Verwachtte het universum ons?

Het heelal is op maat gesneden voor leven.

Geschreven door Abu Aaliyah. Vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Alle lof is voor Allah, Heer der werelden, en moge de vrede en de zegeningen van Allah neerdalen op Zijn boodschapper, Moh’ammed, alsook op zijn familie, al zijn metgezellen en iedereen die hun voorbeeld volgt. Voorts:

Freeman Dyson, een van ‘s werelds meest vooraanstaande natuurkundige die bekend is geworden door zijn werk op het gebied van onder andere kwantummechanica, schreef: “Des te meer ik het universum onderzoek en de details van de architectuur ervan bestudeer, des te meer bewijs ik vind dat het universum in een bepaald opzicht wist dat wij zouden komen.” [Dyson, Disturbing the Universe, 250 – in Barrow & Tipler, The Anthropic Cosmological Principle (Oxford: Calarendon, 1988), 318.]

Wetenschappers aarzelen tegenwoordig niet om dit wonderbaarlijk feit over hoe op maat gesneden het universum voor leven is te erkennen. Of, zoals de filosoof Anthony Flew in There is a God: How the World’s Most Notorious Atheist Changed His Mind verklaarde dat “de natuurwetten zo vormgegeven lijken te zijn om het heelal voor te bereiden op het verschijnen en ondersteunen van leven.” [Antony Flew, There is a God (USA: Harper Collins, 2008), 114.]

En wat is nou die oorzaak van deze bekoring? Of op welke gronden geloven zo veel kosmologen dat het universum, in zekere zin, voorbereid is dat bewust leven er in zou verschijnen? Nou, het heeft allemaal te maken met de opmerkelijk nauwkeurige afstemming van de meest fundamentele krachten van het universum. Ik zal dit hieronder middels vijf punten toelichten.

 

EEN

KOSMOLOGEN VERTELLEN ONS, bijvoorbeeld, dat als de zwaartekracht een fractie zwakker geweest zou zijn dan dat het nu is – met 1 deel op de 1040 (dat is een 1 gevolgd door veertig nullen) – dan zou materie niet hebben kunnen samenklonteren om sterren of sterrenstelsels te vormen. Het universum zou dan een levenloze zee van dwalend gas en eindeloze duisternis geweest zijn.

Als de zwaartekracht iets sterker geweest zou zijn, dan zou het universum radicaal anders geweest zijn dan dat het nu is. Materie zou dan krachtiger samengeklonterd zijn. Sterren zouden nog steeds bestaan, maar zij zouden veel kleiner geweest zijn en veel sneller opgebrand raken dan de tijd die nodig is voor het ontwikkelen van complex planetair leven. Als het zich had kunnen ontwikkelen, dan zouden zelfs insecten dikkere poten nodig hebben om zichzelf te ondersteunen, omdat de toegenomen zwaartekracht hen krachtiger naar de aarde zou trekken. Waarlijk, de zwaartekracht zou alles dat zo groot is als wij (de mens) pletten. En dit is ervan uitgaande dat planeten stabiel zouden kunnen zijn. Want in een universum met enorme zwaartekracht zouden sterren veel dichter op elkaar gepakt zijn waardoor ze veel vaker met elkaar in botsing zouden raken. Planetair bestaan zou dus zeer onwaarschijnlijk zijn, of extreem onstabiel.

De zwaartekracht is zo nauwkeurig afgestemd in verhouding tot andere krachten die in het hele universum werkzaam zijn, dat als de kracht van de aanvankelijke explosie van de Oerknal iets meer of minder geweest zou zijn – met slechts 1 deel op de 1060 – dan zou het universum ofwel ineengestort zijn (wegens een te grote zwaartekracht) of te snel uitgespreid zijn (door een te zwakke zwaartekracht) waardoor sterren zich niet hadden kunnen vormen. Deze ongelooflijk kleine marge kan vergeleken worden met het afvuren van een kogel naar een vijftig cent muntje aan de andere kant van het universum, miljarden lichtjaren ver weg, en zowaar het doel treffen!

 

TWEE

EEN VERGELIJKBAAR VERHAAL GELDT VOOR de kracht die protonen en neutronen in een atoom samenhoudt: de sterke kernkracht. Als het een fractie zwakker geweest zou zijn, dan zouden er alleen waterstofatomen gevormd kunnen worden en niets anders. Als de sterke kernkracht ietsje sterker geweest zou zijn, dan zou de nucleaire oven die brandt binnen in het centrum van sterren niet in staat geweest zijn om zware elementen zoals koolstof te vormen, wat noodzakelijk is voor al het biologisch leven. Nogmaals, de kernkracht lijkt voldoende afgestemd te zijn zodat koolstofatomen gevormd kunnen worden.

Een ander voorbeeld van dergelijke kosmologische toevalligheden is het elektromagnetische veld: de kracht die de interactie tussen elektrisch geladen deeltjes teweegbrengt. Als het ook maar ietsje sterker geweest zou zijn, dan zouden elektronen zo krachtig met atomen verbonden worden, dat er geen chemische wisselwerkingen tussen atomen plaats hadden kunnen vinden, wat in wezen ‘geen leven’ betekent! Aan de andere kant, als het een fractie zwakker geweest zou zijn dan dat het nu is, dan zouden elektronen niet verbonden kunnen worden met de kern van atomen, en zouden er dus geen atomen gevormd kunnen worden die voor leven noodzakelijk zijn.

 

DRIE

DAT HET LIJKT DAT HET HEELAL UNIEK AFGESTEMD IS voor de mogelijkheid op leven, meer specifiek het menselijk leven, is bekend als het antropisch principe [dat stelt dat er een nauw verband is tussen het bestaan van mensen en de eigenschappen van het heelal]. En het blijft een bron van intense verwondering, debat en speculatie onder wetenschappers, filosofen en theologen sinds het enige decennia geleden algemeen gewaardeerd werd.

Al met al zijn er vijftien kosmologische constanten die, omdat zij de waarden en parameters hebben die zij hebben, het mogelijk maken dat er een heelal is die in staat is om complex leven te ondersteunen. Als één van die constante niet precies afgestemd zou zijn, dan zou leven absoluut onmogelijk zijn. De Britse Astronomer Royal Martin Rees, kosmoloog en astrofysicus, zegt in zijn Just Six Numbers dat dergelijke nauwkeurig afgestemde kosmologische constanten “een ‘recept’ vormen voor een heelal. Bovendien is het resultaat gevoelig voor hun waarden: als één van hen ‘niet afgestemd’ zou zijn, dan zouden er geen sterren en geen leven zijn.” [Martin Rees, Just Six Numbers (Great Britain: Phoenix Books, 1999), 4.] “De kans,” zegt Francis Collins, de geneticus achter het menselijkgenoomproject [een programma om de structuur van het menselijke DNA volledig op te helderen], “dat al deze constanten de waarden hebben gekregen die noodzakelijk zijn om een stabiel universum te vormen die in staat is om complexe levensvormen te ondersteunen is haast oneindig klein. En toch zijn dit precies de parameters die we waarnemen.” [Francis Collins, The Language of God (London: Simon & Schuster, 2007), 74. Zie ook de beschrijving van het antropisch principe door natuurkundige en christelijk theoloog John Polkinghorne, Beyond Science (Cambridge: Cambridge University Press, 1998), 80-92.]

 

VIER

DE EERSTE DECENNIA VAN DE TWINTIGSTE EEUW werden gedomineerd door een wetenschappelijke overtuiging dat het universum altijd bestaan heeft, en dus was er voor de meeste wetenschappers van die tijd geen goede reden om na te denken over wat het tot bestaan bracht. Religieuze uitspraken over schepping werden gezien als onderontwikkeldheid, mythologische onzin die onverenigbaar zou zijn met geavanceerde wetenschappelijke kennis. Het werd echter rond 1960 voor de wetenschappelijke gemeenschap in toenemende mate duidelijk dat het universum een begin had, een startpunt – de Big Bang [de Oerknal]. Hoewel het idee door sommige hedendaagse wetenschappers aanvankelijk ontvangen werd met felle verwerping, was dergelijke vooringenomenheid bedolven door het bewijs in diens voordeel. [Why God Won’t Go Away (London: Society for Promoting Christian Knowledge, 2011), 84-5.]

Zowel de Big Bang als het toenemende besef van hoe het universum op maat gesneden is voor leven hebben de toon van het debat wat betreft God, wetenschap en rede drastisch veranderd. Echter, ook al is de nauwkeurige afstemming veelbetekenend, toch zorgt de uitleg ervan voor een fel debat in wetenschappelijke, theologische en filosofische kringen.

(Lees verder onder de afbeelding.)

 

VIJF

ER WORDEN DRIE VERKLARINGEN GEGEVEN voor de opmerkelijk nauwkeurige afstemming van het heelal.

De eerste is een soort reactie waarbij de schouders worden opgehaald. Oftewel, de dingen zijn zoals ze zijn, of we zouden niet hier zijn om ze te bespreken. We hebben gewoon erg veel geluk. Op deze “het is gewoon zoals dingen zijn” houding, schreef Rees het volgende: “Veel wetenschappers nemen deze houding aan, maar het stelt mij zeker niet tevreden. Ik ben onder de indruk van een metafoor die de Canadese filosoof John Leslie gaf. Veronderstel eens dat je voor een vuurpeloton staat. Vijftig schutters richten hun wapen op je, maar zij missen allemaal. Als zij niet gemist hadden, dan zou je het niet overleefd hebben om over deze kwestie na te denken. Maar je zou het daar niet bij laten – je zou verbijsterd zijn en een nadere verklaring zoeken voor jouw voorspoed.” [Just Six Numbers, 164-66.]

De tweede blijft een toenemend aantal voorstanders aantrekken: er zijn vele heelallen parallel aan die van ons [parallelle universa] en in elk heelal zijn verschillende natuurwetten en andere waardes van natuurconstantes; met alle mogelijke combinaties van karakteristieken. Ons heelal is gewoonweg een resultaat van vallen en opstaan, waarin alle antropische constanten harmonieus samenhangen om leven toe te laten. Een tegenslag voor de ‘multiversum’-hypothese, de ongelovigheid ervan alsook de ogenschijnlijk opportunistische redenering terzijde, is dat het slechts de cruciale vraag uitstelt. In plaats van te vragen hoe ons universum tot stand gekomen is, moeten we nu vragen hoe deze meerdere universums tot stand gekomen zijn. Een andere tegenslag voor deze hypothese heeft te maken met ‘Ockhams scheermes’, de stelling dat wanneer er verschillende hypotheses zijn die een verschijnsel in gelijke mate kunnen verklaren, de hypothese gekozen moet worden die de minste aannames bevat en de minste entiteiten veronderstelt. Oftewel, als alle andere zaken gelijk zijn, dan zijn de eenvoudigere verklaringen doorgaans beter dan de complexere. Je beroepen op een oneindig aantal heelallen zonder empirische toetsing of waarneming [door middel van proeven of experimenten], omdat zij zich bevinden in een ander ruimtetijd continuüm [kader], is werkelijk extreem complex.

De laatste beroept zich op goddelijke voorzienigheid. Dit is het geloof dat een Almachtige Schepper het heelal opzettelijk en met een doel ontwierp, namelijk om intelligent leven mogelijk te maken. Stephen Hawking merkte op in A Brief History of Time – wat lijkt op een moment van epifanie [plotselinge openbaring]: “Het zou zeer moeilijk zijn uit te leggen waarom het universum juist op deze manier begonnen is, behalve als een handeling van God Die van plan was om wezens als ons te scheppen.” [A Brief History of Time (New York: Bantam Press, 1998), 144. Ik suggereer met deze uitspraak niet dat Hawking een theïst is, maar louter om aan te tonen dat de stelling dat het universum een Wijze, Almachtige Schepper heeft gemakkelijk binnen het gebied van redelijkheid en gezond verstand valt.]

Waarlijk!

De Koran dringt erop aan (Nederlandstalige interpretatie): “En Wij schiepen de hemel en de aarde en wat daartussen is niet doelloos! Dat is de veronderstelling van degenen die ongelovig zijn. Wee degenen die ongelovig zijn voor het Vuur!” [Soerat Saad (38), aayah 27.]

 

 

Relevante artikelen:

De Hemelen – een uitnodiging om na te denken

Wordt evolutie verkeerd begrepen? (openbaring, wetenschap en zekerheid)

Hoe ziet God eruit?

Wat God niet is

God/Allah (diverse artikelen)

Atheïsme (diverse artikelen)