Zamzam en de Ka’bah

Het ontstaan van Zamzam en de bouw van de Ka’bah.

Ka'bah

Zie onder aan deze pagina voor enkele Foto’s van de Ka’bah.

[Bron: De Geschiedenis van de Islaam (deel 1), door Akbar Shah Najeebabadi, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah.]

De profeet Ibraahiem (Abraham – vrede zij met hem) werd door Allah de Verhevene bevolen zijn zoon Ismaa’iel (Ismaël – vrede zij met hem), die toen nog een baby was, samen met zijn moeder Haadjar (Hagar) achter te laten in een verlaten en onbewoond gebied in Arabië, namelijk Mekkah. Zij waren helemaal alleen en hadden slechts een zak dadels en een waterzak. Ibraahiem (vrede zij met hem) vertrok vervolgens alleen naar de noordelijke regio, naar Damascus.

Ismaa’iel (vrede zij met hem) en zijn moeder bleven alleen achter op een vlakte boven Zamzam (of Zemzem – een bijzondere waterbron, waarvan het ontstaan hier zal worden beschreven), bij het Heilige Huis waar later de masdjid (moskee) zou komen. Er was op dat moment helemaal niemand in Mekkah, noch was er water op die plaats. Hij liet hen achter met een zak dadels en een waterzak. Toen hij wegging, volgde de moeder van Ismaa’iel hem en vroeg: “Ibraahiem, waar ga je naartoe, ons achterlatend in deze verlaten woestijn?” Zij herhaalde haar vraag meerdere keren, maar hij draaide zich niet om. Toen vroeg ze hem: “Heeft Allah je bevolen dit te doen?” Hij antwoordde haar: “Ja.” Toen zei zij: “Dan zal Allah ons niet doen verwaarlozen.” Zij liep vervolgens terug. Ibraahiem (vrede zij met hem) liep door tot hij bij een bocht kwam, waar zij hem niet konden zien. Hij keerde zijn gezicht naar het Huis en bad tot Allah en zei (Nederlandstalige interpretatie): “Onze Heer! Waarlijk, ik heb een deel van mijn nakomelingen (Ismaël en zijn nageslacht) laten verblijven in een vallei zonder gewassen, bij Uw Gewijde Huis (de Ka’bah in Mekkah). Onze Heer! (Dit deed ik) opdat zij as-salaah (het gebed) zullen onderhouden. Dus laat harten van een aantal mensen neigen naar hen en voorzie hen van vruchten zodat zij dankbaar zullen zijn.” [Soerat Ibraahiem (14), aayah 37.]

Ismaa’iels moeder gaf haar zoon borstvoeding en dronk van het water dat Ibraahiem (vrede zij met hem) haar had gegeven, tot het op was. Na een tijd begonnen zij en haar zoon dorst te krijgen. Zij kon het niet verdragen naar haar zoon te kijken, terwijl hij huilde van de dorst, dus begon zij van hem weg te lopen. Toen ze de heuvel as-Safaa bereikte, die het dichtst bij haar was, beklom ze die tot aan de top, zodat ze de vallei kon overzien om te kijken of ze iemand kon zien, maar ze zag niemand. Toen daalde ze van as-Safaa af en liep in de richting van de vallei. Toen ze bij de vallei aankwam, nam ze haar lange kleed een stuk omhoog en bleef rennen, totdat ze de vallei voorbij was. Toen kwam ze bij de heuvel al-Marwah en beklom deze in de hoop iemand te kunnen zien, maar ze zag niemand. Dit herhaalde zij zeven keer. Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem) zei dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Dat is de reden waarom de mensen tussen hen (de heuvels as-Safaa en al-Marwah tijdens de bedevaart) lopen.”

Aan het einde van de zevende ronde, toen ze bij al-Marwah was, hoorde ze een geluid en zei tegen zichzelf: “Wees stil!” Toen hoorde ze hetzelfde geluid nog een keer en nog een keer. Ze zei: “Je hebt jezelf hoorbaar gemaakt, als je hulp gekregen hebt.” En daar was een engel bij de plek van Zamzam. Hij groef een gat met zijn hiel, of met zijn vleugel, totdat het water er uit kwam. Ze begon het water met haar handen te omringen met zand en ze vulde haar waterzak terwijl het water er spontaan uit stroomde, terwijl ze het opschepte. Ibn ‘Abbaas zei: “De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Moge Allah genade schenken aan de moeder van Ismaa’iel, want zij heeft Zamzam losgelaten.” Hij zei: “Zij dronk en gaf haar baby borstvoeding. Toen zei de engel tegen haar: ‘Wees niet bang om verloren te raken, want dit is het Huis van Allah dat deze jongen en zijn vader zullen bouwen, en Allah staat niet toe dat de mensen van dit Huis verloren raken.’”

Het huis was op hogere gronden. Voor een tijd leefde zij daar alleen. Toen arriveerde er een karavaan van de Qah’taanie stam Djoerhoem. Zij reisden richting de lagere gebieden van Mekkah en zagen daar een vogel rondvliegen in de lucht. Zij zeiden: “Deze vogel moet rond water vliegen, maar wij weten dat er in deze vallei geen water is.” Dus zonden zij één of twee bedienden om het te controleren. Zij vonden het water en gingen terug om hun mensen dit te vertellen, die op hun beurt gingen kijken. Ismaa’iels moeder was toen bij het water en zij vroegen haar: “Sta je ons toe om ons bij jou te vestigen?” Zij antwoordde: “Ja.” Toen zei Ibn ‘Abbaas dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Hun verlangen gaf Ismaa’iels moeder een soort van eergevoel, want ze hield van gezelschap.” Zo vestigden zij zich daar en berichtten zij hun families, die vervolgens ook kwamen en zich daar vestigden en vele families bewoonden het gebied.

De jongen groeide op en werd een jongeman. Hij leerde de Arabische taal van de Qah’taanie stam Djoerhoem. Later werd het Arabisch de moedertaal van het nageslacht van Ismaa’iel (vrede zij met hem). Toen hij de leeftijd bereikte om te trouwen, huwden ze hem met één van hun vrouwen: Amaarah bint Sa’ied ibn Oesaamah, en zij behoorde tot de familie Amaaliqah. Vervolgens stierf zijn moeder, toen hij 15 jaar was. Na het overlijden van zijn moeder dacht Ismaa’iel (vrede zij met hem) er aan om Mekkah te verlaten om zich ergens in Syrië te vestigen. Maar de mensen van de Djoerhoem stam verzochten hem om van gedachte te veranderen.

Na een korte tijd kwam Ibraahiem (vrede zij met hem) om te kijken hoe het met zijn familie ging. Hij trof Ismaa’iel (vrede zij met hem) niet aan, dus vroeg hij de vrouw van Ismaa’iel naar haar man. Zij zei: “Hij ging om iets voor ons te halen.” Toen vroeg Ibraahiem (vrede zij met hem) haar over hun leven en de leefomstandigheden. Zij klaagde en zei: “Wij hebben het slecht! We zijn behoeftig en in nood!” Ibraahiem (vrede zij met hem) antwoordde: “Als je man komt geef hem mijn vredesgroeten en zeg tegen hem dat hij deze trede van de deur moet vervangen.”

Toen Ismaa’iel (vrede zij met hem) aankwam, voelde hij iets en vroeg zijn vrouw: “Heeft iemand ons bezocht?” Zij zei: “Ja, een oude man die er zo-en-zo uit zag (ze gaf een omschrijving van Ibraahiem). Hij vroeg over jou en ik antwoordde hem. Toen vroeg hij over ons leven en ik zei tegen hem dat we een hard en moeilijk leven leiden.” Ismaa’iel (vrede zij met hem) vroeg toen: “Zei hij dat je iets moest doen?” Zij zei: “Ja, hij vroeg mij om jou zijn vredesgroeten door te geven. Hij zei ook dat jij de trede van de deur moet vervangen.” Ismaa’iel (vrede zij met hem) zei: “Dat was mijn vader en hij beval me jou te verlaten! Ga naar je familie. Je bent gescheiden!” Ismaa’iel (vrede zij met hem) scheidde van zijn vrouw en trouwde daarna met Syedah bint Moedaad ibn ‘Amr, die ook afkomstig was van de Djoerhoem stam.

Geruime tijd later bezocht Ibraahiem (vrede zij met hem) hen opnieuw, maar trof Ismaa’iel (vrede zij met hem) niet aan, dus vroeg hij zijn vrouw naar hem. Ze zei: “Hij ging om iets voor ons te halen.” Ibraahiem (vrede zij met hem) vroeg: “Hoe leven jullie en wat is jullie eten?” Zij zei: “Vlees!” Hij vroeg haar: “En wat drinken jullie?” Zij antwoordde: “Water!” Hij bad: “Moge Allah jullie vlees en water zegenen.”

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “In die dagen was er geen graan, anders had hij dit voor hen gevraagd.” Het gevolg van het leven op slechts water en vlees is dat dit van nature gezond geworden is voor de mensen van Mekkah, terwijl het elders ondraaglijk is. Toen zei Ibraahiem (vrede zij met hem): “Als je man terugkomt, doe hem de vredesgroeten van mij en zeg hem dat hij deze trede van zijn deur moet behouden.” Toen Ismaa’iel (vrede zij met hem) terug kwam, vroeg hij: “Heeft iemand jou bezocht?” Zij zei: “Ja, een waardige oude man bezocht ons.” Zij prees Ibraahiem (vrede zij met hem) verder en vervolgde: “Hij vroeg mij over jou en ik beantwoordde hem. Hij vroeg ook over onze leefomstandigheden en ik vertelde hem dat we genieten van een goed leven.” Ismaa’iel (vrede zij met hem) vroeg: “Heeft hij om iets gevraagd?” Zij zei: “Ja, hij geeft zijn vredesgroeten aan jou en verzocht jou deze trede van jouw deur te behouden.” Ismaa’iel (vrede zij met hem) zei: “Dat was mijn vader en hij vroeg me jou te houden.”

Later, na wederom een periode van afwezigheid, kwam Ibraahiem (vrede zij met hem) naar hen en trof Ismaa’iel (vrede zij met hem) aan, terwijl hij bezig was met het scherp maken van een pijl in een groen gebied dichtbij Zamzam. Toen Ismaa’iel (vrede zij met hem) Ibraahiem (vrede zij met hem) zag, stond hij op en groette hem op een manier, waarop een zoon zijn vader groet. Toen zei Ibraahiem (vrede zij met hem): “Ismaa’iel! Allah heeft me opgedragen hier een huis te bouwen.” Hij wees naar een hoog stuk land. Zij bouwden de Ka’bah op de oude fundamenten die waren gemaakt door Aadam (vrede zij met hem). Ismaa’iel (vrede zij met hem) gaf de stenen en klei aan Ibraahiem (vrede zij met hem), die ze op zijn beurt op elkaar begon te stapelen, zodat het huis werd gebouwd. Toen de muren hoger waren dan Ibraahiem kon reiken, plaatste hij een steen op de grond, ging er op staan en ging verder met bouwen van het huis, terwijl Ismaa’iel (vrede zij met hem) hem de stenen aangaf. De steen waarop Ibraahiem (vrede zij met hem) stond is bewaard gebleven en zijn voetafdrukken zijn duidelijk zichtbaar. Deze plaats heeft de naam Maqaam Ibraahiem (de standplaats van Abraham). Zij baden beide tot Allah en zeiden (Nederlandstalige interpretatie): “…Onze Heer! Accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk, U bent as-Samie’oe (de Alhorende), al-‘Aliem (de Alwetende).” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 127.]

Zo gingen zij door met het bouwen van het huis en liepen er in cirkels omheen om alle omringende muren af te maken, biddend tot Allah: “…Onze Heer! Accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk, U bent as-Samie’oe (de Alhorende), al-‘Aliem (de Alwetende).”

Toen de Ka’bah bijna af was, vroeg Ibraahiem (vrede zij met hem) aan Ismaa’iel (vrede zij met hem) om hem een bijzondere steen te brengen om deze als hoeksteen te plaatsen, zodat die plaats gekenmerkt kon worden. Ismaa’iel (vrede zij met hem) werd geleid door de engel Djibriel (Gabriël – vrede zij met hem) en bracht H’adjar Aswad (de Zwarte Steen) van de berg Boqabis en Ibraahiem (vrede zij met hem) plaatste deze steen op de uitgekozen plek. Dit is de steen die gekust of aangeraakt wordt tijdens het rondlopen om de Ka’bah (tawaaf). Na het herbouwen van de Ka’bah namen Ibraahiem en Ismaa’iel (vrede zij met hen beide) hun volgelingen naar Miena en ‘Arafah, offerden hun dieren en liepen om de Ka’bah. Ibraahiem (vrede zij met hem) vertrok later naar Syrië en bleef de Ka’bah elk jaar bezoeken en verrichtte de h’adj (bedevaart) tot aan het einde van zijn leven. Ismaa’iel (vrede zij met hem) bleef de rest van zijn leven in Mekkah.

<<<Miena en ‘Arafah zijn twee plaatsen op een korte afstand van Mekkah en belangrijk tijdens de h’adj (bedevaart). Vaak wordt de berg ‘Arafah onterecht Djabal ar-Rah’mah (de berg van genade) genoemd. Er is niets bijzonders aan die berg, alleen dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) daar gestaan heeft tijdens de h’adj, maar het hele gebied van ‘Arafah kan men gebruiken om tijdens de h’adj te verblijven.>>>

Relevante artikelen:

H’adj & ‘Oemrah (diverse artikelen en foto’s aangaande de grote en kleine bedevaart)

Vraag 9. Ik heb ergens iets gelezen over een aswat steen ik had een vraagje wat dat is?

Geschiedenis (diverse artikelen)

 


Foto’s van de Ka’bah

(Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven.)