Weerlegging van de koranieten en het Koranisme

…of koranisten, of Qor-aaniyyoen: ontkenners van de Soennah.

Zie ook de relevante artikelen en het 225 pagina’s tellende boek Het Belang en de Autoriteit van de Soennah (van Uitgeverij Momtazah) die onder aan deze pagina genoemd worden.

Bismillaah, wa l-h’amdoelillaah wa salaatoe wa salaamoe ‘ala rasoelillaah, waba’d.

Vertaald door Aboe Moedjaahied al-Gharieb. Enigszins aangepast en aangevuld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah voor www.uwkeuze.net.

Het Koranisme (Arabisch: القرآنية‎ al-Qur’aaniyya – Engels: Quranism) is een overtuiging die de religieuze autoriteit van de h’adieth-verzamelingen geheel of gedeeltelijk afwijst. Aangezien er fitnah is vanwege deze groepering die bekend staat onder de naam koranieten of koranisten, lijkt het mij nuttig om een uiteenzetting te geven van de ongeldigheid van hun overtuiging. Ik baseer me hierbij op Dr. ‘Oethmaan ibn Moe’allim Mahmoed ibn Shaykh ‘Alie, die deze groepering heeft weerlegd – moge Allah hem belonen. Het volledige artikel is in het Engels terug te vinden via de links onder aan deze pagina.

Dit artikel is hier volledig op gebaseerd, waarbij ik fragmenten heb weggelaten en enkele kleine aanpassingen heb gemaakt ten dienste van de leesbaarheid. Voor degenen die meer willen weten, zij kunnen de pagina’s – die onder aan deze pagina vermeld zijn – bezoeken voor het volledige artikel. Daarin staan meer aayaat, meer ah’aadieth en meer uitspraken van geleerden, en de auteur legt erin uit hoe hij te werk is gegaan.

Houd van de boodschapper, door zijn Soennah te volgen! Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) zegt in Zijn Nobele Koran (Nederlandstalige interpretatie): “Bij Allah! Er is voor jullie in de boodschapper van Allah (Moh’ammed – salallaahoe ‘alayhie wa sellem) werkelijk een goed voorbeeld voor degene die op Allah en de Laatste Dag hoopt en die Allah veel gedenkt.” [Soerat al-Ah’zaab (33), aayah 21.]

 

Inleiding

De Qor-aan en Soennah staan vol met uitnodigingen tot het volgen van de Soennah, en hier volgt vanuit beide bronnen een voorbeeld.

Allah de Meest Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Zeg: ‘Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de boodschapper (Moh’ammed)!’ Als jullie je dan afwenden, hij is slechts verantwoordelijk voor hetgeen hem opgelegd is en jullie zijn slechts verantwoordelijk voor hetgeen jullie opgelegd is. En indien jullie hem gehoorzamen, zullen jullie geleid worden. En op de boodschapper rust slechts de plicht van het verkondigen van de verduidelijkende boodschap.” [Soerat an-Noer (24), aayah 54.]

De boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Voorzeker, degene die onder jullie leeft zal veel verschillen zien. Dus houdt je vast aan mijn soennah en de soennah van de rechtgeleide opvolgers. Bijt je daaraan vast met je kiezen. En vermijd toegevoegde (geïnnoveerde) zaken. Voorwaar, elk innovatie is een afdwaling.” [Deze h’adieth is sah’ieh’ (authentiek). Het is overgeleverd, in een iets andere bewoording, door Ah’mad, Aboe Daawoed, at-Tirmidzie, ibn H’ibbaan, Ibn Abie Aasim, al-Bayh’aqie, al-H’aakim en een aantal anderen, van al-Walied ibn Moeslim van Thaur ibn Yazied van Khaalid ibn Madaan van zowel ‘Abdoer-Rah’maan ibn ‘Amr as-Soelamie en H’oedj ibn H’oedj al-Kalaai van al-Irbaad. Deze keten is sah’ieh’ omdat alle overleveraars bekende, betrouwbare overleveraars zijn.]

En er zijn vanaf de eerste eeuw tot nu groeperingen geweest die – in kleinere of grotere mate – de geboden van de Soennah hebben verworpen.

En onder deze dwalende sekten is de djamaa’ah die de naam Ahloel-Qor-aan (Volk van de Qor-aan) heeft genomen, terwijl deze djamaa’ah eigenlijk verwijderd is van deze toeschrijving.

Deze djamaa’ah deed voor het eerst haar intrede in het eerste kwart van de veertiende eeuw na de Hidjrah, op het Indische subcontinent, aan de handen van één van de inwoners van dat land, dat later in drie aparte staten scheidde.

En de stichters ervan vinden we onder degenen die werden geroerd en beïnvloed door de Westerse blik, en aldus beschouwden zij het vastklampen aan de Soennah een belemmering van de vooruitgang, en als iets wat de islam verzwakt. Dus kwamen ze met iets wat nog niemand van de misleide mensen ooit had gedaan: zij verwierpen de Soennah als geheel en beschouwden het volgen van de Soennah gelijkwaardig aan shirk (polytheïsme, afgoderij). Zij maakten geen onderscheid tussen ah’aadieth (enkelvoud: h’adieth – een profetische overlevering) moetawaatir (die op een zodanige manier en door zo veel mensen in elke generatie zijn doorgegeven dat het onmogelijk is dat er een fout is gemaakt of dat zij allemaal overeenkwamen om het te vervalsen) en ah’aadieth moettafaqoen ‘alayh (waarover overeenstemming over de authenticiteit is), en wat anders is dan dit. (Zie de artikelen Inleiding tot de wetenschap betreffende hadieth en Introductie tot de ahaadieth.) Zij namen één benadering, namelijk verwerping en ontkenning.

En deze groepering begon met het verspreiden van boeken, tijdschriften en pamfletten, om de Soennah te voorkomen en er twijfel over te laten ontstaan. Maar Allah veroorzaakte wie Hij wilde van de Mensen van Kennis om hen terug te drijven, en dus schreven zij boeken en pamfletten, en zij vaardigden fataawa (enkelvoud: fatwa – een religieus oordeel) uit waarin takfier (het ongelovig verklaren) op hen (de Koranieten) werd uitgesproken, en tegen hen werd gewaarschuwd.

En onder degenen die zich, in een heel vroeg stadium, bewust werden van hun grote gevaar, was de ‘allaamah ‘Abdoel-‘Aziez ibn Baaz (rah’imahoellaah). En hij vaardigde – ruim veertig jaar geleden – een fatwa uit waarin hij de oprichter en woordvoerder Ghoelaam Ahmad Parweiz (omgekomen in 1985) tot kaafir (ongelovige) verklaarde.

En laat niemand denken door de benaming Qor-aaniyyoen (Koranieten), dat dit een lofuiting voor hen is, of dat het een uitdrukking is vanwege hun stevig vastklampen aan de Qor-aan. Nooit! De realiteit is eerder dat deze naam hen kenmerkt vanwege hun ontkennen van de Qor-aan en omdat ze hebben ontkend wat erin is bevestigd van de noodzaak van het volgen van de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) en hem gehoorzamen. En omdat deze verwerpers de djamaa’ah van de moslims hebben verlaten, daarom worden zij de Koranieten genoemd.

Dus ik heb Allahs Hulp gezocht in het weerleggen van hun valsheid en ik heb dit onderzoek bereid in de vorm van een inleiding en twee hoofdstukken. Wat betreft de inleiding, deze is bijna voorbij.

Wat betreft het eerste hoofdstuk, dat bestaat uit drie onderzoeken:

  1. Over de noodzaak van het steunen op de Soennah voor het juiste begrip van de Qor-aan.
  2. Een vermelding van de verdediging van de Mensen van Kennis voor de Soennah. [Aboe Moedjaahied zegt: deze heb ik achterwege gelaten, maar is terug te vinden in de Engelse versie; er worden dus twee onderzoeken vermeld.]
  3. De regelgeving omtrent de verwerpers van de Soennah.

Wat betreft het tweede hoofdstuk, dit gaat over de twijfels van de sekte van de Koranieten, de verwerpers van de Soennah van het Indische schiereiland, en deze worden weerlegd.

(Lees verder onder de afbeelding.)

 

De noodzaak van het steunen op de Soennah voor het correcte begrip van de Qor-aan

Allah de Meest Verhevene openbaarde de Qor-aan als een uiteenzetting (tibyan) van “iedere zaak van de zaken van de religie, ofwel door het tekstueel te zeggen, ofwel door iets over te brengen dat kennis behoeft, zoals de uitleg van de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem), of de idjmaa’ (overeenstemming) van de moslims.”

Ibn al-Djawzie legde (in Zaadoe l-Maysier 4/482) de Uitspraak van de Meest Verhevene (Nederlandstalige interpretatie): “…en we hebben het Boek (de Qor-aan) aan jullie neergezonden als een uiteenzetting van alle zaken…” [soerat an-Nah’l (16), aayah 89] zo (zoals hierboven) uit en hij schreef deze uitleg ook toe aan de geleerden in het algemeen.

En de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) waren de meesters in de Arabische taal en zij hadden geen wetenschappen nodig om die te begrijpen. Maar ondanks hun kennis steunden zij wel op de tafsier (uitleg) van de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem).

Van de noodzakelijkheid van de tafsier van de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) zijn vele voorbeelden, waaronder: “Degenen die geloven en hun geloof niet vermengen met onrecht…” [Nederlandstalige interpretatie van soerat al-An’aam (6), aayah 82.] De profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) heeft uitgelegd dat dhzoelm (letterlijk: onrecht) afgoderij beduidt.

En zo zijn er meer voorbeelden, en zoals je ziet, deze betekenissen kunnen niet worden gevonden met slechts een diepe kennis en precisie van de Arabische taal. Als de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) ze niet had uitgelegd, dan zouden we erover in onwetendheid verkeren.

De Soennah legt dus de algemeenheden van de Qor-aan uit. Allah de Meest Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En onderhoud het gebed en geef az-zakaah (de verplichte liefdadigheid)…” En Hij – vrij van iedere imperfectie – zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Het vasten is jullie voorgeschreven…” En Hij heeft de bedevaart naar het Huis (de Ka’bah in Mekkah) verplicht gesteld voor degene die zijn weg kan vinden.

Dus de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) legde met zijn uitspraken en handelingen uit dat er vijf verplichte gebeden zijn in een dag en nacht, en hij legde het aantal raka’aat uit, en de voorwaarden en fundamenten van deze gebeden, en toen zei hij (Nederlandstalige interpretatie): “Bid zoals je mij hebt zien bidden.” En hij legde ook uit dat de vrouw gedurende haar periode niet hoeft te bidden, en erna de gemiste gebeden niet hoeft in te halen.

Hetzelfde met de zakaah, hij legde de aard en realiteit ervan uit, en voor wie het verplicht is. Hij legde ook de delen uit die ertoe behoren, en dat het ook wordt genomen van goud en zilver, en van de kamelen, schapen, koeien (vee), eens per jaar. En hij maakte het ook verplicht over sommige van de soorten producten die uit de aarde komen (gewassen). (As-Soennah van al-Marwazie, p. 36.)

En hij (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) legde ook uit dat het vasten terughouden is, met stevige intentie en vastberadenheid in het zich onthouden van datgene waarvan onthouding is geboden. Van het moment dat de ochtend aanbreekt, totdat de avond valt. (Ibid, p. 37.) En hij maakte het ook verplicht voor degene die de leeftijd van puberteit bereikt heeft, van degenen die vrij zijn en de slaven, zowel mannelijk als vrouwelijk. Behalve de vrouwen in hun periode, die hun gemiste vasten in andere dagen (na de Ramadhaan) inhalen.

En de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) legde ook uit dat de h’addj maar één keer in je leven verplicht is, en hij legde ook uit wat door de moeh’rim (degene die de rituelen van h’addj is binnengetreden) gedragen moet worden, en wat niet gedragen moet worden. En hij verklaarde en specificeerde de tijden voor h’addj en ‘oemrah, en hij legde de aantallen van tawaaf (rondgang om de Ka’bah) uit, en hoe deze verricht moet worden. En de uitleg van dit alles wordt niet in de Qor-aan gevonden!!

En als wij alleen ons intellect zouden hebben, zouden wij deze regels niet kennen. Hierdoor wordt duidelijk dat we niet zonder de Soennah kunnen om de Qor-aan te begrijpen. En de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) wisten dit ook heel goed. Want zij gaven de Soennah de waarde en achting die eraan toekomt.

Zoals Djaabir ibn ‘Abdillaah zei, terwijl hij de beschrijving van de h’addj van de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) omschreef: “En de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) was onder ons, de Qor-aan werd aan hem geopenbaard en hij wist de uitleg daarvan (ook middels goddelijke inspiratie), waarna hij dienovereenkomstig handelde, en wij handelden evenzo.” (Sah’ieh’ Moeslim nr. 1218.)

En toen ‘Imraan ibn H’oesayn bemiddeling (shafaa’ah) noemde, zei een man tegen hem dat ‘Imraan ah’aadieth overleverde waarvoor geen basis is in de Qor-aan. En ‘Imraan werd boos en vroeg de man waar in de Qor-aan hij het bewijs heeft gevonden dat dit-en-dit gebed zoveel raka’aat is. En de man had het niet kunnen vinden in de Qor-aan. ‘Imraan zei: “Van wie heb je dit genomen? Heb je het niet van ons genomen, en hebben wij het niet weer van de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem)?” En zo noemde hij ook de zakaah met haar regelgevingen, die we vinden in de Soennah. En hij zei: “Heb je Allah niet gehoord, Hij zegt in Zijn Boek (Nederlandstalige interpretatie):

…En wat de boodschapper (Moh’ammed) jullie geeft, neem dat dan; en wat hij jullie verbiedt, onthoud jullie daarvan…’ [Soerat al-H’ashr (59), aayah 7.]

Want wij hebben zaken van de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) genomen, waar jij geen kennis van hebt.” (Ibn ‘Abdoel-Barr, Djaami’ Bayaanoe l-‘Ilm, 2/1192, e.a.)

En een man die tegen Moetarraf ibn ‘Abdillaah ibn ash-Shikhkhier zei: “Overlever niet aan ons, behalve met de Qor-aan.” Dus Moetarraf zei tegen hem: “Bij Allah, wij zoeken geen vervanging voor de Qor-aan, maar wij zoeken iemand die meer kennis dan ons heeft over de Qor-aan.” (Ibid, 2/1193.)

 

De regelgeving omtrent degene die de autoriteit van de Soennah verwerpt

De boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) legde uit dat onder degenen die de Qor-aan reciteren hypocrieten zijn, en hij zei (Nederlandstalige interpretatie): “… en het voorbeeld van de hypocriet die de Qor-aan reciteert is als het voorbeeld van rayhaanah; haar geur is prettig, maar haar smaak is bitter.” (Boekhaarie nr. 5059; Moeslim nr. 797.)

En Allah – vrij van iedere imperfectie is Hij – heeft ook verduidelijkt dat Hij vijanden voor de profeten (vrede zij met hen allen) heeft aangesteld, die met hen wedijveren en die de mensen van hen (de profeten) verhinderen door hun mooie spraak, zoals Allah de Meest Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En zo stelden Wij voor elke profeet een vijand aan, satans van onder de mensen en de djinn; zij inspireren elkaar met verfraaide woorden als een misleiding …” [Soerat al-An’aam (6), aayah 122.]

[Noot van Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah: de satans onder de mensen en de djinn zijn altijd actief en misleiden anderen door gebruik te maken van zeer mooie woorden en plausibele excuses en bezwaren. Daarom is het opdoen van kennis zo belangrijk om niet in de vallen van de satans te trappen. Imam Ah’mad heeft gezegd: “De mensen hebben meer behoefte aan kennis dan dat zij behoefte hebben aan eten en drinken! Want zij hebben maar twee of drie keer per dag behoefte aan water, maar zij hebben op elk moment behoefte aan kennis!” (Siyar an-Noebala, 2/256.) Zie o.a. de artikelen Verplichte kennis voor elke moslim, Het zoeken naar kennis, Valkuilen tijdens het zoeken van kennis en De vallen van Iblies (satan). – Einde noot.]

Daarom moeten alle moslims weten dat iedere uitspraak die de Wetgeving tegengaat, en die is mooi gemaakt door degenen die het uitspraken om er twijfel en verwarring mee te veroorzaken onder de mensen, totdat zij erdoor misleid worden en erin worden gevangen; en ook dat iedere daad die de Wetgeving tegengaat, en die zij versieren en mooi maken totdat het verspreid en geaccepteerd wordt onder de mensen – alle mensen die deze uitspraken en daden promoten zijn de vijanden van de religie, mensen die uiterlijk de islam tonen, maar zij spannen samen ertegen, gedurende de dag en de nacht.

Hun zaak is niet verborgen voor de geleerden van de islam, en daarom hebben zij de mensen bewust gemaakt van het kwaad van hun weg, en ze hebben koefr (ongeloof) en ilhaad (ketterij) aan hen toegeschreven (ofwel als wasf – omschrijving: koefr toeschrijven aan een daad; ofwel als a’yaan – specifieke individuen: koefr toeschrijven aan een persoon met naam en toenaam).

En er zijn veel uitspraken van de geleerden die dit aantonen, waarvan ik er slechts twee noem. Ibn Hazm zei: “Als een man zou zeggen: ‘We nemen niet, behalve wat we in de Qor-aan vinden,’ dan zou hij een kaafir (ongelovige) zijn met unanieme overeenstemming van de moslims.” (Al-Ih’kaam fie Oesoeli l-Ah’kaam, 2/80.) En as-Soeyoetie zei: “Wie verwerpt dat de h’adieth van de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) – ongeacht of het spraak of daad is – op basis van de bekende voorwaarden van de oesoel (wetenschappen betreffende dit onderwerp), als een bewijs wordt beschouwd, heeft ongeloof (koefr) gepleegd. En hij heeft de schoot van de islam verlaten, en hij zal worden opgerezen naast de joden en de christenen, of naast wie Allah wil van onder de sekten van de ongelovigen.” (Miftaahoe l-Djennah die l-Ihtidjaadj bie s-Soennah, p. 14.)

 

De twijfels van de Parweizieten (een naam voor de Koranieten, naar hun stichter Ghoelaam Ah’mad Parweiz) en andere verwerpers van de Soennah

De eerste twijfel: de Soennah is niet van de religie en er zijn geen richtlijnen voor het behoud ervan.

Parweiz zegt: “Als de Soennah werkelijk onderdeel van de religie was, dan had de boodschapper van Allah er een methodologie (van behoud) voor opgezet, net zoals de methodologie van behoud van de Qor-aan, zoals het opschrijven, memoriseren, en repeteren (van memorisatie)… Dit is omdat de rang van profeetschap vereist dat hij de religie aan zijn oemmah presenteert op een behouden (d.w.z. in stand gehouden) manier. Echter, hij droeg zorg in het aannemen van alle mogelijke middelen voor (het bewaren) van het Boek van Allah, maar hij deed niets om dat voor de Soennah te doen. Hij verbood het zelfs dat het werd opgeschreven, door zijn uitspraak: ‘Schrijf niets van mij op, behalve de Qor-aan, en wie iets anders van mij opschrijft dan de Qor-aan, laat het hem uitwissen.’” (Maqamie H’adieth, p. 7.)

Weerlegging van deze twijfel:

Wij zeggen: wat is precies de methodologie betreffende de Qor-aan? En als het niet tekstueel aangegeven is in de Qor-aan – en het is in zijn geheel niet aangegeven – waar heb je dan het bestaan van deze methodologie geleerd? Je hebt zelfs de Soennah verworpen en het verzonnen en gefabriceerd verklaard. Hoe kun je dan een Soennah die – volgens jouw bewering – gefabriceerd en verzonnen is, gebruiken als bewijs voor je belangrijkste doelstelling!? Namelijk de bewering dat de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) een specifieke methodologie heeft bedacht voor het opschrijven, memoriseren en repeteren (van memorisatie) voor de Qor-aan, en dat hij dat niet heeft gedaan voor de Soennah.

Dit is zonder meer een afwijking en een misleidende tegenstelling die Allah heeft voorgeschreven op de volhardende en koppige tegenstanders van de waarheid – zij die zijn verstoken van bewijzen en die wedijveren met de religie – dat zij in afwijking en misleiding verstrikt raken.

Wat betreft de Soennah, dan is het dat de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) de oemmah aanmoedigde die te memoriseren, hij zei (Nederlandstalige interpretatie): “Moge Allah (het gezicht) van een man die iets van mij hoorde, en die het vervolgens overbracht zoals hij het hoorde, prettig en verlicht maken. Want wellicht dat degene aan wie het is overgebracht meer begrip heeft dan degene die het (direct) hoorde.” (Overgeleverd door at-Tirmidzie en anderen.)

Deze h’adieth bevat de geweldige aansporing om de Soennah te behouden en te repeteren en te bestuderen, volgens de manier van vele middelen van memorisatie. En de manieren en middelen (tot een bepaalde zaak) hebben dezelfde regelgeving als de doelstelling en bestemming.

Wat betreft de h’adieth die de Koranieten als bewijs hebben willen gebruiken, die is overgeleverd door Moeslim. Het is – naar mijn weten – de enige authentieke h’adieth die het opschrijven van de profetische ah’aadieth (overleveringen) verbiedt, en tegelijkertijd zijn er vele authentieke ah’aadieth die het opschrijven van profetische ah’aadieth gebieden en goedkeuren.

De Mensen van Kennis hebben een aantal verschillende paden bewandeld in het afweren van deze kennelijke tegenstrijdigheid tussen deze ene h’adieth en vele andere ah’aadieth.

De eerste: het pad van de voorkeur en sterkte geven aan de ah’aadieth die toestemming geven, over de h’adieth die verbiedt.

En imaam al-Boekhaarie (Fath’oe l-Baarie, 1/208) en imaam Aboe Daawoed (Toeh’fatoe l-Ashraaf, 3/408) hebben allebei deze h’adieth gepresenteerd als dat die niet tot de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) wordt teruggevoerd, maar dat het de uitspraak van Aboe Sa’ied al-Khoedrie (moge Allah tevreden over hem zijn) is. En dat er geen tegenstelling is tussen een h’adieth die mawqoef is (oftewel, hij eindigt bij een metgezel en wordt niet teruggevoerd tot de boodschapper) en ah’aadieth die werkelijk tot de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) worden teruggevoerd (oftewel, omdat er maar één oorspronkelijk van de boodschapper is).

De tweede: het pad van afschaffing (naskh).

En dit is de uitspraak dat de ah’aadieth van de toestemming van het opschrijven van ah’aadieth uit een latere tijd komen dan de h’adieth die het verbiedt, en (het verbod) wordt afgeschaft. Ibn Shaahien (Naasikhoe l-H’adieth wa Mansoekihie) en anderen neigden naar deze mening.

De derde: het pad van ze allebei in overeenstemming brengen, en deze heeft vele wegen:

Al-Bayhaaqie zei: “Wellicht, als Allah wil, gaf hij (de profeet – sallallahoe ‘alayhi wa sellem) toestemming om te schrijven voor degene bij wie hij vergeetachtigheid vreesde, en verbood het voor degene in wiens memorisatie hij vertrouwen had. Of hij verbood het schrijven voor degene voor wie hij verwarring (in geheugen en herinneren) vreesde, en beval degene die hij vertrouwde te schrijven.” (Al-Madkhal Ilaa as-Soenan al-Koebraa, 2/223.)

En az-Zarkashie noemde vele standpunten van vereniging tussen hen (de ah’aadieth), zo zei hij: “De eerste: dat het verbod op het schrijven slechts beperkt is tot gedurende het leven van de Aanvoerder van de Mensheid, de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem), want afschaffing verschijnt in iedere tijd, en daardoor schuift dat wat wordt afgeschaft terzijde. En wat hieraan bewijs geeft is de h’adieth van Aboe Shaah, toen hij toestemming kreeg om de khoetbah (preek) van de profeet op te schrijven… De tweede: dat de reden voor het verbod is dat de schriftgeleerde niet alleen steunt op dat wat hij heeft geschreven, zonder het te memoriseren, waardoor memorisatie zou kunnen toenemen. De derde: zodat er geen ander boek naast de Qor-aan is dat er op zou kunnen lijken.” (An-Noekat alaa Ibn as-Salaah’, 3/559-560, met enige verkorting.)

Dit meningsverschil (over het opschrijven) bestond ook in de allereerste tijd, en toen was de oemmah verenigd op de toestemming van het opschrijven van h’adieth en kennis, en de zaak werd opgelost en daarop bevestigd.

En er is niet in een van deze wegen van in overeenstemming brengen die de Mensen van Kennis hebben aangenomen, dat enig bewijs vormt voor de dwaling van deze sekte (de Koranieten), hun afsplitsing van de oemmah en hun meningsverschil met de Djamaa’ah. (Soewaad al-A’dham.) “En zij worden in deze wereld achtervolgd door een vloek en zo ook op de Dag der Opstanding.” [Nederlandstalige interpretatie van soerat Hoed (11), aayah 60.]

(Lees verder onder de afbeelding.)

De tweede twijfel: de Qor-aan heeft alles gedetailleerd uitgelegd, dus er is geen behoefte aan de Soennah of de uitleg van Moh’ammed (sallallahoe ‘alayhi wa sellem).

‘Abdillaah Chakraawaalie, een van de stichters van deze sekte, zegt: “Het Glorieuze Boek heeft alles dat benodigd is in de religie genoemd, het gedetailleerd en het vanuit ieder uitgangspunt uitgelegd. Waarom is er dan enige behoefte aan een verborgen vorm van openbaring, en wat is er voor behoefte aan de Soennah?” (Madjallaah Ishaa’atoe l-Qor-aan, p. 49, derde nummer, 1902.)

Elders zegt hij: “Het Boek van Allah is compleet en gedetailleerd. Het behoeft geen verdere uitleg, noch heeft het de tefsier (uitleg) van Moh’ammed nodig, noch zijn leveren van duidelijkheid betreffende het (de Qor-aan), of een op kennis gebaseerde leerstelling van de benodigdheden ervan.” (Tark Iftiraa Ta’aamoel, p.10.) En al-Khawaadja Ah’madoe d-Dien en al-H’aafidhz Aslam hebben iets vergelijkbaars genoemd. Zie Boerhaanoe l-Qor-aan, p.4, en Noekaat Qor-aan, p. 49.

Weerlegging van deze twijfel:

Dit is feitelijk koefr (ongeloof) in de Qor-aan waaraan zij zich toeschrijven. Dit is omdat Allah zegt (Nederlandstalige interpretatie):

En Wij zonden naar jou (o Moh’ammed) de Vermaning (adz-Dzikr) neer, zodat jij aan de mensen duidelijk uitlegt (toebayyin) wat er naar hen is neergezonden…” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 44.]

Daardoor is de positie van de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) met betrekking tot de Qor-aan, de positie van degene die het uitlegt. Daardoor, wie dat ontkent, die heeft dan de Qor-aan ontkend en verworpen. En het begrip van “het Boek” volgens de zienswijze van de Mensen van Kennis en geloof, verschilt met het begrip van “het Boek” volgens de zienswijze van deze verwarde sekte.

De twee sheikhs (al-Boekhaarie en Moeslim) leverden de h’adieth van Aboe Hoerayrah en Zayd ibn Khaalid over (moge Allah tevreden over hen zijn), die verhaalden: “Eén van de woestijnbewoners (bedoeïenen) kwam naar de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) en zei: ‘O boodschapper van Allah! Ik smeek u in de Naam van Allah dat je een oordeel over mij uitspreekt volgens het Boek van Allah.’ De tweede spreker, die slimmer dan hem (de eerste) was, zei: ‘Nou, beslis over ons volgens het Boek van Allah, maar sta me toe (iets te zeggen).’ Daarop zei de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) (Nederlandstalige interpretatie): ‘Spreek.’ Hij zei: ‘Mijn zoon was een bediende in het huis van deze persoon en hij pleegde overspel met zijn vrouw. Mij werd verteld dat mijn zoon steniging tot de dood verdiende (als bestraffing voor deze overtreding). Ik gaf hiervoor honderd geiten en een slaaf als afkoopsom. Ik vroeg de geleerden (of dit kon dienen als een kwijtschelding voor deze overtreding). Zij vertelden me dat mijn zoon honderd zweepslagen verdiende en verbanning voor een jaar, en deze vrouw verdiende steniging (omdat ze getrouwd was, en zijn zoon niet).’ Hierop zei de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem): ‘Bij Hem, in Wiens Hand mijn leven is, ik zal tussen jullie beslissen volgens het Boek van Allah. De slaaf en de geiten moeten worden teruggegeven, en jouw zoon moet worden gestraft met honderd zweepslagen en verbanning voor een jaar. En, o Oenays, ga naar deze vrouw in de ochtend, en als ze bekent, stenig haar dan.’” Hij (de overleveraar) zei: “Hij ging in de ochtend naar haar toe en ze bekende. En de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) deed uitspraak over haar en ze werd gestenigd tot de dood.” (Al-Boekhaarie 6820, Moeslim 1697-1698.)

In deze h’adieth vroegen degenen die in geschil waren met elkaar de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) om tussen hen te oordelen volgens het Boek van Allah, en de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) antwoordde daarop en hij maakte ook een eed, dat hij dat zeker zou doen. En het oordeel dat hij tussen hen velde was dat de geiten en de slaaf zouden terugkeren, en dat de bediende honderd zweepslagen zou krijgen en een jaar werd verbannen, tezamen met de steniging van de overspelige vrouw. En noch steniging, noch verbanning, noch het teruggeven van de honderd geiten en de slaaf zijn tekstueel aangegeven in de Qor-aan, ondanks het feit dat de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) verklaarde dat dit oordeel het Boek van Allah is, wat inhoudt dat het oordeel volgens het Boek van Allah is.

De Mensen van Kennis en geloof zeggen dat “het Boek van Allah” (als term) toegepast is op twee betekenissen:

De eerste: wat Allah in Zijn Boek heeft beoordeeld en wat Hij Zijn dienaars heeft voorgeschreven, ongeacht of dat tekstueel is uitgedrukt in de Qor-aan of de Soennah. En het label van “het Boek van Allah” toepassen op zowel de Qor-aan als de Soennah is een toepassing die is gebaseerd op iets dat is gedeeld (ishtiraak) (door die twee). Daardoor, wat er is bevestigd door de Soennah kan “het Boek van Allah” genoemd worden, en wie heeft geoordeeld met de Soennah, die heeft niet “het Boek van Allah” verlaten in zowel oordeel als betekenis, gebaseerd op dit specifieke begrip.

Al-Waahidie zei: “En er is geen vermelding van zweepslagen of verbanning in de tekst van het Boek, wat aanduidt dat waarmee de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) oordeelde, dan het Boek van Allah is.” En ar-Raazie zei: “En dit is de waarheid, want Hij, de Meest Verhevene, zegt (Nederlandstalige interpretatie): ‘…zodat jij aan de mensen duidelijk uitlegt (toebayyin) wat er naar hen is neergezonden…,’ dus alles wat de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) uitlegde, is omvat in dit vers.” (Mafaatieh’oe l-Ghayb, 6/12/227.)

De tweede: dat “het Boek van Allah” alleen de Qor-aan is, echter, het wordt ook toegepast op wat bewezen is door de Soennah, in dat wat in het Boek van Allah is, door middel van het bevel van Allah aan ons om de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) te gehoorzamen en zijn bevel te volgen, en dat “wie van de boodschapper van Allah accepteerde, dan heeft hij van Allah geaccepteerd, omdat Allah het verplicht heeft gemaakt om hem te gehoorzamen. Daardoor valt acceptatie zowel in wat in het Boek van Allah is, alsook de Soennah van de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem); en van hen beide accepteren, is feitelijk accepteren van Allah.” (Ar-Risaalah van ash-Shaafi’ie, p. 33.) Daardoor, wie met de Soennah heeft geoordeeld heeft niet het Boek verlaten, in zowel oordeel als betekenis, gebaseerd op zijn betekenis.

Wa l-hamdoelillaahi r-Rabie l-‘Aalamien.

(Lees verder onder de afbeelding.)

 

Alleen dat geld dat waarde heeft op de markt wordt vervalst

[Dit is een toevoeging van Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.]

Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) zegt in Zijn Nobele Koran (Nederlandstalige interpretatie):

(O Moh’ammed!) Beweeg jouw tong er niet mee (de Koran) om het gehaast tot je te nemen #1. Waarlijk, het is aan Ons om het (de Koran) te verzamelen (in jouw hart) en om jou in staat te stellen het te reciteren. Wanneer Wij het gereciteerd hebben (aan jou, via de engel Gabriël), volg dan de recitatie ervan. Vervolgens is het aan Ons (Allah) om het te verduidelijken #2.” [Soerat al-Qiyaamah (75), aayah 16-19.]

#1 De reden van openbaring van dit vers is overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim, op gezag van Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei: “Wanneer de Koran neerdaalde op de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem), herhaalde hij het snel en streefde ernaar om het te memoriseren uit angst dat hij het zou vergeten, of vanwege zijn vurige wens om het van buiten te leren. Hij ondervond daarvan last, waarna Allah dit vers openbaarde.” (Tefsier at-Teh’rier wa t-Tenwier van Moh’ammed atTaahier ibn ‘Aashoer.)

#2 Dit is een zeer belangrijk vers waar we even stil bij moeten staan. Dit vers geeft het gevoel, en sommige klassieke uitleggers hebben hetzelfde geuit, dat de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) in het begin van zijn missie wellicht de engel Gabriël (vrede zij met hem) vroeg over de betekenis van een vers, woord of een gebod in de Koran tijdens de openbaring ervan. Daarom werd de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) niet alleen opgedragen rustig te luisteren naar de openbaring wanneer die tot hem kwam (75:16), hij werd ook verzekerd dat elk woord exact in zijn geheugen gegrift zou worden en dat hij in staat zou zijn de Koran te reciteren precies zoals die geopenbaard is (75:17), en tegelijkertijd werd hem beloofd dat hij de betekenissen en bedoelingen zou begrijpen van elk gebod en verbod van de goddelijke openbaring. Dit toont onder andere aan dat de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) niet alleen de openbaring ontving die is opgetekend in de Koran, maar dat hij daarnaast ook kennis ontving door middel van openbaring die er niet in opgetekend is (de Soennah, zie aayah 16:44 en 53:3-4, alsook 2:129, 2:151 #3, 3:164 en 62:2). Dit beduidt onder andere dat een persoon die een vers of een woord van de Koran uitlegt volgens zijn persoonlijke bevlieging of begeerte, een brutaliteit begaat die geen ware gelovige ooit zou kunnen begaan. Het beduidt ook dat de Soennah de sleutel is tot het begrijpen van de Koran. (Naar Tafheem-ul-Qur’an van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)

#3 Bijvoorbeeld, Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Zoals Wij te midden van jullie een boodschapper (Moh’ammed) hebben gezonden, behorende tot jullie, die aan jullie Onze verzen (de Koran) voordraagt en die jullie loutert en die jullie het Boek (de Koran) en de wijsheid onderwijst en die jullie onderwijst wat jullie niet wisten.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 151.] Wijsheid (al-h’ikmah): de kennis over Allah Ta’aalaa en de fijne details van Zijn wetgevingen, en dit heeft betrekking op de betekenissen van het Boek en de details van Zijn doelstellingen. Maalik zei: “Kennis over de jurisprudentie en de religie en het volgen hiervan.” As-Shaafi’ie zei: “Wijsheid (al-h’ikmah) is de Soennah van de boodschapper van Allah (sallallahoe ‘alayhi wa sellem).” (At-Tefsier al-Wasiet lil Qor-aanie l-Kariem van Moh’ammed Sayyid Tantaawie.)

Zelfs als iemand de Qor-aan slechts vluchtig gelezen heeft, dan zal hij beseffen dat er vele zaken zijn wier werkelijke betekenis en bedoeling niet slechts van de woorden van de Qor-aan begrepen kunnen worden door een lezer, noch kan hij weten hoe hij dient te handelen volgens de geboden die daarin opgelegd worden. Neem bijvoorbeeld het woord salaah. De handeling waar de Qor-aan de meeste nadruk op legt na de bevestiging van geloof (as-shahaadahde geloofsbelijdenis) is de handeling van salaah (het gebed). Maar er is geen mens die met behulp van slechts een woordenboek de exacte betekenis ervan kan bepalen. Wat men op z’n meest kan begrijpen van de manier waarop het herhaaldelijk in de Qor-aan genoemd is, is dat dit Arabische woord gebruikt is in een of andere bijzondere terminologische zin en dat deze vakterm een of andere bijzondere religieuze handeling beduidt die de gelovigen dienen te verrichten. Maar door louter het lezen van de Qor-aan kan geen enkele lezer bepalen wat voor specifieke handeling het is en hoe het verricht dient te worden.

De vraag: als de Zender van de Qor-aan geen onderwijzer van Zichzelf aangesteld zou hebben en aan hem de exacte en nauwkeurige betekenis van deze term (salaah’) niet uitgelegd zou hebben en hem de methode hoe het gebod van salaah’ ten uitvoer gebracht dient te worden niet gedetailleerd onderwezen zou hebben, zouden er dan twee moslims in de wereld zijn die het eens zouden zijn over die ene manier hoe men het gebod van salaah’ dient op te volgen door slechts het lezen van de Qor-aan!? De reden waarom moslims assalaah’ (het gebed) op één en dezelfde manier verrichten, generatie na generatie, voor meer dan 1500 jaar, en de manier waarop miljoenen en miljoenen moslims over de hele wereld het gebod van salaah’ vergelijkbaar verrichten, is dat Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) niet alleen de woorden van de Qor-aan geopenbaard heeft aan Zijn boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem), maar ook heeft Hij aan hem de betekenis van die woorden volledig uitgelegd; en hij (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) heeft diezelfde betekenis onderwezen aan de mensen die de Qor-aan accepteerden als het Boek van Allah en hem als de boodschapper van Allah.

De middelen om de uitleg te weten van de woorden van de Qor-aan die Allah Zijn boodschapper onderwezen heeft en de boodschapper zijn oemmah (gemeenschap) middels woord en daad, is niets behalve de h’adieth en de Soennah. De h’adieth beduidt de overleveringen over de uitspraken en handelingen van de boodschapper Moh’ammed (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) die de allereerste volgelingen aan de latere generaties op betrouwbaar gezag doorgegeven hebben; en de Soennah beduidt de manier van leven welke heersend werd in het individuele en collectieve leven van de moslims door het mondeling en praktisch onderwijzen door de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem)…

De persoon die deze bron van kennis weigert te erkennen zegt in feite dat Allah Ta’aalaa, nadat Hij de verantwoordelijkheid op Zich genomen heeft om de betekenis van de Qor-aan uit te leggen aan Zijn boodschapper, God verhoedde, gefaald heeft om Zijn belofte te vervullen. Want deze verantwoordelijkheid beduidde niet alleen het uitleggen van de betekenis aan de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) in zijn persoonlijke hoedanigheid, maar met als doel dat ook de oemmah de betekenis van het goddelijke Boek zou begrijpen middels toedoen van de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem). En zodra de h’adieth en de Soennah worden ontkend als een bron van wet, dan komt dat er feitelijk op neer dat men zegt dat Allah Ta’aalaa gefaald heeft Zijn verantwoordelijkheid te vervullen. Moge Allah ons beschermen tegen dergelijke godslastering!

Tegen degene die stelt dat vele mensen ook ah’aadieth vervalst hebben, zeggen wij dat het verzinnen van ah’aadieth zelf een groot bewijs is voor het feit dat in het begin de volledige oemmah (gemeenschap) de uitspraken en handelingen van de boodschapper (sallallahoe ‘alayhi wa sellem) de status van wetgeving gaven, want waarom zouden de mensen die dwaling wilden verspreiden anders onjuiste ah’aadieth hebben verzonnen!? Want alleen dat geld dat waarde heeft op de markt wordt vervalst; niemand vervalst geld dat geen waarde heeft op de markt. Bovendien weten degenen die dit zeggen wellicht niet dat deze oemmah van meet af aan er voor gezorgd heeft dat er geen valsheid toegeschreven werd aan de profeet (sallallahoe ‘alayhi wa sellem), wiens uitspraken en handelingen de status van wetgevend hadden. En naar mate het gevaar van het toeschrijven van incorrecte dingen aan hem toenam, spanden de sympathisanten van de oemmah zich meer en meer in om het onvervalste te onderscheiden van het vervalste. De wetenschap van het onderscheiden van de authentieke (sah’ieh’) ah’aadieth van de zwakke (dha’ief) en verzonnen (mawdoe’) ah’aadieth (en vele classificaties daartussen) is een unieke wetenschap welke alleen door moslims bedacht en ontwikkeld is. Werkelijk ongelukkig zijn degenen die zich zonder kennis over deze wetenschap (dus onbezonnen) laten misleiden door Westerse oriëntalisten om de ah’aadieth en de Soennah te zien als niet rechtsgeldig en onbetrouwbaar. (Naar Tafheem-ul-Qur’an van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)

Houd van de boodschapper, door zijn Soennah te volgen! Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) zegt in Zijn Nobele Koran (Nederlandstalige interpretatie): “Bij Allah! Er is voor jullie in de boodschapper van Allah (Moh’ammed – salallaahoe ‘alayhie wa sellem) werkelijk een goed voorbeeld voor degene die op Allah en de Laatste Dag hoopt en die Allah veel gedenkt.” [Soerat al-Ah’zaab (33), aayah 21.]

Zie het 225 pagina’s tellende boek Het Belang en de Autoriteit van de Soennah, geschreven door Jamaal al-Din M. Zarabozo, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah, en te bestellen via onze webwinkel.

Degenen die het volledige artikel van Dr. ‘Oethmaan ibn Moe’allim Mahmoed ibn Shaykh ‘Alie willen lezen kunnen terecht op de volgende pagina’s (pdf):

http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110001.pdf
http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110002.pdf
http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110003.pdf
http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110004.pdf
http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110005.pdf
http://www.spubs.com/sps/downloads/pdf/GRV110006.pdf

 

Relevante artikelen:

Het volgen van Allahs boodschapper is een verplichting

Inleiding tot de Soennah

Introductie tot de ah’aadieth

Inleiding tot de wetenschap betreffende h’adieth

De Soennah (diverse artikelen)

Sekten in de islam (diverse artikelen)