlijk met mij gesproken, noch was het een bewuste keuze van de ene op de andere dag. Ik kan niet anders zeggen dan dat Allah (Glorieus en Verheven is Hij) mij heeft uitgekozen om op het rechte pad te leiden.

Wat ik heb gedaan om deze Rah’ma (Barmhartigheid) te verdienen weet ik niet, Allah de Verhevene moet wel heel veel van mij houden om mijn ogen te openen, zelfs nadat ik Hem jarenlang ontkend heb of wanneer ik geen argumenten meer had om Hem te ontkennen, Hem de ergste verwijten heb gemaakt. Zo betichtte ik Hem van onrechtvaardigheid, terwijl ik degene was die onrechtvaardig was; tegenover Hem, tegenover anderen en vooral tegenover mijzelf. Moge Allah de Meest Genadevolle mij mijn arrogantie vergeven. Toch is dit antwoord in deze tijd en maatschappij niet afdoende. Er moet toch iets gebeurd zijn, er moet toch een reden zijn waarom je je leven zo radicaal veranderd hebt? En ja, dan komen de argumenten en gebeurtenissen. Voor diegene die graag mijn geschiedenis willen horen, zal ik proberen het ingrijpen van Allah in mijn leven te analyseren en in chronologische volgorde te plaatsen.

Ik ben opgegroeid in een gezin waar de godsdienst nauwelijks een rol speelde. Mijn vader noemde zichzelf joods vanuit een soort loyaliteit ten opzichte van zijn voorouders en een complex overgehouden uit de oorlogsjaren die hij als klein kind meemaakte. Ik was zijn jodinnetje, zijn kalle, zijn mokkel en heb dit tot in mijn puberteit ook zo gevoeld. Mijn moeder groeide op in een katholiek dorp in de Achterhoek waar zij iedere zondag ging biechten en niet met protestante kinderen mocht spelen.

Mijn vader weigerde mij te laten dopen tot groot verdriet van mijn moeder, maar zij stond erop dat ik dan wel naar een katholieke school ging. Zo geschiedde. Hier kreeg ik een klein beetje besef van God. Mijn interesse ging vooral uit naar de verhalen van de profeten (vrede zij met hen); ik kon hier geen genoeg van krijgen. Het leven kabbelde verder, mijn ouders gingen scheiden, ik werd een puber. En niet zo’n heel gemakkelijke. Op mijn veertiende vond ik aansluiting bij een groep Marokkaanse jongens. Zij waren alles waar mijn moeder bang voor was, dus dat was leuk.

Met een jongen kreeg ik meer contact. Ik merkte wel dat hij niet rookte en niet dronk (al-h’amdoelillaah) en dat hij een maand in het jaar vastte, maar de Islaam was nooit onderwerp van gesprek. Tot ik een paar jaar later aan de toekomst ging denken. Toen kwam de aap uit de mouw. Hij kon niet met mij verder, want ik was niet Marokkaans. Onzin, leek me en inderdaad, nadat hij er zelf eens over na had gedacht, was het probleem dat ik geen moslim was. Ik wilde wel eens weten waar dat op sloeg en dus ging ik naar de bibliotheek om boeken over de Islaam te lezen. Mijn keus viel (vanzelfsprekend) op de Edele Qor-aan. Het was een oud, aftands boek in nog ouder Nederlands en ik begreep er bijna niets van.

Toch, op de een of andere manier, voelde ik dat ik iets heel bijzonders in handen had. Hoewel ik het niet toe wilde geven, besefte ik dat dit het Woord van God was. Ik was steeds vaker te vinden in de bieb en sleepte kilo’s boeken mee naar huis waar ik ze verstopte voor mijn moeder. Ook de jongen in kwestie vertelde ik niets. Waarom weet ik niet, maar ik voelde dat dit heel privé was, iets van mijzelf. Toch bleven er een hoop vragen knagen, zeker toen ik zag dat wat ik las niet terug te vinden was in het gedrag van de jongen in kwestie. Ik vroeg mij af waarom hij wel moslim was en ik niet. Zoveel verschilden wij niet. Ik confronteerde hem met mijn ideeën en hij kwam tot de conclusie dat ik gelijk had. Het was natuurlijk ook te gek voor woorden dat ik op een gegeven moment meer wist van zijn godsdienst dan hijzelf.

Dit was voor hem reden zelf op zoek te gaan naar zijn roots. Intussen ging mijn zoektocht ook door en ik merkte dat ik op bepaalde momenten zelfs al tot God sprak. Terwijl ik het niet had gemerkt, had Hij mijn hart geopend en Zijn dien (religie – manier van leven) in mij gevestigd. Maar dat besef was er niet meteen. Mijn keuze voor de Islaam is dan ook nooit een keuze geweest. Het was een gevoel, een besef, een realiteit. Intussen ging ik wekelijks naar een bijeenkomst waar ik informatie over de Islaam dacht te krijgen. In plaats hiervan leerde ik de gebeden uit mijn hoofd, terwijl ik dacht dat ik nog helemaal geen moslim zijn kon. Ik wist tenslotte nog nauwelijks iets! Een aantal mensen die daar ook kwamen, zouden enkele weken later de shahaadah afleggen; wilde ik dit soms ook? Ik schrok van deze vraag; zagen zij mij dan al als moslim? Was ik dan al moslim? Of beter; was ik het wel waard om moslim te zijn? Ik moest nog zoveel leren; pas als ik alles wist dan kon ik moslim worden. Toch had ik geen excuus en ik stemde toe (al-h’amdoelillaah).

Die dag was ik ontzettend zenuwachtig. Ik had voor de gelegenheid een afzichtelijke hoofddoek om gedaan. Maar ik voelde me goed! Een voor een werden we bij de imam geroepen, waar we de shahaadah na moesten zeggen.

Toen ik dit gedaan had, liepen de tranen me over de wangen; ik wist niet wat me overkwam. Wat ik voelde was zo goed, maar tegelijkertijd zo onwerkelijk. Waar was ik aan begonnen? Wat stond me nog te wachten? Ik had geen flauw idee, maar ik voelde me gesterkt door het besef dat ik de juiste keuze (?) had gemaakt en ik wist dat ik alles aan zou kunnen wat op mijn pad zou komen, zolang ik dit gevoel vast zou houden. Dit was de eerste keer dat ik zo onbeheerst heb zitten huilen zonder dat ik woorden had om te omschrijven wat ik voelde.

Soms zijn woorden onvoldoende, soms zijn woorden zelfs te banaal om zo’n verheven gevoel te omschrijven. Zelfs mooie woorden als godsvrees, godsbesef en imaan (geloof) kunnen niet weergeven wat ik voelde. Hoe mooi ook, het gaat niet om de woorden, maar om het besef van de betekenis van deze woorden dat zich in het diepste van mijn ziel bevond en nu, eindelijk na al die jaren van zelfontkenning, naar buiten mocht komen. Ik was, hoewel nog zo incompleet, eindelijk compleet.

Deze dag heeft zo’n 9 jaar geleden plaats gevonden en sindsdien is mijn leven beetje bij beetje veranderd. Hoe meer kennis ik opdoe, hoe dieper mijn imaan wordt. Hoe meer men tegen de Islaam en de moslims strijdt, hoe meer ik mij op mijn godsdienst verlaat. Ik kon toen, 9 jaar geleden, niet beseffen waar ik mee geconfronteerd zou worden. De domheid, de slechtheid, de arrogantie en intolerantie van een volk waarvan ik jarenlang deel dacht uit te maken, waarvan ik de taal sprak, de gewoontes kende. Nu wil ik niet meer bij hen horen en snak ik naar een islamitische samenleving waar ik eindelijk mezelf kan zijn. En hoewel een utopie, hoop ik inshaa-a Allaah (als Allah het wil) dat ik en mijn medemoslims op een dag de rust zullen vinden bij elkaar in onze dien, is het niet in dit wereldse leven dan in het Hiernamaals. Amien.

Rabi’a

 

Meer bekeringsverhalen.