Waar is Allah?

اسْتَوَى عَلَى الْعَرْش – istawaa ‘ala al-‘arsh
Allah verhief Zich boven de troon.

Vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Waarlijk, alle lof is voor Allah. Wij prijzen Hem, zoeken Zijn hulp en vragen Hem om vergeving. Wij zoeken toevlucht bij Allah tegen het slechte in onze zielen en het slechte van onze handelingen. Wie Allah leidt, er is niemand die hem kan misleiden; en wie Allah laat dwalen, er is niemand die hem kan leiden. Ik getuig dat er geen God is Die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, Hij heeft geen deelgenoten, en ik getuig dat Moh’ammed Zijn dienaar en boodschapper is. Voorts:

 

Klik hier om deze belangrijke en interessante verhandeling als gratis e-boek te openen/downloaden (pdf, 45 blz., 571 kb). Ga naar e-Boeken voor nog meer gratis e-boeken over de Islaam.

Deze verhandeling bestaat uit de volgende hoofdstukken:

Bewijs uit de Qor-aan
Bewijs uit de Soennah
Terminologie
De term ‘plaats’
De mening van de selef
De mening van de vier vermaarde imams
Het gezonde verstand
Discussie met de Jahmiyyah


Bewijs uit de Qor-aan

IN DE KORAN (al-Qor-aan) lezen we dat Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) de gelovigen beveelt om hun meningsverschillen te verwijzen naar Zijn Boek en de Soennah van Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – vrede en zegeningen van Allah zijn met hem), zeggende (Nederlandstalige interpretatie):

“…En als jullie over iets van mening verschillen, leg het dan voor aan Allah en de boodschapper indien jullie geloven in Allah en de Laatste Dag…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 59.]

Aldus dienen de Woorden van Allah Ta’aalaa alsook de woorden van Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) genomen te worden als ultiem en beslissend oordeel. Geen oordeel of beslissing zou voorrang moeten krijgen boven die van hen.

Echter, door hun nadruk op redeneren om religieuze waarheden vast te stellen, verklaren de rationalisten, de modernisten en de Jahmiyyah de superioriteit van redeneren boven de goddelijke openbaringen. Terwijl de Verhevenheid van Allah, welke in de Qor-aan en de Soennah duidelijk verkondigd wordt, buiten het bereik van redenatie valt.

De rationele theologen, die hun verstand dus hogere prioriteit geven dan de goddelijke openbaringen, ontkennen de Eigenschappen van Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij), op een paar na. Zij bepleitten: “Als iets eigenschappen heeft, is het een lichaam/object, omdat eigenschappen (filosofische) toevalligheden zijn en toevalligheden kunnen niet bestaan behalve in een object.” Hier op gebaseerd (op rationele redenering), ontkennen zij onder andere het feit dat Allah Ta’aalaa gezien zal worden op de Dag des Oordeels. Het oog kan niets zien behalve fysieke objecten, beweren zij. (Zie de artikelen Is het mogelijk om Allah te zien? en De Handen van Allah.) Zij ontkennen ook dat Allah Ta’aalaa Zichzelf verhief boven Zijn troon, en kennen louter een symbolische betekenis daaraan toe.

Maar de Qor-aan geeft ons duidelijke informatie over waar (en Wie) Allah is. De ware gelovigen geloven, in tegenstelling tot de rationalisten, dat de ‘arsh (troon) van Allah Ta’aalaa boven de zeven hemelen (het hele universum) is. (Zie de artikelen Aayatoe l-Koersie en De Grootheid van Allah.) Zij geloven ook dat Allah Ta’aalaa Zich na het scheppen van de hemelen en de aarde boven Zijn troon verhief. Allah Ta’aalaa zegt namelijk in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie):

“Waarlijk, jullie Heer is Allah, Degene Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen (#1), vervolgens verhief Hij Zich (#2) boven de troon (#3)…” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 54.] (#4)

(#1) Zie het artikel De schepping van de hemelen en de aarde in zes dagen.

(#2) Istawaa (اسْتَوَى – hier vertaald als ‘verhief Hij Zich’) is afgeleid van het werkwoord sawiya en de afgeleide vorm ervan istiwaa-e beduidt het verheffen boven de troon. De Ash’aries, de Moe’tazilah, de Jahmiyyah en degenen die hun geloofsovertuigingen aanhangen zien de Eigenschap van istiwaa-e louter als iets symbolisch, terwijl Ahloe s-Soennah deze en andere essentiële Eigenschappen van Allah Ta’aalaa letterlijk accepteren zonder vergelijkingen te maken met de schepping. Er zijn verschillende meningen over de betekenis van istawaa (Zich verheffen boven). Maar wij (Ahloe s-Soennah) volgen de weg die onze rechtschapen voorgangers namen op dit punt, zoals Maalik, al-Awzaa’ie, at-Thawrie, al-Layth ibn Sa’d, as-Shaafi’ie, Ah’med, Ish’aaq ibn Raahaweyah en de andere ‘oelamaa-e (geleerden) van de moslims, uit het verleden en in het heden. Waarlijk, wij accepteren de duidelijke betekenis van al-istiwaa-e, zonder te discussiëren over het hoe, zonder het te vergelijken (met de eigenschappen van de schepping), of het op te heffen (op enige manier of vorm). Wij geloven ook dat de betekenis die komt van degenen die Allah Ta’aalaa vergelijken met de schepping verworpen dient te worden, want niets is vergelijkbaar met Allah Ta’aalaa (zie aayah 42:11 en 112:4, die we zo meteen zullen aanhalen). Waarlijk, wij verklaren en bevestigen wat de a-immah (imams) zeiden, zoals an-Noe’aym ibn H’ammaad al-Khoezaa’ie, de leraar van imaam al-Boekhaarie, die zei:

“Eenieder die Allah vergelijkt met Zijn schepping heeft koefr (ongeloof) begaan. Eenieder die ontkent waar Allah Zichzelf mee beschreven heeft, heeft koefr begaan. Voorzeker, er is geen antropomorfisme (gelijkenis van Allah met de schepping) betreffende hetgeen waarmee Allah en Zijn boodschapper Hem hebben beschreven. Eenieder die getuigt van Allahs Eigenschappen die de duidelijke verzen en authentieke overleveringen hebben genoemd, op de manier die past bij de Majesteitelijkheid van Allah, terwijl men alle tekortkomingen voor Hem verwerpt en ontkent, heeft het pad van leiding genomen.” (Tefsier Ibn Kethier.)

(#3) Ibn al-Qayyim zei in Zaad al-Ma’aad (4/203): “De troon is het dak van de schepping en het grootste van de geschapen dingen.” Hetzelfde is aangegeven door Ibn Taymiyyah in Madjmoe’ al-Fataawaa, 6/581, 25/1998; Ibn Kethier in al-Bidaayah wa n-Nihaayah, 1/9, 11; en door Ibn Abie al-‘Izz in Sharh’ al-‘Aqiedah at-Tah’aawiyyah, 1/311.

(#4) Zie ook aayah 13:2, 20:5, 25:59, 32:4 en 57:4.

Allah Ta’aalaa zegt ook (Nederlandstalige interpretatie):

“…Er is niets gelijk aan Hem…” [Soerat as-Shoeraa (42), aayah 11.]

“En niets is gelijkwaardig aan Hem.” [Soerat al-Ikhlaas (112), aayah 4.]

Deze twee aayaat waarschuwen ons vooral voor antropomorfisme, de neiging om God – Allah Ta’aalaa – voor te stellen volgens ons eigen model, idee of voorstellingsvermogen. De Eigenschappen van Allah Ta’aalaa dienen niet op een antropomorfistische manier geïnterpreteerd te worden. Allah Ta’aalaa is Verheven boven het beperkte voorstellingsvermogen van de mens, en Zijn Eigenschappen kunnen niet vergeleken worden met die van Zijn schepping. Zo hebben dieren poten, ogen en haar (en een stoel heeft ook poten). Maar het feit dat zij dit gemeenschappelijk hebben, betekent niet dat hun poten, ogen en haar op elkaar lijken. Dus als het duidelijk is dat er tussen de gemeenschappelijke eigenschappen van schepsels een groot verschil is, dan is het verschil tussen de Schepper en de schepping nog veel duidelijker en groter.

De Qor-aan geeft ook aan (Nederlandstalige interpretatie):

“Verheerlijk de Naam van jouw Heer (Allah), al-A’laa (de Allerhoogste).” [Soerat al-A’laa (87), aayah 1.]

De “Allerhoogste” is, taalkundig, in de overtreffende trap en het beduidt dat Allah Ta’aalaa hoger is dan alles en boven alle dingen is aangaande essentie, macht en verborgenheid. Ibn al-Qayyim zei, dit vers becommentariërend: “Alle moslims in het verleden en het heden heffen hun handen op met de handpalmen richting de hemel wanneer zij smeekbeden richten tot Allah of Zijn hulp verzoeken. Zij verlagen hun handen niet met de handpalmen richting de aarde, noch keren zij ze naar rechts of links, noch richting enige andere richting. Zij heffen hun handen op, wetende dat Allah boven hen is…”

Allah Ta’aalaa zegt ook (Nederlandstalige interpretatie):

“Zij vrezen hun Heer boven hen en zij doen wat hen bevolen wordt.” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 50.]

Dit vers verwijst naar de engelen die boven ons zijn, en boven hen is onze Rabb (Heer), Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij). Allah Ta’aalaa bevestigt in dit vers dat Hij boven de engelen is, die de bewoners zijn van de hemelen. (Zie het artikel Engelen.)

De Nobele Qor-aan vertelt ons (Nederlandstalige interpretatie):

“Voelen jullie je veilig dat Hij Die boven de hemel is (namelijk Allah) jullie niet in de aarde laat verdwijnen (als een bestraffing)!?… Of voelen jullie je veilig dat Hij Die boven de hemel is (Allah) geen storm van stenen tegen jullie zendt (als bestraffing)!?…” [Soerat al-Moelk (67), aayah 16-17.]

Fie as-samaa-e (فِي السَّمَاءِ) is hier vertaald als “boven de hemel”. Het wordt echter vaak te letterlijk vertaald als “in de hemel”, wat een problematische vertaling is omdat Allah de Verhevene niet in de hemel is maar daarboven. Maar “boven de hemel” is een correcte vertaling en wel om twee redenen.

1.) We kunnen stellen dat de betekenis van “hemel” hier meer in de context van “hoogte” is. Dit komt in de (Arabische) taal voor, het draagt deze betekenis en het komt zelfs in de Koran voor. Zo zegt Allah de Verhevene (Nederlandstalige interpretatie): “Hij zond uit de hemel water neer, waarna de valleien stroomden volgens hun capaciteit, vervolgens droeg de vloed toenemend schuim.” [Soerat ar-Ra’d (13), aayah 17.) De betekenis van “hemel” in dit vers is de “hoogte”; omdat het water uit de wolken komt en niet uit de hemel dat een beschermd dak vormt. De wolken zijn in de hoogte tussen de hemel en de aarde, zoals Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En de wolken die dienstbaar gemaakt zijn tussen de hemel en de aarde.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 164.) De betekenis van “boven de hemel” zal dus in dit opzicht “in de hoogte” zijn. Na dit verduidelijkt te hebben, zal er geen probleem zijn om dit vast te stellen. Allah Ta’aalaa is in de hoogte en Hij wordt door niets omgeven en niets zal boven Hem zijn (want Allah Ta’aalaa maakt geen onderdeel uit van de schepping en wordt niet door Zijn schepping omgeven).

2.) Het (Arabisch) woord fie (فِي – in) – wat in de Arabische tekst staat (fie as-samaa-e) – draagt ook de betekenis van ‘ala (‘boven’ of ‘op’). Zelfs in de Qor-aan komt dit voor. De farao zei tegen de tovenaars die geloofden:

“…وَلأصَلِّبَنَّكُمْ فِي جُذُوعِ النَّخْلِ…”

“En bij Allah! Ik zal jullie zeker kruisigen op (fieفِي) stammen van palmbomen.” [Soerat Taa Haa (20), aayah 71.) Aldus draagt “in de hemel (fie as-samaa-e)” de betekenis van “boven de hemel” en hierdoor zal het probleem (om tot de juiste betekenis en vertaling te komen) verdwijnen. (Naar de uitleg van al-‘Aqiedah al-Waasiteyyah van Shayk al-Islaam Ibn Taymiyyah door sheikh Ibn ‘Oethaymien.)

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen:

Allah Ta’aalaa zegt duidelijk dat Hij Zich verheven heeft boven de troon – het dak van het gehele universum, de gehele schepping – en Hij zegt in niet mis te verstane bewoordingen dat er niets is zoals Hem en dat er niets lijkt op Hem. Aldus is het verheffen boven de troon iets wat wij ons niet voor kunnen stellen noch moeten proberen ons dit voor te stellen: het gebeurde op een manier die past bij Zijn Majesteitelijkheid.

Degenen die geloven dat Allah Ta’aalaa overal is baseren hun argument op verzen zoals:

وَهُوَ الَّذِي فِي السَّمَاءِ إِلَهٌ وَفِي الأَرْضِ إِلَهٌ

“En Hij is Degene Die in de hemel ilaah is en op aarde ilaah is…” [Soerat az-Zoekhroef (43), aayah 84.]

De term ilaah is klassiek Arabisch en betekent “degene die aanbeden wordt” of “een aanbedene”, dus de betekenis van bovenstaand vers is: “En Hij is Degene Die in de hemel aanbeden wordt en op aarde aanbeden wordt…” of: “En Hij is Degene Die in de hemel een aanbedene is en op aarde een aanbedene is…”

De Jahmiyyah zouden hier een punt hebben dat Allah Ta’aalaa zou spreken over dat Hij in de hemel en op aarde is (dus dat Hij overal is), als het vers zou aangeven: “En Hij is Degene Die in de hemel is en op aarde is,” maar dat is niet het geval!

Waar de Jahmiyyah hier de fout ingaan, is dat zij dit vers verkeerd interpreteren als zijnde dat het gaat over waar Allah Ta’aalaa is. Terwijl dit vers niet gaat over waar Allah is, maar over wat/wie Allah is in de hemelen en op aarde. We kunnen dit verduidelijken met een simpel voorbeeld, een voorbeeld dat door de ‘oelamaa-e (geleerden) genoemd wordt bij de uitleg van dit vers. Laten we Zayd even als voorbeeld nemen. Stel dat Zayd de amier (leider) is van Mekkah en al-Medienah, maar hij bevindt zich in al-Medienah. Wanneer we dan aan iemand willen vertellen dat de amier/Zayd in al-Medienah is, dan zeggen we: “Hij is in al-Medienah,” of: “Zayd is in al-Medienah,” of: “De amier is in al-Medienah.” Hieruit begrijpt iedereen dat we spreken over: waar is de amier? => Hij is in al-Medienah.

Maar wanneer we zeggen: “Hij is de amier in Mekkah,” of: “Zayd is de amier in Mekkah,” of: “De amier is de amier in Mekkah,” dan hebben we hiermee niet aangegeven dat hij in Mekkah is. We hebben hier niet gesproken over waar de amier is, maar we hebben hier gesproken over: wat is hij in Mekkah? Wat is Zayd in Mekkah? Wat is de amier in Makkah? => Hij/Zayd/de amier is daar de amier. We hebben hier dus gesproken over wat hij in Mekkah is, en niet dat hij in Mekkah is.

En om het nog duidelijker te maken, wanneer we zeggen: “Zayd is de amier in Mekkah en al-Medienah,” hebben we dan aangegeven dat hij tegelijkertijd in zowel Mekkah als al-Medienah is? Nee, want we hebben niet gesproken over waar hij is, maar over wat hij is in Mekkah en wat hij is in al-Medienah. Vervolgens kan hij in Mekkah zijn, of in al-Medienah zijn, of in geen van beide, hij kan net zo goed in Japan zijn, en zelfs dan kunnen we zeggen: “Zayd is de amier in Mekkah en de amier in al-Medienah.” Of we kunnen zelfs zeggen: “De amier Zayd is de amier Zayd in Mekkah en de amier Zayd in al-Medienah, maar hij is (bevindt zich) in Japan.”

Dus of zij (de Jahmiyyah) ilaah nou interpreteren als Allah, of als al-Khaaliq, of hoe dan ook; uiteindelijk spreken de verzen niet over waar Allah Ta’aalaa is, maar over wat/wie Hij is op aarde en wat/wie Hij is in de hemel, namelijk: de Aanbedene, een aanbedene, Degene Die aanbeden wordt enzovoorts. Aldus bevat het überhaupt geen houvast voor de Jahmiyyah.

Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt in aayah 50:16 (Nederlandstalige interpretatie): “En bij Allah! Wij schiepen werkelijk de mens en Wij weten wat zijn ego (nefs) hem influistert (#5) en Wij (#6) zijn dichter bij hem dan zijn halsslagader.” [Soerat Qaaf (50), aayah 16.]

(#5) Zie het artikel De ziel, maak kennis met je ware zelf.

(#6) Degenen die ‘Wij’ in dit vers uitleggen als ‘Onze Kennis’ hebben dit gedaan om te voorkomen dat ze vallen in het idee van incarnatie of belichaming; maar deze twee geloofsovertuigingen zijn onjuist volgens de idjmaa’ (consensus) van de moslims. Allah Ta’aalaa is ver verheven boven wat ze Hem toeschrijven. De woorden van dit vers hebben deze uitleg niet nodig, want Allah Ta’aalaa zei niet: “… en Ik ben dichter bij hem dan zijn halsader.” Integendeel, Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…en Wij zijn dichter bij hem dan zijn halsader,” precies zoals Hij zegt in het geval van stervende mensen (Nederlandstalige interpretatie): “En Wij zijn dichter bij hem dan jullie – maar jullie zien niet” [soerat al-Waaqi’ah (56), aayah 85], als verwijzing naar Zijn engelen (die de ziel nemen – zie het artikel De dood). (Tefsier Ibn Kethier.)

(Lees verder onder de afbeelding. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 


Bewijs uit de Soennah

AUTHENTIEKE PROFETISCHE OVERLEVERINGEN bevatten vele tekstuele alsook afleidbare bewijzen voor Allahs Verhevenheid boven de troon. Allah Ta’aalaa prijst Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en bevestigt zijn oprechtheid en waarheidsgetrouwheid door onder andere te zeggen (Nederlandstalige interpretatie):

“Jullie metgezel (de profeet Moh’ammed) dwaalt niet, noch is hij misleid. Noch spreekt hij uit begeerte. Het is slechts een openbaring die (aan hem) geopenbaard is.” [Soerat an-Nadjm (53), aayah 2-4.]

Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vertelt slechts datgene wat hij bevolen is om aan de mensen te verkondigen, volledig en zonder enige toevoeging of vermindering. (Tefsier Ibn Kethier.)

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie):

“Waarlijk, mij is de Qor-aan gegeven en iets gelijkwaardig hieraan (d.w.z. de Soennah)!” (Overgeleverd door Aboe Daawoed, at-Tirmidzie en Ah’med.)

Aangezien de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei “…mij is gegeven…” brengt dit met zich mee dat zijn Soennah ook een vorm van inspiratie is, afkomstig van Allah Ta’aalaa.

Tot de ah’aadieth die relevant zijn voor dit onderwerp behoren:

1.) De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vertelde over zijn veelbewogen nachtelijke reis van Mekkah naar Jeruzalem (al-israa-e) en van daar omhoog naar de hemelen (de hemelvaart – al-mi’raadj) (imaam al-Boekhaarie, imaam Moeslim en anderen) (Nederlandstalige interpretatie): “Djibriel nam mij mee omhoog naar de laagste hemel en verzocht de bewakers ervan de poort ervan te open. Er werd aan hem gevraagd: ‘Wie is dit?’ Hij antwoordde: ‘Djibriel.’ ‘Wie is er bij jou?,’ vroegen zij. ‘Moh’ammed,’ antwoordde hij. Zij vroegen: ‘Is hij uitgenodigd?’ ‘Ja,’ antwoordde Djibriel. Vervolgens groette iemand, zeggende: ‘Hij is zeer welkom.’” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vertelde verder: “Toen de poort geopend werd, ging ik naar binnen en ontmoette Adam daar. Djibriel zei tegen mij: ‘Dit is jouw vader, begroet hem.’ Adam groette mij terug, zeggende: ‘Welkom, vrome zoon en vrome profeet.’ Vervolgens steeg Djibriel op naar de tweede hemel en verzocht de bewakers ervan de poort ervan te open.” De ondervraging die in de laagste hemel plaatsvond werd herhaald voordat de poort geopend werd. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) omschreef wat hij in elke hemel zag, totdat hij uiteindelijk omhoog genomen werd naar de zevende hemel, waar de verplichte gebeden aan hem werden opgelegd. Vervolgens keerde hij een aantal keren terug naar Allah Ta’aalaa om vermindering te vragen van het aantal gebeden dat dagelijks verricht moest worden.

Lees hier de hele h’adieth:

Aboe Dzarr (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): ‘Toen ik in Mekkah was, werd het dak van mijn huis geopend en Djibriel (Gabriël – vrede zij met hem) daalde neer, opende mijn borst en waste het met zamzam water. Vervolgens kwam hij met een waskom van goud vol met wijsheid en geloof en hij goot de inhoud ervan in mijn borst en sloot deze toen. Vervolgens nam hij mijn hand en steeg met mij op naar de dichtstbijzijnde hemel. Toen ik de dichtstbijzijnde hemel bereikte, zei Djibriel tegen de poortwachter van de hemel: ‘Open (de poort).’ De poortwachter vroeg: ‘Wie is het?’ Djibriel antwoordde: ‘Djibriel!’ Hij vroeg: ‘Is er iemand bij jou?’ Djibriel antwoordde: ‘Ja, Moh’ammed is bij me.’ Hij vroeg: ‘Is hij geroepen?’ Djibriel zei: ‘Ja.’ Aldus werd de poort geopend en we gingen naar de dichtstbijzijnde hemel en daar zagen we een man zitten met rechts van hem aswida (een groot aantal mensen) en links van hem aswida (een groot aantal mensen). Toen wij naar zijn rechterkant keken, lachte hij, en toen wij keken naar zijn linkerkant, huilde hij. Toen zei hij: ‘Welkom, o vrome profeet en vrome zoon.’ Ik zei tegen Djibriel: ‘Wie is dit?’ Hij zei: ‘Dit is Adam, en de aswida (groot aantal mensen) aan zijn rechterkant en linkerkant zijn de zielen van zijn nakomelingen. Die aan zijn rechterkant zijn de mensen van het Paradijs en degenen aan zijn linkerkant zijn de mensen van het Vuur, en wanneer hij naar zijn rechterkant kijkt, lacht hij, en wanneer hij naar zijn linkerkant kijkt, weent hij.’ Toen steeg Djibriel met me op totdat we de tweede hemel bereikten en hij, Djibriel, zei tegen de poortwachter: ‘Open (de poort).’ De poortwachter zei tegen hem hetzelfde als de poortwachter van de eerste hemel zei en opende de poort.’

Anes (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: ‘Aboe Dzarr voegde eraan toe dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Adam, Idries (Idris), Moesaa (Mozes), ‘Iesaa (Jezus) en Ibraahiem (Abraham) ontmoette, maar hij (Aboe Dzarr) zei niet in welke hemel zij waren, maar hij vermelde wel dat hij (de profeet – salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Adam ontmoette in de dichtstbijzijnde hemel en Ibraahiem (Abraham – vrede zij met hem) in de zesde hemel.’

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei verder: ‘Toen ik samen met Djibriel Idries (Idris – vrede zij met hem) passeerden, zei de laatste: ‘Welkom, o vrome profeet en vrome broeder.’ Vervolgens zei ik: ‘Wie is dit?’ Hij zei: ‘Dit is Idries.’ Vervolgens passeerde ik Moesaa (Mozes – vrede zij met hem) en hij zei: ‘Welkom, o vrome profeet en vrome broeder.’ Ik zei: ‘Wie is dit?’ Hij zei: ‘Dit is Moesaa.’ Vervolgens passeerde ik ‘Iesaa (Jezus – vrede zij met hem) en hij zei: ‘Welkom, o vrome broeder en vrome profeet.’ Ik zei: ‘Wie is dit?’ Hij zei: ‘Dit is ‘Iesaa.’ Vervolgens passeerde ik Ibraahiem (Abraham – vrede zij met hem) en hij zei: ‘Welkom, o vrome profeet en vrome zoon.” Ik zei: ‘Wie is dit?’ Hij zei: ‘Dit is Ibraahiem.’’

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) voegde eraan toe: ‘Vervolgens steeg Djibriel met me naar een plaats waar ik het gekrabbel van pennen kon horen.’

Ibn Hazm en Anes ibn Maalik (moge Allah tevreden over hem zijn) zeiden dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) verder zei: ‘Vervolgens verplichtte Allah vijftig salaat (gebeden) aan mijn oemmah (gemeenschap). Toen ik terugkeerde met dit bevel van Allah, passeerde ik Moesaa die vervolgens zei: ‘Wat verplichtte Allah voor jouw oemmah?’ Ik zei: ‘Hij verplichtte vijftig gebeden.’ Moesaa zei: ‘Ga terug naar jouw Heer (en vraag om vermindering), daar jouw oemmah niet in staat zal zijn hieraan te voldoen.’ Aldus keerde ik terug naar Allah en verzocht Hem om vermindering, en het werd tot de helft verminderd. Toen ik Moesaa weer passeerde en hem erover informeerde, zei hij: ‘Ga terug naar jouw Heer, daar jouw oemmah niet in staat zal zijn hieraan te voldoen.’ Zo keerde ik terug naar Allah en verzocht Hem om verdere vermindering, en de helft werd verminderd. Ik passeerde Moesaa weer en hij zei tegen mij: ‘Ga terug naar jouw Heer, daar jouw oemmah niet in staat zal zijn hieraan te voldoen.’ Aldus keerde ik terug naar Allah en Hij zei: ‘Dit zijn vijf gebeden en ze zijn (gelijk aan) vijftig (in beloning), daar Mijn Woord niet verandert.’ Ik keerde terug naar Moesaa en hij zei me nog een keer terug te gaan. Ik antwoordde: ‘Ik schaam me om mijn Heer nog een keer te vragen.’ Toen nam Djibriel mij mee totdat we sidratoe l-moentahaa (de lotusboom aan de uiterste grens van de schepping) bereikten, welke in kleuren was gewikkeld, onbeschrijfelijk. Toen werd ik het Paradijs binnengelaten waar ik kleine muren (gemaakt van) parels zag en haar aarde was muskus (een soort parfum).’” (Sah’ieh’ al-Boekhaarie, h’adieth nr. 345, deel 1.)

 

Deze authentieke moetawaatir h’adieth spreekt in duidelijke taal en met niet mis te verstane bewoordingen welke niet onderhevig zijn aan verkeerde of vergezochte interpretaties. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) werd omhoog genomen naar zijn Rabb (Heer) van de ene hemel naar de andere daarboven. Ahloe s-Soennah wa al-Djamaa’ah geloven dat de mi’raadj noch een illusie noch een visioen was, maar werkelijk en wezenlijk. Als Allah Ta’aalaa overal zou zijn, waarom zou de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) helemaal omhoog naar de zevende hemel genomen worden – helemaal naar sidratoe l-moentahaa, de lotusboom aan de uiterste grens van de schepping?

Bovendien vroegen de sah’aabah aan de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) of hij Allah Ta’aalaa gezien had, wetende dat Allah Ta’aalaa daar is (boven de zeven hemelen). Aboe Dzarr (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “Ik vroeg de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem): ‘Heeft u uw Heer gezien?’ Hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘(Er is) licht, hoe kon ik Hem zien?’” Dit licht, wat voorkwam dat hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Allah Ta’aalaa zag, is een sluier van licht, wat verder is uitgelegd in de h’adieth van Aboe Moesaa (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) stond op en vertelde ons vijf dingen (Nederlandstalige interpretatie): ‘Allah slaapt niet, en het is niet passend dat Hij moet slapen. Hij verlaagt de schaal en verheft het. De daden in de nacht worden naar Hem omhoog gestuurd vóór de daden van de dag, en de daden van de dag vóór de daden van de nacht. Zijn sluier is het licht. Als Hij het (de sluier) weg zou nemen, dan zou de glorie van Zijn Aanzicht Zijn schepping verwoesten zo ver als Zijn Zicht reikt.’” (Overgeleverd door imaam Ah’med en imaam Moeslim, 263.)

2.) ‘Abdoellaah ibn ‘Oemar (moge Allah tevreden over vader en zoon zijn) verhaalde dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Wees barmhartig jegens degenen op aarde, zodat Degene boven de hemelen barmhartig zal zijn jegens jou.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, Moeslim en anderen.)

3.) Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “In het Paradijs zijn er honderd niveaus die Allah voorbereid heeft voor de moedjaahidien (degenen die vechten) omwille van Hem. De afstand tussen elke twee niveaus is als de afstand tussen de hemel en de aarde. Als je Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) iets vraagt, vraag Hem dan om al-Firdaws, want het is het midden en het hoogste gedeelte van het Paradijs vanwaar de rivieren van het Paradijs ontspringen. En daarboven is de ‘arsh (troon) van de Meest Barmhartige.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, Ah’med en anderen.)

4.) Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Onze Rabb (Heer), de Glorieuze, de Meest Verhevene, daalt tijdens het laatste derde deel van de nacht neer (op een manier die past bij Zijn Majesteitelijkheid) naar de laagste hemel en zegt: ‘Is er iemand die mij aanroep zodat Ik hem zal beantwoorden? Is er iemand die aan Mij iets vraagt zodat Ik zijn verzoek kan inwilligen? Is er iemand die Mijn vergeving zoekt zodat Ik hem zal vergeven?’” (Overgeleverd door imaam Maalik, imaam al-Boekhaarie, imaam Moeslim en anderen.) De woorden van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) “onze Rabb, de Glorieuze, de Meest Verhevene, daalt tijdens het laatste derde deel van de nacht neer naar de laagste hemel” duiden duidelijk op de wezenlijke Verhevenheid van Allah Ta’aalaa. Als Allah Ta’aalaa overal zou zijn, dan had de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), die Allah het beste kent, niet hoeven zeggen: “Allah daalt neer,” noch zou er een reden zijn om onderscheid te maken tussen het ene deel van de nacht en een ander. Er is slechts één antwoord hierop: Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) is boven de zeven hemelen en boven zijn grote troon!

5.) Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Allah zal op de Dag der Opstanding tot Zijn dienaren neerdalen.” (Overgeleverd door at-Tirmidzie en anderen.) Het is de Dag waarop Allah Ta’aalaa zal neerdalen om Zijn oordeel te vellen.

Ibn al-Qayyim (moge Allah hem genadig zijn) zei in Madaaridj as-Saalikien, een uitspraak die met gouden inkt opgeschreven kan worden:

“Wie kennis neemt van de bron van kennis, die zal standvastig zijn. En wie het neemt van de stroming ervan, dan zullen de golven der misvattingen hem meenemen, en zullen de bewoordingen hem laten afbuigen, en de uitspraken zullen keer op keer verschillend bij hem overkomen.”

Lees eens de artikelen:

 


Terminologie

DE METHODOLOGIE van Ahl as-Soennah wa l-Djamaa’ah met betrekking tot de Namen en Eigenschappen van Allah Ta’aalaa is algemeen bekend (zie de verhandeling Algemene principes van Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa’ah): namelijk het bevestigen van hetgeen Allah Ta’aalaa voor Zichzelf bevestigd heeft en het ontkennen van hetgeen Hij voor Zichzelf ontkend heeft, zonder het te vergelijken met iets van Zijn schepping, zonder de aard ervan te bespreken, zonder de betekenissen ervan te verdraaien en zonder hetgeen bedoeld wordt te ontkennen en…

…zonder te vragen naar de “hoe”!

Imaam as-Shawkaanie geeft de volgende definitie voor de uniciteit van de Namen en Eigenschappen:

“Dit is het erkennen van de uniciteit van Allah Ta’aalaa betreffende Zijn Schone Namen en Verheven Eigenschappen Die vermeld staan in het Boek (de Qor-aan) en de Soennah (overleveringen van de profeet Moh’ammed – salallaahoe ‘alayhie wa sellem), door datgene te bevestigen wat Allah Ta’aalaa aan Zichzelf toegeschreven heeft, alsook hetgeen de boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) aan Hem toegeschreven heeft aan Namen en Eigenschappen. Dit dient te geschieden zonder ta-ewiel (verdraaiing van de woorden en betekenissen), en zonder ta’teel (ontkenning, door deze allemaal of een aantal ervan te ontkennen), en zonder takyief (de hoe daarvan te bepalen door de hoe daarvan vast te leggen of een bepaalde manier daarvoor te bevestigen), en zonder tashbieh (een vergelijking of  gelijkenis daarmee te stellen – ze vergelijken met iets van Zijn schepping). Je dient ze te laten zoals deze overgeleverd zijn, met overtuiging betreffende de bedoeling en de betekenis daarvan volgens datgene wat past bij de Majesteitelijkheid van Allah en Zijn Almacht en Grootsheid.” (Zie Menhadj al-Imaam as-Shawkaanie fie l-‘Aqiedah, p. 341.)

Met betrekking tot nieuwe terminologie geïntroduceerd door ahl al-kalaam (islamitische filosofen), zoals “fysiek wezen” en “richting”, Ahl as-Soennah bevestigen noch ontkennen deze terminologie; zij denken eerder dat het gebruik van deze termen of het ontkennen ervan valt onder de kop van laakbare innovaties. (Zie het artikel Het verbod op innovaties.)

De Jahmiyyah ontkennen dat Allah Ta’aalaa boven de troon is. Want als je zegt dat Allah Ta’aalaa boven de troon is, dan ken je Hem een “plaats” toe en volgens de Jahmiyyah is dit gelijk aan het vergelijken van Allah Ta’aalaa met de schepping. Zij zeggen daarentegen dat Allah Ta’aalaa geen plaats heeft en geen plaats kan hebben en dat Hij overal is. Allah is ver verheven boven wat zij zeggen.

Wat betreft hetgeen deze woorden of termen – in dit geval “plaats” – betekenen, degene die deze woorden gebruikt dient gevraagd te worden wat hij daarmee bedoelt; als de betekenis die hij bedoelt correct is, dan bevestigen we dat, maar als hij een onjuiste betekenis bedoelt, dan verwerpen we dat. Maar wij (Ahl as-Soennah) drukken deze betekenissen niet uit behalve met sharie’ah termen die genoemd zijn in de Qor-aan en Soennah; wij gebruiken deze nieuwe terminologie niet.

Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah zei:

“Het is algemeen bekend dat er geen overlevering is van geen enkele profeet of van de sah’aabah (metgezellen) of van de taabi’ien (volgelingen) of van iemand van de eerste generaties van de oemmah, die suggereert dat Allah een fysiek wezen is of dat Hij geen fysiek wezen is. Ontkennen of bevestigen is eerder een innovatie volgens de Islaam.” [Einde citaat – Madjmoe’al-Fataawaa (5/434).]

In het 139 pagina’s tellende boek Uitleg van Aayatoe l-Koersie van Moh’ammed ibn Saalih’ al-‘Oethaymien wordt aangegeven:

Bij de invoering van de filosofische concepten in de moslimoemmah werd een grote hoeveelheid aan verdraaiingen gepubliceerd door de theologen (ahloe l-kalaam). Veel van deze verdraaiingen werden gedaan door bepaalde termen te introduceren waarop de vernieuwers hun valse argumenten bouwden. Veel gegradueerden van de hedendaagse universiteiten binnen en buiten de moslimwereld worden beïnvloed door leraren die aan de begrippen van de moe’tazilah, de moderne ash’arieten of maatoeridieten vasthouden op het gebied van ‘aqiedah en menhedj. Al deze sekten beweren dat de ‘aql (het verstand) de basis vormt voor hun doctrines… Een aantal van deze verdraaiingen die geïntroduceerd zijn door degenen die tegenstrijdig zijn aan het pad van de selef betreffende het begrijpen van de dien (religie), liegen in het gebruik van bepaalde terminologieën om zo de Eigenschappen van Allah de Verhevene te kunnen ontkennen en/of verdraaien. (Einde citaat.)

Vervolgens volgt er een gedetailleerde behandeling van een aantal van deze terminologieën, waaronder h’ayyiz (حيز – ruimte, beschikbare plaats), djihah (جهة – richting) en djism (جسم – lichaam). Www.uwkeuze.net raadt iedereen aan dit waardevolle boek aan te schaffen. (Ga naar onze webwinkel voor meer informatie over dit boek en om dit boek te bestellen.)

De genoemde termen worden in het boek behandelt. Het is echter belangrijk dat hier aangegeven wordt dat er nog veel meer definities zijn die soms erg van elkaar verschillen en soms overeenkomen. Want men kan geen goede discussie houden als men spreekt over verschillende zaken.

 


De term ‘plaats’

OOK DE TERM mekaan (مكان – plaats) wordt in dit boek besproken, hetgeen nu volgt:

Je hoort of leest vaak dat Allah ver verheven is om Zich op een plaats (mekaan) te bevinden. Wat is eigenlijk de waarheid achter deze term? Allereerst dient men te weten dat de term mekaan (plaats) één van de volgende betekenissen kan hebben:

Iets wat een object omvat/omringt en het omhult tegen al haar zijden;
Datgene waarboven een object geplaatst kan worden, zoals een man die zich op het dak bevindt;
Datgene waarboven zich een object bevindt maar niets nodig heeft, zoals de vogels boven de aarde, de hemel boven de atmosfeer, en de engelen boven de aarde en de lucht;
Iets wat zich boven de wereld bevindt, zelfs wanneer het niet-bestaand (niet geschapen) is.

De laatste betekenis is de betekenis die overeenkomt met de ‘oeloew van Allah Ta’aalaa boven Zijn schepping en Zijn bestijging boven Zijn ‘arsh (troon). [De mekaan (plaats) van Allah Ta’aalaa houdt niet in dat je Hem daarmee beperkt tot een mekaan die Hem omvat, beperkt, insluit en waar Hij afhankelijk van is.] De dichter en metgezel van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), H’assaan ibn Thaabit (moge Allah tevreden over hem zijn), zei in één van zijn gedichten:

Uiterst verheven (in Essentie en Eigenschappen) in Zijn Hoogheid boven (Zijn) ‘arsh is onze Ilaah,
en de mekaan (plaats) van Allah is waarlijk het Hoogst,
(verheven) boven alles,
en het Geweldigst.

Aldus bevestigde H’assaan (moge Allah tevreden over hem zijn) de plaats die zich boven de schepping bevindt en waar geen geschapen wezen zich bevindt, en hierbij goed wetende, zoals de rest van de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) wisten, dat Allah Ta’aalaa vrij is van alle gebreken/behoeften, en dat de ‘arsh evenals al het andere Hem nodig heeft, en niets Hem in bedwang houdt. Als iemand dus bevestigt dat Allah Zich op een plaats bevindt in die zin dat Allah ergens wordt ingesloten (of door iets wordt omgeven) waar Hij afhankelijk van is, dan is Allah ver Verheven boven deze valse gedachte, evenals boven alle andere onvolmaaktheden. We zeggen dus dat Allah Zich boven Zijn schepping bevindt, boven de hemelen, Zijn ‘arsh heeft bestegen en gescheiden en apart is van Zijn schepping. Of de vernieuwer hieruit begrijpt of Hij Zich in een plaats bevindt of juist niet is irrelevant.

Als een persoon zegt dat Allah Zich niet in een plaats bevindt, en hiermee bedoelt dat hij ontkent dat Allah Ta’aalaa omgeven wordt in een plaats of dat Hij een plaats nodig heeft, dan is de ontkenning in deze zin juist, waarover de selef het ook eens zijn.

Als de ontkenning er echter op gericht is om het feit te ontkennen dat Allah Zich boven de schepping bevindt, dan is deze stelling onjuist.

De vernieuwers onder de theologen en mensen van ta’tiel (ontkenning) hebben hun eigen definities van de bovenstaande termen geïntroduceerd om het zo overeen te laten komen met hun verkeerde geloofspunten.

Moge Allah Ta’aalaa, Die alle volmaaktheid bezit, de moslims beschermen tegen alle manieren en vormen van afwijking. (Einde citaat uit het boek Uitleg van Aayatoe l-Koersie van Moh’ammed ibn Saalih’ al-‘Oethaymien.)

(Lees verder onder de afbeelding. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 


De mening van de selef

WAAROM IS DE MENING VAN DE SELEF BELANGRIJK? De selef zijn de eerste drie generaties van de moslimgemeenschap, dus de sah’aabah (de metgezellen van de profeet – salallaahoe ‘alayhie wa sellem), hun volgelingen (de taabi’ien) en de leerlingen daarvan (taabi’ at-taabi’ien). De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei over de selef, verhaald door ‘Imraan ibn H’oesayn (Nederlandstalige interpretatie):

“De beste van jullie zijn mijn generatie (de sah’aabah – metgezellen), vervolgens degenen die hen opvolgen (at-taabi’ien – de volgelingen) en dan degenen die hen opvolgen (taabi’ at-taabi’ien).”

‘Imraan zei verder: “Ik herinner me niet of hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) twee of drie (generaties) noemde na zijn generatie.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei verder (Nederlandstalige interpretatie): “Daarna zullen er mensen komen die bedriegen; en zij zullen oneerlijk zijn en niet betrouwbaar, en zij zullen hun getuigenis geven zonder dat zij om hun getuigenis gevraagd worden, en zij zullen eden afleggen en deze niet nakomen, en zwaarlijvigheid zal onder hen verschijnen.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa’ah volgen de leiding en methodiek (menhadj) van de boodschapper Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en zijn metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn), alsook hun opvolgers (at-taabi’ien – de volgelingen) en de opvolgers daarvan (taabi’ at-taabi’ien) vóór het ontstaan van innovaties. Deze drie generaties vormen as-selef as-saalih’ – de rechtschapen voorgangers, die wij volgen wat betreft kennis, overtuiging, uitspraken en daden. [Zie Sharh’ al-‘Aqiedah at-Tah’aawieyyah van Moh’ammed Khalil Harras (blz. 61) en Bayaan ‘Aqiedat al-Moeslim fie Dhaw-ie l-Kietaabie wa s-Soennah van dr. Sa’ied ibn Wahf al-Qah’taanie (1/120-121) en Mabaah’ieth fie ‘Aqiedat Ahlie s-Soennah wa l-Djamaa’ah wa Mawqief al-H’arakaat al-Islaamiyyah al-Moe’aasirah Minha van sheikh Naasir al-‘Aql. Zie onze verhandeling Algemene principes van Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa’ah.]

Nu volgt een vertaling van enkele punten uit het boek Khalq Af’aal al-‘Ibaad (p. 13+) van imaam al-Boekhaarie, een boek geschreven om de Jahmiyyah en hun geloofsovertuigingen te weerleggen door uitspraken van de selef aan te halen. Daarna volgen enkele punten uit het boek Sharh’ Oesool I’tiqaad Ahlie s-Soennah wa l-Djamaa’ah van imaam al-Laalikaa’ie die betrekking hebben op het onderwerp aangaande istiwaa-e (Allahs verheffing boven de troon).

In Khalq Af’aal al-‘Ibaad van imaam al-Boekhaarie staat onder andere:

6.) Wahb ibn Djarier zei: “De Jahmiyyah zijn ketters, zij denken dat Hij Zich niet boven de troon verhief.”

13.) Ibn al-Moebaarak zei: “Wij zeggen niet hetzelfde als de Jahmiyyah zeggen, dat Allah op aarde is. Integendeel, Hij verhief Zich boven de troon.”

14.) En er werd tegen hem gezegd: “Hoe kunnen we onze Heer kennen?” Hij zei: “Boven de hemelen, boven (‘alaa) Zijn troon.”

29.) Soefyaan at-Thawrie werd gevraagd over het vers “…En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…” (aayah 57:4) en hij zei: “Zijn Kennis.”

64.) Sadqah zei: “Ik hoorde Soelaymaan at-Taymie zeggen: “Als aan mij gevraagd zou worden: ‘Waar is Allah?,’ dan zou ik zeggen: ‘Boven (fie) de hemel.’ En als er gezegd wordt: ‘Waar was de troon vóór de hemel?,’ dan zou ik zeggen: ‘Boven het water.’ En als er gezegd wordt: ‘Waar was de troon vóór het water?,’ dan zou ik zeggen: ‘Ik weet het niet.’”

En imaam al-Boekhaarie zei hierover: “En dat (zijn antwoord) was wegens de Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): ‘…En zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten, behalve dat wat Hij wil (#7)…’ [soerat al-Baqarah (2), aayah 255], oftewel behalve wat Hij uitlegt.”

(#7) Deze aayah kaart de absolute bron van polytheïsme aan. De kennis van mensen is zo onvolkomen dat niemand van hen het systeem van het universum en het leven exact kan begrijpen. Toch denken velen het beter te weten dan God en rebelleren tegen Hem, wat constant leidt tot chaos in de wereld. Het is dus duidelijk dat men volledig vertrouwen dient te hebben in de leiding van Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) Die de werkelijke Bron van alle kennis is. (Naar Tafheem-ul-Qur’an van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)

66.) Moh’ammed ibn Yoesoef (een van de leraren van al-Boekhaarie) zei: “Degene die zegt dat Allah niet boven (‘alaa) Zijn troon is is een kaafir (ongelovige). En degene die denkt dat Allah niet tegen Moesaa (Mozes – vrede zij met hem) sprak is een kaafir.”

103.) Ibn Mas’oed zei over Zijn Uitspraak “…vervolgens verhief Hij Zich boven de troon” (o.a. aayah 7:54): “De troon is boven het water, en Allah is boven (fawqaa) de troon, en Hij weet waar jullie je op bevinden.”

104.) Qataadah zei over Zijn Uitspraak “…En Hij is Allah in de hemelen en op aarde…” (aayah 6:3): “Degene Die aanbeden wordt (door degenen) in de hemelen (oftewel de engelen) en (door degenen) op aarde (oftewel de mensen en djinn).”

In Sharh’ Oesool I’tiqaad van imaam al-Laalikaa’ie staat onder andere:

662.) Bish ibn ‘Oemar zei: “Ik hoorde meer dan één van de moefassirien (uitleggers van de Qor-aan) zeggen over het vers “ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige) istawaa boven de troon” (aayah 20:5): “Istawaa betekent ‘Hij verhief Zich er boven’.” (Blz. 397.)

665.) Ar-Rabie’ (een van de leraren van Maalik) werd gevraagd over het vers “ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige) verhief Zich boven de troon” (aayah 20:5): “Hoe verhief Hij Zich?” Hij antwoordde: “Al-Istawaa (verheffen) is bekend, en het hoe is niet begrijpelijk, en van Allah komt de boodschap, en op de boodschapper rust het prediken, en op ons rust het geloven.” (Blz. 397.)

670.) Muqaatil bin Hayyaan zei over Zijn Uitspraak “…Er is geen vertrouwelijk gesprek van drie (personen) of Hij is hun vierde, noch van vijf of Hij is hun zesde…” (aayah 58:7): “Hij is boven Zijn troon, en niets is verborgen voor Zijn Kennis.” (Blz. 400.)

673.) Imaam Ah’med werd gevraagd: “Allah is boven de zevende hemel, boven Zijn troon, want dat behoort tot Zijn schepping, en Zijn Macht en Kennis zijn overal?” En hij antwoordde: “Ja, boven de troon en Zijn Kennis is overal.” (Blz. 401.)

675.) Imaam Ah’med werd gevraagd over het vers “…En Hij is met jullie, waar jullie ook zijn…” (aayah 57:4) en het vers “…Er is geen vertrouwelijk gesprek van drie (personen) of Hij is hun vierde…” (aayah 58:7), waarop hij zei: “(Dit betekent) Zijn Kennis, Hij is de Kenner van het waarneembare en het onwaarneembare, Zijn Kennis omvat alles, en onze Heer is boven de troon zonder het stellen van begrenzingen en een omschrijving te geven, en Zijn koersie (voetenbank) is als de uitgestrektheid van de hemelen en de aarde met Zijn Kennis.” (Blz. 402.)

Imaam ‘Abdoellaah ibn Ah’mad zei: “….Ik getuig dat U boven Uw troon bent, boven de zeven hemelen. En dit is niet zoals de vijanden van Allah zeggen, de ketters.” (Sharh’ as-Soennah van imaam ‘Abdoellaah.)

Hij zei ook: “We weten dat onze Heer boven de zeven hemelen is boven de troon, en we zeggen niet zoals de Jahmiyyah zeggen dat Hij daar is,’ en hij wees met zijn hand naar de aarde. (Sharh’ as-Soennah.)

 


De mening van de vier vermaarde imams

ALLAH DE MEEST BARMHARTIGE heeft ons opgedragen Zijn Boek te volgen, alsook het voorbeeld van Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – vrede en zegeningen van Allah zijn met hem). En Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) heeft de oemmah (gemeenschap) van Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegend met vele geleerden en moedjtahid a-immah [onafhankelijke imams (geleerden) die geen religieuze meningen volgen behalve met bewijs (daliel) van de Qor-aan en de Soennah van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem).]

Tot die imams waarover bekend is dat zij oprecht zijn, goed karakter hebben en leiders zijn op het gebied van religieuze toewijding, kennis, deugdzaamheid en rechtschapenheid, behoren de vier imams en stichters van de madzhab van fiqh (wetscholen), namelijk imam Aboe H’aniefah, imam Maalik, imam as-Shaafi’ie en imam Ah’med (moge Allah hen genadig zijn). [Zie de artikelen Introductie tot de kennis van oesoel al-fiqh (de fundamenten van de islamitische jurisprudentie) en Ontwikkeling van fiqh – de islamitische wet: bronnen, wetscholen (madzaahib) en meningsverschillen.]

Deze moedjtahid a-immah volgden allemaal de shar’ie teksten (de Qor-aan en ah’aadieth) en zij spanden zich uiterst in om betrouwbare islamitische kennis te onderwijzen en verspreiden, overeenkomstig hetgeen elk van hen had aan kennis en de conclusies waar hun beredenering (idjtihaad) hen toe leiden.

Zij volgden allemaal, in algemene termen, het rechte pad en zij volgden allemaal de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en waren er op gebrand dit te doen.

 

Imaam Aboe H’aniefah

Noot van uwkeuze.net: de overlevering die hier vermeld stond, verhaald door Aboe Moeti’ al-Balkhie, bleek zwak te zijn, dus hebben we het verwijderd. We zijn nog niet in staat geweest om een betrouwbare overlevering van Aboe H’aniefah te vinden. Wellicht in de toekomst, in shaa-e Allaah.

 

Imaam Maalik

‘Abdoellaah ibn Nafi’ verhaalde: “Maalik ibn Anas zei: ‘Allah is boven de hemelen, maar Zijn Kennis omvat alles. Niets ontsnapt aan Zijn Kennis.’” (‘Abdoellaah ibn Ah’med, as-Soennah, en anderen.)

 

Imaam as-Shaafi’ie

Imaam as-Shaafi’ie zei: “De geloofsovertuiging die ik heb, is dezelfde geloofsovertuiging die de moslims voor mij hadden, namelijk de geloofsgetuigenis dat er geen God is Die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, en dat Moh’ammed de boodschapper van Allah is, en dat Allah boven Zijn ‘arsh is, boven de hemelen. Hij daalt neer tot de laagste hemel wanneer Hij dat wil.” (Al-Djoeyoosh al-Islaamiyyah, Ibn al-Qayyim, p. 93.) Imaam Ibn Khoezaymah, zelf een shaafi’ie, zei: “Wie niet erkent dat Allah boven Zijn ‘arsh is, boven de zeven hemelen, en dat Hij gescheiden is van Zijn schepsels, is een kaafir (ongelovige). Zo iemand dient opgedragen te worden om berouw te tonen en zijn geloofsovertuigingen te verwerpen; anders dient hij onthoofd te worden (#8) en op een vuilnishoop gegooid te worden, zodat noch ahloe l-qiblah (de moslims in het algemeen) noch ahloe d-dzimmah (joden en christenen die in een islamitische staat leven) gekweld worden de stank van zijn lijk.” (Ibid.) Aboe Bakr Moh’ammed at-Tamimie, een shaafi’ie van Naisabur, zei: “Ik bid niet achter een persoon die de Eigenschappen van Allah ontkent en die niet erkent dat Allah boven Zijn ‘arsh is.” (Ibid.)

(#8) Zie Vraag 74 – Waarom is de doodstraf de straf voor afvalligheid?

 

Imaam Ah’med

Er werd aan hem gevraagd: “Is Allah boven Zijn ‘arsh, boven de zevende hemel, gescheiden van Zijn scheppingen, en omvat Zijn Kennis en Macht alles en overal?” Hij antwoordde: “Ongetwijfeld, Hij is boven Zijn ‘arsh en niets ontsnapt aan Zijn Kennis.” (Al-Djoeyoosh al-Islaamiyyah, Ibn al-Qayyim, p. 123.)

Al het bovenstaande toont aan dat de volledige moslimoemmah, in het verleden en het heden, eendrachtig was met betrekking tot het geloof in de Verhevenheid en Suprematie van Allah, de Verhevene.

 


Het gezonde verstand

VÓÓR DE SCHEPPING VAN DE TROON, en vóór de schepping van de hemelen en de aarde, en vóór de schepping van richtingen – Allah Ta’aalaa was daar en er was niets vóór Hem, niets na Hem en niets naast Hem, zoals al-Boekhaarie overgeleverd heeft van ‘Imraan ibn H’oesayn (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei: “Ik was bij de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) toen enkele mensen van Banoe Tamiem naar hem toe kwamen en hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘O Banoe Tamiem! Accepteer het goede nieuws.’ Zij zeiden: ‘U hebt ons het goede nieuws gegeven; geef ons nu iets.’ Vervolgens kwamen er enkele mensen van Jemen en hij zei: ‘Accepteer het goede nieuws, o mensen van Jemen, want Banoe Tamiem accepteerde het niet.’ Zij zeiden: ‘Wij accepteren het, want wij zijn bij u gekomen om over de religie te leren en om u te vragen hoe het geval was vanaf het allereerste begin.’ Hij zei: ‘Allah was er en niets bestond er vóór Hem, en Zijn troon was boven het water. Vervolgens schiep Hij de hemelen en de aarde, en Hij schreef alle dingen in al-Lawh’oel-Mah’foedhz.’

Al-H’aafidhz (moge Allah hem genadig zijn) zei:

“Dit beduidt dat er niets was naast Hem: noch water noch de troon noch iets anders, want dit zijn dingen anders dan Allah, moge Hij verheven worden.” (Einde citaat.)

Een van de smeekbeden van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) was hetgeen overgeleverd is door Moeslim (2713):

اللَّهُمَّ أَنْتَ الْأَوَّلُ فَلَيْسَ قَبْلَكَ شَيْءٌ وَأَنْتَ الْآخِرُ فَلَيْسَ بَعْدَكَ شَيْءٌ وَأَنْتَ الظَّاهِرُ فَلَيْسَ فَوْقَكَ شَيْءٌ وَأَنْتَ الْبَاطِنُ فَلَيْسَ دُونَكَ شَيْءٌ

Allaahoemma anta al-awwal fa laysa qablaka shay-oen, wa enta al-aakhir fa laysa ba’daka shay-oen, wa enta ad-dhzaahir fa laysa fawqaka shay-oen wa enta al-baatin fa laysa doenaka shay-oen (o Allah, U bent de Eerste, dus er is niets vóór U. En U bent de Laatste, dus er is niets na U. En U bent ad-Dhzaahir (de Hoogste), dus er is niets boven U. En U bent al-Baatin (de Meest Nabije), dus er is niets dichterbij dan U.”

Enige toelichting op ad-Dhzaahir en al-Baatin

Ibn Djarier zei over ad-Dhzaahir: ‘Hij is de Hoogste boven alles, niets is hoger dan Hem.’ (Djaamie’oe l-Bayaan 27/124.)

Ibn Djarier zei over al-Baatin: ‘Hij is al-Baatin tegenover alles, niets is het dichtst bij iets anders behalve Hij, zoals Hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘…en Wij zijn dichter bij hem dan zijn halsslagader’ [soerat Qaaf (50), aayah 16 – dit vers is hierboven al toegelicht].’ (Djaamie’oe l-Bayaan 27/124.) Az-Zaddjaadj zei: ‘Al-Baatin is de Alwetende over de inhoud van dingen. Men gebruikt het werkwoord batantoe om aan te duiden dat men innerlijk en uiterlijk woorden en daden kent. En Allah is op de hoogte van alle innerlijke en uiterlijke woorden en daden.’ (Tefsier al-Asmaa-e, blz. 61.) Al-Khattaabie zei: ‘Al-Baatin is Degene Die buiten het zicht van de schepping is. Niemand kan een idee vormen van Zijn Hoedanigheid. De betekenis van al-Baatin kan ook zijn: het niet zichtbaar zijn voor anderen en Zijn Verhevenheid voor de gedachten van de overpeinzers. De Alwetende over zaken die zichtbaar zijn en de Kenner van zaken die onzichtbaar zijn.’ (Sha-enoe d-Doe’aa-e, blz. 88.) Al-H’oelaymie zei: ‘Al-Baatin is Degene Die niet waargenomen kan worden, maar Die door Zijn invloeden en daden gekend wordt.’ (Al-Minhaadj 1/196.) (Naar Nahdjoe al-Asmaa-e fie Sharh’ie Asmaa-ie Allaahie al-H’oesnaa van Moh’ammed al-Mah’moed an-Nadjdie.)

 

Er is overgeleverd dat Aboe Razien zei: “O boodschapper van Allah! Waar was onze Heer voordat Hij Zijn schepping schiep?” Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei: “Niets bestond er behalve Hij, zonder iets onder Hem en zonder iets boven Hem. Vervolgens schiep Hij Zijn troon boven het water.” [Overgeleverd door at-Tirmidzie (3109), Ibn Maadjah (182) en Ah’med (15755).]

Deze h’adieth werd door at-Tabarie als sah’ieh’ (authentiek) geclassificeerd; door at-Tirmidzie, ad-Dzahabie en Ibn Taymiyyah als h’asan (goed); en door al-Albaanie als dha’ief (zwak) in Dha’ief at-Tirmidzie.

Samenvattend: Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) is Uniek wat betreft Zijn goddelijkheid, dus er was geen geschapen entiteit bij Hem in de voorbijgegane eeuwigheid. Hij was Allah en er was niets vóór Hem. Vervolgens schiep Hij Zijn schepping en verhief Zich boven de troon, zoals Hij ons dat vertelt in Zijn Boek, op een dergelijke manier zoals Hij dat wilde, moge Hij verheven worden, en er is niemand die kan redetwisten aangaande Zijn Soevereiniteit en Hij heeft geen deelgenoot in Zijn Gezag.

Bovendien, de ontkenners verwijten Ahl as-Soennah dat zij Allah Ta’aalaa vergelijken met de schepping – wat we dus niet doen – maar de rollen zijn eerder omgedraaid. En deze benarde positie waarin zij verkeren kan niet vermeden worden tenzij zij bevestigen wat bewezen is door islamitische teksten en het gezonde verstand, dat Allah Ta’aalaa boven Zijn schepping is (en niet overal is).

Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei:

“Allah was er en er was niets bij Hem. Vervolgens schiep Hij het universum, aldus is één van de drie scenario’s van toepassing:

1.) Of Hij schiep het in Zichzelf, waarna Hij Zich ervan scheidde. Dit is onmogelijk; Allah is ver verheven boven het in contact komen met viezigheid en andere dingen.

2.) Of Hij schiep het buiten Zichzelf, waarna Hij het binnenging. Ook dit is onmogelijk; Allah is ver verheven boven het binnengaan van Zijn schepping.

Er is geen meningsverschil onder de moslims dat deze twee scenario’s onmogelijk zijn.

3.) Of Hij schiep het buiten Zichzelf en ging het niet binnen. Dit is de waarheid; geen enkel ander scenario is mogelijk en niets behalve dit is passend voor Allah. [Einde citaat uit Madjmoe’ al-Fataawaa (5/152).]

Als dit het geval is, dan kunnen we de vraag stellen: wat is het bezwaar dat voortvloeit uit het bevestigen van hetgeen Allah voor Zichzelf bevestigd heeft, dat Hij boven Zijn schepping is en Zich verhief boven Zijn troon, wat niet leidt tot een vergelijkbaar of erger bezwaar in het geval van degenen die het ontkennen?

Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei ook:

“Het is bekend dat er niets in de teksten is dat het woord ‘richting’ noemt of het ontkent, maar het noemt en bevestigt wel dat Hij hoog is, Zich verhief, erboven is, tot Hem opstijgt enzovoort. Er kan dus gezegd worden tegen degene die het idee van richting ontkent: ‘Bedoel je met richting iets dat bestaat en geschapen is? Want Allah wordt niet omvat door Zijn schepping. Of bedoel je met richting dat wat buiten het universum is? Want Allah is ongetwijfeld boven het universum en apart van Zijn schepping.’ Evenzo, we kunnen zeggen tegen degene die zegt dat Allah in een bepaalde richting is: ‘Bedoel je daarmee dat Allah boven het universum is? Of bedoel je dat Allah omvat/omgeven wordt door iets van Zijn schepping? Als je het eerstgenoemde bedoelt, dat klopt; maar als je het laatstgenoemde bedoelt, dat is incorrect.’

Allah is, zoals de imams (toonaangevende geleerden) van Ahl as-Soennah zeiden, boven Zijn hemelen, boven Zijn troon, apart van Zijn schepping.” [Einde citaat uit Madjmoe’ al-Fataawaa (3/41-42).]

Het geloof dat Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) overal is, is een incorrect geloof dat strijdig is met de mening van de moslims, namelijk dat Allah Ta’aalaa Zich boven Zijn troon verhief en dat Hij boven Zijn schepping is. De implicaties van het geloof van een dergelijke persoon zijn uitermate weerzinwekkend. Sheikh Ibn ‘Oethaymien (moge Allah hem genadig zijn) zei:

“Deze mening heeft implicaties die heel, heel fout zijn. Want als je zegt dat Allah overal is, dan beduidt dit dat Hij ook in wc’s is – Allah verhoede – en op andere plaatsen die gevuld zijn met onreinheden en viezigheden. En wie omschrijft zijn Heer nou op een dergelijke manier!? Het is voor een gelovige niet mogelijk om zijn Heer op een dergelijk manier te omschrijven.” (Einde citaat uit Fataawaa Noer ‘ala ad-Darb van Ibn ‘Oethaymien.)

En Allah weet best.

 


Discussie met de Jahmiyyah

HETGEEN HET GEBREKKIGE BEGRIP van de Jahmiyyah en dergelijke sekten duidelijk aantoont, is de volgende discussie. Onlangs kwam het Sunni Instituut met een tekst waarin zij beweerden waterdichte bewijzen te hebben, vanuit de teksten en het verstand, dat Allah Ta’aalaa bestaat zonder plaats zoals de Ahl as-Soennah wa l-Djamaa’ah dat volgens hen zeggen. De Jahmiyyah zien de Ahl as-Soennah wa l-Djamaa’ah als antropomorfisten, degenen die Allah Ta’aalaa een lichaam toeschrijven en vergelijken met de schepping.

Uit de bovenstaande bewijzen vanuit de Qor-aan en Soennah, de mening van de selef en de vier vermaarde a-immah, het gezonde verstand, alsook de verduidelijking van de term “plaats” en de korte toelichting op het onderwerp terminologie, blijkt duidelijk dat de Jahmiyyah het standpunt van de Ahl as-Soennah wa l-Djamaa’ah niet eens goed begrijpen.

Onderstaande “discussie” zal het een en ander nog meer verduidelijken, in shaa-a Allaah. Het is geschreven door Abu Hoedayfah.

Een antwoord op een “waterdicht argument” van Sunni Instituut.

Sunni instituut is gekomen met dit artikel om hun ‘aqiedah (geloofsleer) te bewijzen waarin ze zichzelf baseren op wat zij “waterdichte argumenten” noemen. Hiermee willen zij ontkennen dat Allah (met Zijn Wezen) verheven is boven Zijn troon en Hij boven Zijn schepping is, zoals Hij over Zichzelf heeft bericht en zoals Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) over hem heeft verhaald.

In dit stuk zal in het kort ingegaan worden op deze argumenten om aan te tonen dat het alles behalve waterdicht is.

Punt 1:

Zij leiden dit stuk in door te stellen dat het gesprek tussen hen en hun fictieve tegenstander (de stroman die een salafi zou moeten voorstellen) als volgt zou gaan. Zij zouden het gesprek beginnen met: “Allah ta’ala bestaat zonder plaats en neemt geen plaats in beslag.”

Hun denkbeeldige stroman zou dan antwoorden: “Wat is jullie bewijs hiervoor?”

Laten we de denkbeeldige stroman even op zij zetten en een wetenschappelijke vraag stellen, dat was namelijk de methode die grote salafi geleerden hanteerden, zoals Ibn Taymiyyah. De vraag is: Wat is de definitie van een ‘plaats’? Dus een alomvattende en afgebakende definitie (djaami’ maani’) waarover wij het allemaal eens kunnen worden.

Hier zou het gesprek een heel ander wending krijgen, want al gauw zul je er achter komen dat er geen consensus bestaat tussen wetenschappers, filosofen, moetakalimien etc. als het hier om gaat. Zo heb je bijvoorbeeld het standpunt van anti-realisten (idealisten), dat gesteund is door veel Ashaa’irah en andere moetakalimien. Zij stelden dat een ‘plaats’ slechts een zaak is die in onze gedachten bestaat en in werkelijkheid niet bestaat. Het is een zaak dat ‘adamie (niet-bestaand) is en slechts een begrip is die een betekenis heeft in de context van een bestaande zaak. Het is een term dat “een leegte” aan duidt die bestaat in onze gedachten die gevuld wordt door de zaken die wij in werkelijkheid zien. In feite zijn plaats en ruimte dus zaken die in werkelijkheid niet bestaan en ‘adamie is.

Dit staat haaks op de realisten die van mening zijn dat ‘plaats’ niet slechts een zaak is die bestaat in onze gedachten, het is een zaak die in werkelijkheid bestaat [dit is het standpunt dat het meest in de buurt komt met de definities die zijn gegeven door de geleerden van de (Arabische) taal].

Dan heb je nog een standpunt van sommigen die er net tussen in zitten, die zeggen dat het een zaak is die in werkelijkheid bestaat maar niet een zelfstandig bestaan heeft. Het heeft alleen maar een bestaan omdat het gepaard gaat met hetgeen bestaat in werkelijkheid, maar daarbuiten niet kan bestaan. Dit is overigens ook het standpunt van enkele moetakalimien.

Daarnaast zijn er nog bij de latere wetenschappers en filosofen discussies ontstaan over de absoluutheid of relativiteit van tijd en ruimte (plaats), wat uiteindelijk er voor heeft gezorgd dat een van de grote wetenschappers van de afgelopen eeuw, Einstein, de theorie dat tijd relatief is heeft ondersteund met zijn wetenschappelijke bevindingen. Zijn conclusie was dat tijd en plaats één dezelfde zaak is en hij noemde het “spacetime”.

Wat dus met alle zekerheid gesteld kan worden is het gegeven dat er geen consensus is bij de mensen in het algemeen, en bij degenen die zichzelf toeschrijven aan de Islaam in het bijzonder, over wat de definitie van ‘ruimte’ en ‘plaats’ is. Vandaar dat de claim dat het een “waterdicht argument” is, spierballentaal is die in realiteit niet veel voorstelt.

Zodoende keren we terug naar de methode van Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah met betrekking tot definities en termen die meerdere betekenissen kunnen hebben. Wij vragen de spreker wat hij bedoelt met de term die hij gebruikt en welke definitie diegene hanteert.

Dus in plaats van “wat is jullie bewijs hiervoor?” vragen we “welke definitie hanteren jullie voor ‘ruimte’ en ‘plaats’?”

[Zie het hoofdstuk De term ‘plaats’ in deze verhandeling.]

Punt 2:

Vervolgens breien zij verder op deze term die zij niet gedefinieerd hebben en zeggen:

“A: De bewijzen zijn er velen, zoals “Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende” in Surah al-Shura 42:11.

B: Daar staat toch niet dat Hij geen plaats in beslag neemt?

A: Wat versta jij onder dit vers?

B: Dat er niets in de schepping is dat gelijk is aan Allah en andersom.

A: Is ‘plaats’ Allah zelf of iets anders dan Allah?

B: Anders…

A: Alles wat naast Allah is, is toch Zijn schepping?

B: Ja dat klopt.

A: Een schepping is een schepping. We hebben dus bevestigd dat plaats een schepping is en dat het zeggen dat Allah in deze schepping zit incarnatie is zoals christenen geloven dat Allah in profeet ‘Isa [‘alayhi al-salam] is geïncarneerd. Een schepping is gelimiteerd met grootte en uiteinden. Wanneer men zegt dat Allah in een schepping is zoals plaats, dan wordt Hij omgeven door die plaats en alles wat omgeven wordt is een lichaam en Allah is geen lichaam.” (Einde citaat uit de tekst van het Sunni Instituut.)

Hieruit blijkt dat zij dus de definitie hanteren dat ‘plaats’ en ‘ruimte’ zaken zijn die bestaan buiten onze gedachten, oftewel in werkelijkheid. En wij zeggen heel simpel: als dit jullie definitie is, dan klopt het dat Allah Ta’aalaa Zich niet bevindt in een plaats of ruimte. Want de h’adieth geeft ons te kennen: “Allah was er en niets was met Hem.”

Maar als wij ervan uit gaan dat ruimte en plaats zaken zijn die in werkelijkheid niet bestaan, dus “niets” zijn en ‘adamie zijn, dan zou er niets mis mee zijn om te zeggen dat Hij op een plaats is, namelijk een niet bestaande plaats. Want er is geen belemmering om te geloven dat er niets naast Allah Ta’aalaa bestaat.

Dan blijft alleen de vraag over: zelfs al zou dat geen foute betekenis hebben, waarom zou je de term ‘ruimte’ en ‘tijd’ gebruiken als dat niet beschreven is in de Qor-aan en Soennah? Daarom wordt gezegd dat deze termen vanuit basis worden vermeden en niet worden gebruikt. (Zie het hoofdstuk Terminologie in deze verhandeling.) Alleen in geval van discussie kan het gebruikt worden om het valse standpunt van de tegenstander te verwerpen.

Daarom zien we dat ook terug in de uitspraken van sommigen onder de selef, zoals imaam H’ammaad ibn Zayd (170 H.), zoals is overgeleverd in as-Siyar van ad-Dzahabie, dat hij werd gevraagd:

يا أبا إسماعيل الحديث الذي جاء : { ينزل ربنا إلى سماء الدنيا } يتحول من مكان إلى مكان ؟ فسكت حماد بن زيد ثم قال : هو في مكانه يقرب من خلقه كيف شاء

“O Aboe Ismaa’iel! Betreffende de h’adieth {Allah daalt neer naar de hemel van de aarde}, verplaatst Hij Zich van plaats naar plaats?” Daarop zweeg H’ammaad even, waarna hij zei: “Hij is op Zijn plaats en nadert Zijn schepping hoe Hij wil.”

Iets vergelijkbaars is overgeleverd van imaam Foedhayl ibn ‘Iyaad, door imaam al-Boekhaarie in Khalq Af’aal al-‘Ibaad, waarin hij de Jahmiyyah en ontkenners van de Verhevenheid van Allah Ta’aalaa ontkracht door de uitspraken van de selef te citeren. Hij levert de woorden van al-Foehdayl over en zegt:

إذا قال الجهمي أنا أكفر برب يزول عن مكانه فقل : أنا أؤمن برب يفعل ما يشاء

“Als de djahmie tegen jou zegt: ‘Ik geloof niet in een Heer Die verwijderd wordt van Zijn plaats,’ zeg dan tegen hem: ‘Ik geloof in een Heer Die doet wat Hij wil.’”

Ons argument is dus, dat als dit soort argumenten worden gebruikt om de duidelijke verzen van Allah Ta’aalaa en overleveringen van onze boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) te ontkennen, men dit soort termen kan gebruiken om niet mee te gaan met de opgelegde implicaties/betekenissen van de tegenstanders. Dit is dus in de positie van beantwoorden van twijfelachtigheid en niet wanneer men de correcte ‘aqiedah uitlegt.

Punt 3:

Vervolgens zeggen zij:

“B: Als je zegt dat Hij niet op een plaats is, dan is Hij toch overal en dit is toch dwaling?

A: Jouw conclusie is vals. Jij denkt met twee mogelijkheden namelijk ‘één plaats’ of ‘alle plaatsen’. Aangezien jij maar met deze twee mogelijkheden denkt, plaats je ons automatisch in de andere wanneer wij ‘één plaats’ ontkennen. Wij hebben een derde mogelijkheid en dat is ‘geen plaats’, dus niet ‘één plaats’ en ook niet ‘alle plaatsen’, gewoon letterlijk ‘geen plaats’. Vergelijk jouw situatie maar met iemand die kleurenblind is en enkel zwart-wit ziet en niet begrijpt wanneer iemand het heeft over kleuren, waardoor je heen en weer blijft gaan tussen zwart en wit. Wat je wel kan zeggen is dat Allah overal is met Zijn Kracht, Macht, Kennis e.d.” (Einde citaat uit de tekst van het Sunni Instituut.)

Dit is op zich een geldig argument als we er van uit zouden gaan dat hier de definitie wordt gebruikt dat ruimte en plaats zaken zijn die in werkelijkheid bestaan en niet slechts bestaan in de gedachten en in werkelijkheid “niets” (‘adam) zijn. Volgens dit begrip is “geen plaats” namelijk gelijk aan “een niet bestaande plaats” aangezien ze beiden behoren tot al-ma’doemaat (niet bestaande zaken).

Echter sluit dit gegeven niet uit dat Allah Verheven is boven Zijn troon. Vandaar dat sommigen onder de selef zeiden:

“Allah is boven Zijn troon, los van Zijn schepping.”

Dit houdt in dat de Verhevenheid van Allah boven Zijn troon een vast feit is, zoals het een feit is dat Hij los staat van Zijn schepping. Er is dus geen sprake van at-talaazoem (onlosmakelijkheid) tussen het toekennen van Verhevenheid boven Zijn troon en het toekennen van een plaats. Wij beiden zijn het eens over het feit dat Allah niet gelijk is aan Zijn schepping, aldus zijn Zijn Eigenschappen dat ook niet. Het is pas een onlosmakelijk gegeven als het om de schepping gaat en niet om de Schepper.

Echter, als de tegenpartij wil beargumenteren dat er wel een onlosmakelijke band bestaat tussen Zijn Verhevenheid en het toekennen van een plaats (wat wij dus verwerpen), dan zeggen we dat deze plaats slechts een niet bestaande zaak (ma’doem) kan zijn en niet een bestaande plaats oftewel geschapen plaats.

Dus er is geen onlosmakelijke band tussen Zijn Verhevenheid boven de troon en het zijn op een plaats en ruimte. Echter, als je zou zeggen: “Hoe kun je toekennen dat Allah verheven is boven Zijn troon en dat dit geen plaats is?,” dan antwoorden wij met hetzelfde antwoord waarmee zij antwoord gaven:

“B: Hoe kan iets bestaan zonder een plaats? Dan bestaat het toch niet?

A: Je stelt deze vraag, omdat je Allah ta’ala vergelijkt met de schepping.

We laten het voorlopig hierbij.

Conclusie:

Er kan geen sprake zijn van een “waterdichte argument” vanwege de volgende zaken:

1.) Er is geen consensus over het begrip van ‘ruimte’ en ‘plaats’, noch hebben ze zelf een definitie kunnen geven die alomvattend en afgebakend is.

2.) Er is geen bewijs voor onlosmakelijkheid tussen het toekennen van een plaats en het erkennen dat Allah Ta’aalaa boven Zijn troon is, behalve als men Allah Ta’aalaa vergelijkt met de schepping. Daarom is het toekennen van de Verhevenheid van Allah niet het toekennen van een geschapen plaats.

En Allah Ta’aalaa weet het best.

 

“En aan Allah behoren de Meest Schone Namen, dus roep Hem daarmee aan en verlaat degenen die afwijken van Zijn Namen. Zij zullen vergolden worden voor wat zij gewoon waren te doen.” [Nederlandstalige interpretatie van soerat al-A’raaf (7), aayah 180.]

 

Relevante artikelen:

De Handen van Allah

Hoe ziet God er uit?

Wat God niet is

Sekten in de islam (diverse artikelen)

God/Allah (diverse artikelen)

Algemene principes van Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa’ah (Samenvatting van de fundamentele principes van de mensen van de Soennah en de Djamaa’ah aangaande de geloofsleer)