Wat onderwijst de Islam over rechtvaardigheid?

Liefde noch haat mag rechtvaardigheid in gevaar brengen.

Rechtvaardigheid 7Geschreven door Khalid Baig.
Vertaald en aangevuld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Er is een woord dat de essentie van alle islamitische wetten en alle islamitische leerstellingen weergeeft; één woord dat de allergrootste waarde – dat alle islamitische waarden doordringt – omschrijft. Rechtvaardigheid. Allah, al-‘Adl (de Rechtvaardige), zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Bij Allah! Wij zonden werkelijk Onze boodschappers met de duidelijke bewijzen en Wij zonden met hen het Boek (#1) en de balans (#2) (der rechtvaardigheid) neer zodat de mensen rechtvaardigheid in stand houden…” [Soerat al-H’adied (57), aayah 25.]

<<<(#1) Noot van vertaler: Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) openbaarde meerdere Boeken. Zie De 6 pilaren van geloof – Geloof in de Boeken. Het gebruik van het enkelvoudige al-Kitaab (het Boek) in plaats van de meervoudsvorm is dus heel significant. Het toont aan dat de Koran (al-Qor-aan) en alle Boeken die Allah de Verhevene ervoor geopenbaard heeft, in verschillende talen en in verschillende tijdperken, in feite één en hetzelfde Boek zijn met één en Dezelfde Auteur en met één en hetzelfde doel: zij delen één en dezelfde kennis en leringen mee aan de mensheid met het enige verschil dat zij in verschillende talen geformuleerd zijn en gevarieerde methoden gebruiken om te passen bij de verschillende geadresseerden. Door het feit dat deze Boeken elkaar steunen en niet weerleggen, bevestigen en niet tegenspreken, toont aan dat zij allemaal verschillende versies zijn van één het hetzelfde Boek (al-Kitaab). (Tefhiem al-Qor-aan, Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.) Zie het artikel één God, één boodschap.>>>

<<<(#2) Noot van vertaler: de wetgeving van Allah (as-sharie’ah) die, zoals een weegschaal, duidelijk het onderscheid kan maken tussen het goede en het kwade, alsook de waarheid en valsheid, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid, rechtschapenheid en zondigheid.>>>

Een van de voornaamste redenen van het zenden van profeten is het bewerkstelligen van rechtvaardigheid in de wereld en het beëindigen van onrechtvaardigheid. Rechtvaardigheid betekent over het algemeen iedereen geven wat hen toekomt, iedereen zijn rechten geven. Maar deze eenvoudige verklaring camoufleert alle complexiteiten van het leven wat betreft hun ontelbaarheid en voortdurend veranderende relaties; alle verleidingen; alle angsten en bezorgdheden; alle conflicten en dilemma’s. Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zond de profeten met duidelijke tekenen, het Boek en de balans om de mensen te leiden (naar succes in deze wereld en in het Hiernamaals). Het Boek bevat de openbaringen die nauwkeurig omschrijven wat eerlijk en wat oneerlijk is, of wat goed en wat fout is. De balans verwijst naar ons vermogen om te beoordelen en berekenen zodat we het pad kunnen volgen dat getoond wordt door het Boek en uitgelegd door de profeten (vrede zij met hen allen).

Deze bronnen onderwezen ons wat de rechten van Allah (Allaah) zijn, alsook de rechten van andere mensen en die van onszelf en hoe we hen in evenwicht dienen te houden. Leven in gehoorzaamheid jegens Allah al-Wadoed (de Liefhebbende) is dan een voortdurende evenwichtsoefening, zowel individueel als gezamenlijk. (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Vele mensen kunnen onder normale omstandigheden rechtvaardig zijn. Maar de Islam (al-Islaam) vereist van zijn volgelingen om ook rechtvaardig te zijn wanneer zij geconfronteerd worden met sterke strijdige emoties. Tijdens het omgaan met andere mensen kunnen er twee grote belemmeringen voor rechtvaardigheid zijn: liefde en haat. Zie hoe de Qor-aan ons onderwijst de eerste belemmering te weerstaan wanneer we te maken hebben met onze meest nabije familieleden of zelfs met onszelf. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Wees continue sterk in het handhaven van rechtvaardigheid, als getuigen ter wille van Allah, ook al is het tegen jezelf of de ouders en de verwanten. (#3) Ongeacht of het om een rijke of een arme gaat (#4), Allah is dan een betere Beschermer voor hen beiden (en Hij weet wat goed voor hen is). Volg dus niet de begeerte waardoor jullie afstand nemen van rechtvaardigheid. En als jullie de getuigenis verdraaien of het weigeren af te leggen, dan waarlijk, Allah is Khabier (Alwetend omtrent subtiele zaken) aangaande hetgeen jullie doen.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 135.]

<<<(#3) Noot van vertaler: de Islaam bepleit een rechtvaardigheid die noch van liefde noch haat afhankelijk is. Men moet zich niet laten leiden door emoties.>>>

<<<(#4) Noot van vertaler: ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verhaalde: “De mensen van Qoeraysh waren zeer bezorgd over een nobele vrouw van de Makhzoem stam die diefstal had gepleegd. Zij zeiden: ‘Wie kan ten gunste van haar spreken met de profeet van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem)? En niemand durft dit te doen behalve Oesaamah, de geliefde van Allahs boodschapper.’ Toen sprak Oesaamah (moge Allah tevreden zijn met hem) met hem (over de zaak om de bestraffing kwijt te schelden), waarop hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Verricht jij voorspraak voor één van de bestraffingen voorgeschreven door Allah!?’ Vervolgens stond hij op en sprak de mensen aan, zeggende: ‘Waarlijk, de mensen vóór jullie werden vernietigd doordat wanneer een nobele persoon van onder hen stal, zij hem met rust lieten; maar wanneer een zwakke onder hen stal, zij de bestraffing op hem toepasten. Bij Allah, indien Faatimah de dochter van Moh’ammed (zijn eigen dochter dus) diefstal zou begaan, zou ik (ook) haar hand afhakken!’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.) Liefde voor zijn meest geliefde dochter en een van de beste vrouwen die ooit leefde op aarde weerhield de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) niet van rechtvaardigheid, waardoor hij verklaarde dat als zij zou stelen, dat hij dan haar hand af zou hakken. Dit is het zuivere begrip en de pure realisatie van rechtvaardigheid; dit is de ware geboortedag van sociale rechtvaardigheid dat elk mens met gezond verstand en een zuiver hart zal aanspreken.>>>

Dit is de oplossing van de Qor-aan voor het bestaande conflict tussen eigenbelang en rechtvaardigheid. Wees rechtvaardig, zelfs als het in het nadeel is van jouw zorgvuldig afgebakende eigenbelang, of tegen degenen die jou meest nabij zijn. Onwetende mensen denken dat zij hun eigenbelang beschermen door onrechtvaardig te zijn jegens anderen. Hun keuze om rechtvaardig of onrechtvaardig te zijn is vaak afhankelijk van een koude berekening van eigenbelang. Maar waar geloof in Allah verheft een persoon boven een dergelijke bekrompenheid. Deze verzen (aayaat) herinneren ons aan het feit dat Allah de werkelijke beschermer is van de belangen van alle mensen en dat Hij ons zal beschermen wanneer wij Zijn bevel om rechtvaardig te zijn volgen. De rechtvaardigheid vereist door de Islaam staat geen bevoorrechting of vriendjespolitiek toe.

De andere, net zo sterke belemmering, is haat. Hier draagt de Qor-aan wederom op (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Wees continue sterk omwille van Allah (niet omwille van mensen of faam), als getuigen met rechtvaardigheid; en laat haat tegenover een volk jullie niet aanzetten tot het onrechtvaardig zijn (tegenover hen). Wees rechtvaardig (jegens vriend en vijand), dat is dichter bij at-taqwaa (de vroomheid); en vrees Allah. Waarlijk, Allah is Khabier (Alwetend omtrent subtiele zaken) aangaande hetgeen jullie doen.” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 8.]

Met andere woorden, je kunt zelfs niet onrechtvaardig zijn jegens de vijand. De natuurlijke, ondoordachte en onbeschaafde tendens is om de vijand minder dan een mens te behandelen; iemand die geen rechten heeft en geen rechtvaardigheid of eerlijkheid verdient. Dit was zo in de pre-islamitische periode van djaahiliyyah [onwetendheid (#5)] – gevuld met stammenvetes etc. – en tegenwoordig is het niet veel anders (nationalisme, racisme etc.). [Zie de artikelen Nationalisme, een vreemd concept in de Islaam en Racism (Engels- en Nederlandstalig).] Zie hoe de Islaam het direct beteugelt. Het is een bevel voor de gelovigen – met de herinnering dat Allah naar ons kijkt – dat vijandigheid van anderen niet als een excuus gebruikt kan worden om onrechtvaardig te zijn jegens hen.

<<<(#5) Noot van vertaler: djaahiliyyah – onwetendheid. De term djaahiliyyah verwijst o.a. naar de periode van morele onwetendheid van een volk of beschaving, de periode tussen het verdwijnen van het profetisch onderricht en de komst van een andere; en, in het bijzonder, naar de periode van het Arabische heidendom vóór de komst van de profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). De term beschrijft, los van deze historische gevoelswaarden, de toestand van morele onwetendheid of onachtzaamheid in algemene zin, ongeacht de tijd of maatschappelijke omgeving.>>>

Rechtvaardigheid vereist vergelding/straf en de Islaam acht “oog om oog” noodzakelijk. (#6) Maar dit betekent niet een onschuldig oog voor een (on)schuldig oog; het betekent het oog van de dader voor het oog van het slachtoffer (een onderscheid waar terroristen geen rekening mee houden). Het is verbazingwekkend dat degenen die dit laatstgenoemde als barbaars bestempelen, in feite neigen naar het eerstgenoemde wanneer een serieuze crisis zich ontwikkeld.

<<<(#6) Noot van vertaler: Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Al-Qisaas (de wet van gelijkheid in bestraffing) is jullie voorgeschreven…” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 178.] Qisaas beduidt rechtmatige vergelding. Qisaas betekent letterlijk gelijkstelling en houdt volgens de islamitische wetgeving in: de bestraffing van de dader overeenkomstig de door het slachtoffer geleden (lichamelijke) schade (wat volgens een islamitische rechtbank toegekend dient te worden – men mag nooit het recht in eigen hand nemen).>>>

Deze geboden werden veertienhonderd jaar geleden ingesteld in een samenleving waar rijk en arm, vriend en vijand, moslim en niet-moslim, de heerser en de onderdanen, allemaal gelijkwaardig behandeld werden en zij konden allen rekenen op rechtvaardigheid. De kadi’s of qoedhaah (islamitische rechters – enkelvoud: qaadhie, qadi, qazi, kadi) waren onafhankelijk en niemand, inclusief de khaliefah (kalief, leider), stond boven de wet. Als er een onenigheid ontstond tussen de khaliefah en een burger, dan dienden beide in de rechtszaal te verschijnen en hun bewijs (daliel) te verschaffen. De islamitische geschiedenis is gevuld met verhalen over zulke rechtvaardigheid, waar de moslims ook maar heersten in hun gouden tijdperk.

Zelfs tijdens de periode van verval (toen vele moslims minder acht begonnen te slaan op de sharie’ah) vinden we sporadisch incidenten die gewoonweg fenomenaal zijn. Het volgende voorbeeld uit de recente geschiedenis is hier wellicht voldoende. Tijdens het Brits bestuur van India (1858–1947) ontstond er eens een onenigheid tussen hindoes en moslims over een stuk land. Hindoes beweerden dat het behoorde tot een tempel, terwijl moslims het als een moskee claimden. De emoties liepen aan beide kanten hoog op en de mogelijkheid op een rel was reëel. De Engelse rechter was niet in staat om de waarheid te achterhalen. Het was het woord van de ene groep tegen de andere. Uiteindelijk vroeg de rechter beide groepen of zij de getuigenis van enig persoon konden vertrouwen. Dat konden zij. Het was een bepaalde moslim imaam (imam – religieuze leider) die bekend stond om zijn vroomheid. De persoon in kwestie werd verzocht om in een zeer beladen atmosfeer als een getuige naar de rechtszaal te komen. Elke groep verzocht hem dringend om hen te helpen de zaak te winnen door middel van zijn getuigenis. Zijn getuigenis was kort: “De hindoes hebben gelijk. De zaak van de moslims is ongegrond,” zei hij. Hij verraadde de gemeenschap niet. Hij bevestigde nogmaals zijn vastberaden naleving van rechtvaardigheid boven alles.

Dit is de rechtvaardigheid die de wereld tegenwoordig hard nodig heeft.

Allah de Meest Barmhartige zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah beveelt jullie de toevertrouwde zaken te geven aan degenen aan wie het toekomt; en dat wanneer jullie tussen de mensen oordelen (rechtspreken), dat jullie met rechtvaardigheid oordelen. Waarlijk, Allah maant jullie daarmee aan tot iets voortreffelijks. Waarlijk, Allah is Alhorend, Alziend.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 58.] (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Toevoeging van de vertaler

[Met gedeelten uit een artikel van sheikh Saamie al-Maadjid (professor aan de al-Imaam Islamitische Universiteit te Riyadh), alsook uit een artikel van dr. Ali al-Halawani (PhD in computationele taalkunde en vertaling van de betekenissen van de Qor-aan).]

Alle mensen smachten instinctief naar rechtvaardigheid voor zichzelf en verachten om onderdrukt te worden. Desondanks behandelen te veel mensen anderen onrechtvaardig. Als een moslim werkelijk zou begrijpen hoe belangrijk rechtvaardigheid is ten opzichte van de doelen van de Islaam, dan zou rechtvaardigheid de eerste eigenschap van religieusheid zijn die zou verschijnen in hem indien hij zijn geloof serieus neemt. Dan zouden we alleen maar moslims zien die rechtvaardig zijn en die eerlijk zijn in hun omgang met anderen. Evenzo, als een moslim zich zou realiseren hoe gruwelijk onrecht is in de Islaam, dan zou hij sneller zijn om berouw (tawbah) te tonen voor onrecht (dzoelm) dan voor de kleinere zonden waar hij wellicht om huilt.

Helaas dat veel mensen die berouw tonen voor hun zonden en hun overgave aan de Islaam hernieuwen alles in hun leven veranderen behalve hun gedrag tegenover anderen. Zij zijn net zo onrechtvaardig, net zo wreed en net zo onachtzaam jegens de rechten van anderen zoals ze altijd zijn geweest. Dit is eigenlijk geen verrassing, aangezien hun begrip van de Islaam slechts gefocust is op de rechten van hun Heer – Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) – en blind jegens de rechten van hun medemens. Als gevolg is hun “oprechtheid” en “vroomheid” alleen te zien in hun handelingen die betrekking hebben op hun directe relatie met hun Heer, maar schieten zij flink tekort als het gaat om de rechten van andere mensen.

De Islaam erkent alle facetten van het menselijke karakter, inclusief talenten waarmee mensen begunstigd zijn alsook de tekortkomingen waar zij aan lijden. Mensen verschillen niet alleen wat betreft lichaam, maar ook qua geestelijke en psychologische vermogens. Dit omvat ook de omstandigheden waar zij mee te maken hebben, de omgevingen waarin zij leven en de gewoonten en (gedrags)regels die zij erven van voorgaande generaties.

Hierdoor is het onmogelijk voor een mens om een gebalanceerde en onpartijdige samenleving te bewerkstelligen die vrij is van fouten. Maar de Islaam voorziet ons van de noodzakelijke richtlijnen voor een dergelijke gebalanceerde samenleving met een sociale rechtvaardigheid dat door alle verstandige mensen gewenst wordt. We zullen dit nader toelichten.

Er zijn twee soorten van sociale rechtvaardigheid, namelijk de goddelijke sociale rechtvaardigheid, opgelegd door Allah de Verhevene, en de aardse sociale rechtvaardigheid, wettelijk geregeld door filosofen, ordehandhavers, politici of leiders.

Aardse rechtvaardigheid is ongetwijfeld partijdig en onvolkomen aangezien het ontworpen is door mensen, ongeacht hoe rationeel of onbevooroordeeld zij ook moge zijn. Een mens kan nooit absolute rechtvaardigheid bewerkstelligen omdat hij louter een mens is. Hij is een mens in de zin van dat hij gewoonlijk beïnvloed is door zijn eigen opvoeding, opleiding, sociale klasse, religieuze affiliatie en verbondenheid met zijn cultuur. Men kan gerust zeggen dat dit soort rechtvaardigheid op z’n best slechts enkele aspecten van sociale rechtvaardigheid kan codificeren of vastleggen in een wetboek. De praktijk toont dit ook aan: wat vandaag toegestaan is kan morgen verboden zijn en vice versa. Menselijke wetten veranderen, afhankelijk van de meningen en begeerten van de meerderheid/beleidmakers. (Zie de artikelen over Democratie.)

Aan de andere kant is de goddelijke sociale rechtvaardigheid, zoals de Islaam het bepleit, een geïntegreerd systeem voor rechtvaardigheid opgelegd door de Schepper van de mens en alle andere schepsels. (Zie de artikelen in de rubriek Atheïsme.) De Schepper (d.w.z. Allah de Almachtige) kent het schepsel (d.w.z. de mens) tenslotte beter. (Zie De Schepper maakt een gebruiksaanwijzing.) Allah de Meest Barmhartige kan niet omschreven worden als bevooroordeeld jegens enig ras (#7), stam of klasse, aangezien Hij de Schepper van hen allen is.

<<<(#7) De Nobele Qor-aan geeft aan (Nederlandstalige interpretatie): “Wij zegenden hem (Ibraahiem – Abraham) en Ish’aaq (Izaak). En onder hun nakomelingen zijn er weldoeners alsook anderen die onmiskenbaar onrechtvaardig zijn jegens zichzelf.” [Soerat as-Saaffaat (37), aayah 113.] Met deze voorspelling weerlegt de Qor-aan, alsook op vele andere plaatsen (zie o.a. aayah 2:62, 2:80 en 5:69), de valse opvatting van de Joden dat zij “het uitverkoren volk” zijn op grond van hun afstamming van Abraham, Izaak en Jakob (Israël) (vrede zij met hen) en daardoor op voorhand “verzekerd” zijn, als het ware, van Gods aanvaarding. Met andere woorden, Gods zegening van een profeet of rechtschapen persoon duidt niet, op zichzelf, op een verlening van enige speciale status aan diens nakomelingen. (The Message of the Qur’aan, Moh’ammed Asad.) Er is niets zoals een uitverkoren volk met speciale privileges. Zie de artikelen in de rubriek Jodendom.>>>

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid en goedheid en het geven aan de verwanten en Hij verbiedt gruwelijkheid en het verwerpelijke en onrechtvaardigheid. Hij vermaant jullie opdat jullie er lering uit zullen trekken.” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 90.]

As-Sha’bie verhaalde dat Shoetayr ibn Shakal zei: “Ik hoorde Ibn Mas’oed zeggen: ‘De meest omvattende aayah in de Qor-aan is in soerat an-Nah’l: ‘Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid (A) en goedheid (B) en het geven aan de verwanten (C) en Hij verbiedt gruwelijkheid (D) en het verwerpelijke (E) en onrechtvaardigheid (F)…’’” (Overgeleverd door Ibn Djarier.)

Dit zijn echter veelomvattende termen die enige toelichting behoeven:

(A) Rechtvaardigheid (al-‘adl) beduidt zowel rechtvaardigheid tegenover anderen (wees eerlijk – zie o.a. aayah 4:29, 6:24 en 6:152), jezelf (wees gematigd: niet nalatig en niet extreem – zie o.a. aayah 22:78 en 35:32) en Allah (aanbid niets/niemand naast Hem – zie o.a. aayah 2:54, 5:72 en 31:13).

(B) Goedheid (al-ih’saan) omvat goedheid, vriendelijkheid en welwillendheid: behandel mensen goed, wees vergevensgezind, help anderen. Zie o.a. aayah 3:134, 4:36, 23:96, 41:34 en 42:40. Al-I’hsaan omvat ook perfectie van en geduldig zijn met aanbidding, uitmuntendheid in het geloof: het aanbidden van Allah de Verhevene net alsof je Hem ziet, en als je Hem niet ziet, weet dan dat Hij jou wel ziet.

(C) Het geven aan de verwanten beduidt het geven van geld, voedsel, kleding etc. indien dit nodig is en ook om de familiebanden te versterken, hen bezoeken en aandacht schenken, adviseren en alle vormen van hulp bieden. Zie o.a. aayah 2:27, 13:21-22 en 17:26. Zie o.a. Het voorzien in de behoefte van je broeder (h’adieth 36 van De veertig ah’aadieth van an-Nawawie).

(D) Gruwelijkheid (al-fah’shaa-e): de gruweldaden, de grote zonden – d.w.z. de daden en eigenschappen die zeer slecht zijn, zoals onwettige seksuele handelingen, moord, alcohol drinken, vrekkigheid, ongehoorzaamheid tegenover de ouders, liegen, polytheïsme e.d.

(E) Het verwerpelijke (al-moenkar): het afkeurenswaardige, het slechte – koefr (ongeloof), shirk (polytheïsme) en alles wat de Islaam verbiedt.

(F) Onrechtvaardigheid (al-baghy): alle vormen van onrechtvaardigheid, opstandigheid en onderdrukking. Zie o.a. Het verbod op het plegen van onrecht (h’adieth 24 van De veertig ah’aadieth van an-Nawawie).

De Islaam legt zware nadruk op de doctrine “rechtvaardigheid voor iedereen” en iedere moslim dient sociale rechtvaardigheid na te leven in zijn/haar dagelijkse leven opdat al hun inspanningen om ware vroomheid en nabijheid tot Allah de Meest Barmhartige te verkrijgen niet verloren raakt en van nul en gener waarde wordt.

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei eens tegen zijn metgezellen (Nederlandstalige interpretatie): “Weten jullie wie moeflis (failliet/blut) is?” Zij zeiden: “Onder ons, degene die failliet is, is degene die geen dirhams (geld) en geen goederen heeft.” Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei: “Degene die failliet is onder mijn oemmah (gemeenschap) is degene die op de Dag der Opstanding komt met het gebed, vasten en zakaah, maar hij zal komen terwijl hij die-en-die beledigd heeft, die-en-die belasterd heeft, de eigendommen van die-en-die (onrechtmatig) verbruikt heeft, het bloed van die-en-die heeft doen vloeien en die-en-die geslagen heeft. Ieder van hen zal wat van zijn h’asanaat (goede daden) gegeven worden, en als zijn h’asanaat opraken voordat de rekening vereffend is, zullen wat van hun sayyie-aat (zonden) genomen worden en op hem geworpen worden, vervolgens zal hij in de Hel geworpen worden.” (Overgeleverd door Moeslim.)

Djaabir (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Mijd onrechtvaardigheid jegens anderen, want op de Dag des Oordeels zal het veranderen in veelvuldige duisternis; en bescherm jezelf tegen vrekkigheid, want het vernietigde degenen vóór jullie. Dit zette hen aan tot moord het behandelen van het onwettige als wettig.” (Overgeleverd door Moeslim.)

De opstanding en beoordeling in het Hiernamaals is een manifestatie van goddelijke rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid begint in het Hiernamaals wanneer vergelding formeel wordt uitgevoerd tussen alle schepsels die na de opstanding verzameld zullen worden. Zelfs dieren zullen vergoed worden. Een sah’ieh’ h’adieth (authentieke overlevering) geeft aan dat het hoornloze schaap zijn vergoeding zal krijgen van het gehoornde schaap dat hen schade heeft berokkend. (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Voortreffelijke voorbeelden van sociale rechtvaardigheid in de Islaam

Profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft vele voortreffelijke voorbeelden gegeven aangezien hij het rolmodel was voor goede manieren. Hij was rechtvaardig jegens alle mensen zonder enige discriminatie. Het verhaal over de nobele vrouw die stal en de reactie van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) op de bemiddeling van Oesaamah (moge Allah tevreden zijn met hem) dat hierboven is aangehaald getuigt daar perfect van. Het gaat buiten het bestek van dit artikel om de ontelbare voorbeelden aan te halen die de perfecte rechtvaardigheid van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en zijn eerlijke omgang met alle mensen en zelfs dieren aan te tonen.

Natuurlijk volgden de sah’aabah (metgezellen – moge Allah tevreden zijn met hen) van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) ook hierin zijn voorbeeld. ‘Oemar ibn al-Khattaab (moge Allah tevreden zijn met hem), de tweede khalief, was bekend voor zijn rechtvaardigheid als leider. Laat ons een deel van zijn toespraak en advies aan de burgers citeren. Hij zei in aanwezigheid van de leiders die door hem aangesteld waren om de islamitische steden te regeren: “Ik stelde hen niet als leiders aan om jullie onrechtvaardig te behandelen of om jullie geld te nemen… Als iemand van jullie onrecht wordt aangedaan door iemand van hen, meld dit dan aan mij en ik zal jullie rechten teruggegeven aan jullie.” [Aboe ‘Adjwa, Nageiub Ah’med. Al-Moedjtama’ al-Islaamie: Da’aa-imoeh wa Adaboeh fie Daw-e al-Qor-aan al-Kariem (De Islamitische gemeenschap: Haar Fundamenten en Etiquette in het Licht van de Koran). Maktabit Madbuli. Egypte, 2000, blz. 92.]

De sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) gaven naast rechtvaardigheid en gelijkheid ook goede voorbeelden wat betreft het uitgeven op de weg van Allah en sociale solidariteit tussen de rijken en de armen. Aboe Bakr as-Siddieq (moge Allah tevreden zijn met hem), de eerste khalief, bijvoorbeeld, had eens 40.000 Dirham die hij uitgaf aan de vrijlating van arme moslimslaven wier onrechtvaardige meesters gewoon waren hen te martelen op een manier om hen te dwingen om hun geloof afvallig te zijn en hun Islaam te verlaten. Er bleven slechts 5000 Dirham over voor hem en zijn familie.

Sheikh ‘Atiyyah Moh’ammed Saalim zei eens tijdens een dars (les): “Toen ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem) khalief was, zag hij eens een oude man van onder de koeffaar (ongelovigen) bedelen. ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem) vroeg hem waarom hij bedelde. De man zei: ‘Omdat ik djizyah (#8) moet betalen, heb ik niet genoeg geld om te overleven.’ Toen ‘Oemar dit hoorde, schafte hij de djizyah voor deze oude man af en gaf hem een maandelijkse uitkering uit de schatkist van de staat.” Dit verhaal, dat de barmhartigheid van de Islaam aantoont, is ook vermeld in Kitaab al-Kharadj van Aboe Yoesoef, een student van Aboe H’aniefah.

<<<(#8) Djizyah: een soort belasting die betaald dient te worden door niet-moslims die leven in een islamitische staat en die hun eigen religie willen behouden. Aangezien niet-moslims vrijgesteld zijn van militaire dienst en belasting die opgelegd is aan moslims, dienen zij deze belasting te betalen als compensatie. Het garandeert hen veiligheid en bescherming. [Zie o.a. Sah’ieh’ al-Boekhaarie, Vol. 4, hoofdstuk 21, en h’aadieth nr. 384, 385 en 386.]>>>

De Islaam is mede gekomen om vrede op aarde te bewerkstelligen; er kan geen vrede zijn zonder rechtvaardigheid en er kan geen rechtvaardigheid zijn zonder gelijkheid. Profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “O mensen! Jullie God is één en jullie voorvader (Adam – vrede zij met hem) is één. Een Arabier is niet beter dan een niet-Arabier en een niet-Arabier is niet beter dan een Arabier; en een rood (d.w.z. wit met een rood tintje) persoon is niet beter dan een zwarte persoon en een zwarte persoon is niet beter dan een rood persoon (#9) – behalve wat betreft vroomheid.” (Overgeleverd in de Moesnad van Ah’med, #22978.)

<<<(#9) De kleuren genoemd in deze profetische overlevering (h’adieth) zijn voorbeelden. De betekenis is dat er in de Islaam niemand beter is dan een ander op basis van zijn huidskleur, hetzij wit of zwart, geel of rood of enige andere kleur.>>>

Moeslim leverde over dat Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) zei dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah kijkt niet naar jullie vormen (uiterlijk) of kleuren, maar Hij kijkt naar jullie harten en daden.”

Tot slot, ondanks de afwezigheid van ware toepassing van deze waarden en concepten in onze moderne tijd, toch is het voor de moslimoemmah verplicht om alles wat door de Islaam en onze geliefde profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) onderwezen is in gedachten te houden zodat wij in staat zijn te werken aan het herstel van de samenleving die profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en zijn sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) eens opgebouwd hebben en om gevoelens van liefde, broederschap, veiligheid en vredigheid opnieuw te kunnen verwerven – zaken die ver te zoeken zijn in onze tegenwoordige samenleving.

En tot Allah keren wij allemaal terug.

(Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Relevante artikelen:

Stop terrorisme (diverse artikelen)

Jihad in de Islam

De belangrijkheid van akhlaaq – goed gedrag

Mijn religie is vriendelijkheid

De rechten van de straat

De rechtvaardigheid van de Islam

Verboden zakelijke transacties

Submission

Moet de islam gemoderniseerd worden?

Religieuze tolerantie in de Islam

Liegen en 1 april

Ik lieg niet, ik maak alleen maar een grapje

Kijk naar je tong en je handen!

De voortreffelijke positie van buren in de Islam

Het verbod op bloedvergieten (h’adieth 14 van De veertig ah’aadieth van an-Nawawie)

Het verbod op het plegen van onrecht (h’adieth 24 van De veertig ah’aadieth van an-Nawawie)

Het verbod op het berokkenen van schade (h’adieth 32 van De veertig ah’aadieth van an-Nawawie)