Stelen en het afhakken van handen

Een bestraffing van Allah ter afschrikking.

Vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Dit artikel bestaat uit de volgende hoofdstukken:

Inleiding
Diefstal, de straf en de voorwaarden
De minimale waarde van de gestolen goederen
Het verschil tussen een dief en een overvaller
Berouw voor diefstal
Slotwoord

Alle lof is voor Allah, Heer der werelden, en moge de vrede en de zegeningen van Allah neerdalen op de voornaamste van alle boodschappers, Moh’ammed, alsook op zijn familie, al zijn metgezellen en iedereen die hun voorbeeld volgt.

 


Inleiding

WANNEER IEMAND HET HEEFT OVER DE ISLAMITISCHE WET AANGAANDE DIEFSTAL, dan schiet haast automatisch een beeld van het amputeren van menselijke handen te binnen. Het is een angstwekkend beeld. In feite is het ook bedoeld om angstwekkend te zijn. De verminking van het lichaam van de veroordeelde dief probeert van hem een voorbeeld te maken en een afschrikmiddel voor andere criminele elementen in de samenleving en eenieder die ook in verleiding gebracht wordt te stelen.

Deze islamitische straf voor diefstal wordt echter, zoals veel andere islamitische concepten, omgeven door misverstanden. Dit artikel, dat niet allesomvattend is, doet dienst als introductie tot de islamitische straf voor diefstal en zal ook enkele misvattingen verduidelijken.

Velen vinden dit islamitische beleid wreed en op geen enkele manier passend bij de misdaad. Maar het feit dat lijfstraffen, verminking en marteling nog niet zo heel lang geleden deel uit maakten van alle wetgevingen, kan ons een reden geven om deze handeling niet zo ernstig te veroordelen als dat we geneigd zijn te doen. Tot aan de achtste eeuw was volgens het gewoonterecht de doodstraf de straf voor diefstal. (G. Fletcher, Rethinking Criminal Law, p. 30-31.) De islamitische wet vereist het amputeren van de hand. De regels voor het uitvoeren van de sharie’ah (sharia) bestraffing zijn echter steng (zie het volgende hoofdstuk). Voor het eerste misdrijf dient (als aan alle voorwaarden voldaan is) de rechterhand van de dief vanaf de pols afgehakt te worden. De Shaafi’ie en Maalikie wetscholen verordenen de amputatie van de linkervoet voor een tweede overtreding. Gaat de dief nog vaker de fout in, dan verliest hij opeenvolgend zijn linkerhand en zijn rechtervoet. Een vijfde misdrijf levert hem een straf op welke een rechter passend vindt voor hem (dit wordt ta’zier genoemd). (An-Nawawie, Minhadj at-Taalibien, p. 448.) De H’anbalie en H’anafie juristen bepaalden dat de dader na een tweede amputatie in de gevangenis opgesloten moest worden totdat hij berouw toonde. Zij legden geen derde of vierde amputatie op. (Heffening, Sarik, The Encyclopedia of Islam, p. 173.)

De bestraffing is duidelijk tot voorbeeld strekkend en afschrikwekkend; niet alleen omdat de Qor-aan (Koran) het als zodanig definieert (zie vers 5:35 in het volgende hoofdstuk), maar ook omdat het ontworpen is om de gemeenschap de ernst en walgelijkheid van deze misdaad te laten inzien. Het beschermt de samenleving tegen herhaling of ergere misdrijven van dezelfde misdadiger en het ontmoedigt anderen. Ook in de Bijbel wordt dit aangegeven: “En de overigen zullen (hierover) horen, en afgeschrikt zijn, en zullen voortaan een dergelijk kwaad niet meer onder jullie bedrijven. En jullie ogen zullen geen medelijden hebben (met hen) #1…” (Deuteronomium 19:20-21.)

[#1 Zie vers 24:2 van de Koran in het slotwoord.]

Een gewaarschuwd mens telt voor…

 


Diefstal, de straf en de voorwaarden

STELEN IS EEN GROTE ZONDE EN H’ARAAM (VERBODEN) volgens de Qor-aan, de Soennah en consensus van geleerden (idjmaa’).

Allah Ta’aalaa zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie):

“O degenen die geloven! Eet (toe-eigen) niet onderling elkaars bezittingen op een onrechtmatige wijze, tenzij het om handel met wederzijdse goedkeuring gaat #2…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 29.]

[#2 Zie het artikel Verboden zakelijke transacties.]

Diefstal is een serieus misdrijf dat zonder doelmatige straf kan uitgroeien tot een wijdverspreid verschijnsel en een ernstige bedreiging zal vormen voor het sociale en economische leven van de samenleving. Aldus heeft Allah Ta’aalaa deze daad veroordeeld en een toepasselijke straf er voor verordend. De h’add-bestraffing voor een dief is dat zijn hand afgehakt dient te worden. Het amputeren van de hand behoort tot de Koranische of h’add-bestraffingen die door God opgelegd zijn en waarvan niet afgeweken mag worden. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En de dief en de dievegge, hak hun handen af als een vergelding voor wat zij begingen, een bestraffing van Allah ter afschrikking. En Allah is Almachtig, Alwijs.” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 38.]

De profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie):

“De hand dient afgehakt te worden voor (de diefstal van) een kwart dinar of meer.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, al-H’oedoed, 6291.)

Dergelijke straf dient echter nooit door individuen uitgevoerd te worden, maar door de leider of diens afgevaardigde. Men mag het recht nooit in eigen hand nemen! Ibn Moeflih’ al-H’anbalie zei in al-Foeroe’ (6/53): “Het is h’araam (verboden) voor eenieder om een h’add-bestraffing uit te voeren behalve de leider of zijn afgevaardigde. Dit is iets waarover de foeqahaa-e (geleerden op het gebied van fiqh – islamitische jurisprudentie) van de islam het unaniem eens zijn, zoals aangegeven wordt in al-Mawsoe’ah al-Fiqhiyyah (5/280): de foeqahaa-e zijn het unaniem eens dat de leider of zijn plaatsvervanger degene is die h’add bestraffingen uit dient te voeren, of de bestraffing nu is voor het overtreden van de grenzen van Allah, de Meest Verhevene, zoals zinaa (ontucht, overspel), of een overtreding jegens een andere persoon, zoals laster.” (Zie het artikel Moord en eerwraak.)

De profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) vervloekte de dief omdat hij een verdorven element in de samenleving is, en als hij onbestraft blijft, dan zal zijn verdorvenheid verspreiden en het lichaam van de oemmah (gemeenschap) infecteren. Hij (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie):

“Moge Allah de dief vervloeken.” [Overgeleverd door al-Boekhaarie (6783) en Moeslim (1687).]

Het volgende geeft aan dat deze regelgeving definitief is. Een vrouw van de Makhzoem stam stal eens in de tijd van de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) en Oesaamah ibn Zayd wilde bemiddelen voor haar (om de bestraffing kwijt te schelden). De profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) werd boos en zei (Nederlandstalige interpretatie): “Verricht jij voorspraak betreffende een van de h’add-bestraffingen voorgeschreven door Allah!? Degenen die vóór jullie kwamen werden vernietigd doordat wanneer een rijke persoon van onder hen stal, zij hem met rust lieten, maar wanneer een zwakke onder hen stal, zij de bestraffing op hem toepasten. Bij Allah, indien Faatimah de dochter van Moh’ammed (zijn eigen dochter) diefstal zou begaan, zou ik haar hand afhakken!” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, Ah’aadieth al-Anbiyaa-e, 3216.)

Liefde voor zijn meest geliefde dochter en een van de beste vrouwen die ooit leefde op aarde weerhield de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) niet van rechtvaardigheid, waardoor hij verklaarde dat als zij zou stelen, dat hij dan haar hand af zou hakken. Dit is het zuivere begrip en de pure realisatie van rechtvaardigheid; dit is de ware geboortedag van sociale rechtvaardigheid dat alle mensen met gezond verstand en zuivere harten zal aanspreken. (Zie het artikel Wat onderwijst de islam over rechtvaardigheid?)

Dit is de regelgeving van Allah Ta’aalaa aangaande diefstal, dat de hand vanaf het polsgewricht afgehakt dient te worden. An-Nawawie zei in zijn toelichting op Sah’ieh’ Moeslim: “As-Shaafi’ie, Aboe H’aniefah, Maalik en de meerderheid (van de geleerden) zeiden: ‘De hand dient vanaf de pols afgehakt te worden, waar de hand de onderarm ontmoet.’” Al-Qoertoebie zei: “Alle geleerden hebben gezegd: ‘De hand dient vanaf de pols afgehakt te worden, niet zoals sommige vernieuwers doen (zoals de sjiieten) wanneer zij de vingers afhakken en de duim laten.’”

Omdat het amputeren van de hand een serieuze zaak is, dient het amputeren van de hand van de dief niet simpelweg voor elk geval van diefstal uitgevoerd te worden. Een combinatie van voorwaarden dient vervuld te worden voordat de hand van een dief afgehakt wordt. Deze voorwaarden zijn als volgt:

1.) Het voorwerp dient stiekem in beslag genomen te zijn. Als het niet stiekem genomen werd, dan dient (de hand) niet afgehakt te worden, zoals wanneer eigendom met geweld in beslag genomen werd in het bijzijn van andere mensen, want in dit geval kon de eigenaar van het bezit om hulp vragen om de dief te stoppen. (Zie het hoofdstuk Het verschil tussen een dief en een overvaller verderop in dit artikel.)

2.) Het gestolen bezit dient enige waarde te hebben, want dat wat geen waarde heeft, heeft geen heiligheid, zoals muziekinstrumenten, wijn en varkens.

3.) De waarde van het gestolen bezit dient boven een bepaalde grens te zijn, namelijk drie islamitische dirhams of een kwart van een islamitische dinar, of hun equivalent aan andere valuta. (Zie het hoofdstuk De minimale waarde van de gestolen goederen verderop in dit artikel.)

4.) Het gestolen bezit dient genomen te zijn van een plaats waar het weggelegd was, oftewel een plaats waar mensen normaal gesproken hun bezit opbergen (achter slot en grendel), zoals een kast, bijvoorbeeld.

5.) De diefstal dient bewezen te worden, ofwel middels de getuigenis van twee gekwalificeerde getuigen, of dat de dief zelf twee keer een bekentenis aflegt.

6.) De persoon van wie het bezit gestolen werd dient het terug te vragen; als hij dat niet doet, dan dient de hand (van de dief) niet afgehakt te worden.

7.) De dader dient een volwassene te zijn. Kinderen en krankzinnigen (die als kinderen beschouwd worden) worden niet verantwoordelijk gehouden voor hun daden. (Zie de artikelen Kinderen worden ook beloond voor hun goede daden en De tekenen van pubertijd: wanneer wordt iemand verantwoordelijk voor zijn/haar daden?)

8.) Voor islamitische juristen is opzet ook een onafhankelijke voorwaarde. Bijvoorbeeld, de mentale intentie (niyyah) is niet aanwezig als iemand onder dwang handelt. Dwang ontlast iemand van verantwoordelijkheid voor diefstal indien de misdaad uitgevoerd werd als iemands leven serieus in gevaar is. De noodzaak dient echter feitelijk te zijn en niet louter verondersteld. (An-Nawawie, supra note 12, p. 447.)

9.) Noodzakelijkheid wordt ook geclassificeerd als een vorm van dwang. (Bahnassie, supra note 35, p. 192.) Bijvoorbeeld, honger is een vorm van noodzakelijkheid waardoor de dief ontlast wordt van wettelijke verantwoordelijkheid, indien hij ‘geen neiging had tot het begaan van een overtreding,’ oftewel dat hij niet gestolen zou hebben als hij geen honger zou hebben gehad. (Ibid.)

Om onder de klassieke sharie’ah voor diefstal veroordeeld te worden, moet er dus aan een aantal voorwaarden voldaan worden. Elke voorwaarde kan onvoldoende vervuld worden als omstandigheden een waarnemer leiden naar ‘twijfel’ (shoebhah) dat de voorwaarde in feite vervuld wordt. H’oedoed (meervoud van h’add) straffen komen te vervallen wanneer er sprake is van vermoedens of onvoldoende bewijs voor de misdaad. Dit is gebaseerd op de h’adieth van de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem), die zei (Nederlandstalige interpretatie):

“Stop de h’oedoed wanneer er sprake is van verdenkingen.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, h’adieth 6484; Moeslim, h’adieth 1676.)

Als aan alle voorwaarden voldaan wordt, dan pas dient de hand geamputeerd te worden.

(Zie al-Djaamie’ lie Ah’kaam al-Qor-aan, 6/159; al-Moelakhkhas al-Fiqhie, 2/442.)

Dit betekent niet dat er helemaal geen bestraffing is voor de diefstallen die niet voldoen aan bovenstaande voorwaarden. Maar deze misdaden dienen op een andere manier bestraft te worden, namelijk volgens ta’zier (de oordeelkundigheid van een rechter).

(Lees verder onder de afbeelding.)

 


De minimale waarde van de gestolen goederen

HET IS BEWEZEN IN AS-SAH’IEH’AYN, van de h’adieth (overlevering) van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden over haar zijn), dat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie):

“De hand van de dief dient niet afgehakt te worden behalve voor een kwart van een dinar of meer.” [Overgeleverd door al-Boekhaarie (6789) en Moeslim (4494).]

Deze h’adieth geeft aan dat een kwart van een dinar de minimum waarde is waarvoor de hand van een dief afgehakt moet worden (als er aan alle voorwaarden voldaan is). Op basis hiervan dient men de h’adieth van Ibn ‘Oemar (moge Allah tevreden over hen beide zijn) te interpreteren, waarin hij zei dat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) de hand afhakte van de dief voor de diefstal van een schild, waarvan de waarde drie dirhams was. (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.) Oftewel omdat in die tijd drie dirhams gelijk in waarde waren aan een kwart van een dinar.

Sheikh Ibn ‘Oethaymien heeft gezegd: “De woorden ‘een kwart van een dinar,’ en de dinar is de mithqaal (een gewichtseenheid), en de mithqaal weegt 4,25 gram. Dus een kwart van een dinar weegt 1,0625 gram. Dus als iemand goud steelt dat 1,0625 gram weegt, dan dient zijn hand afgehakt te worden, wegens de h’adieth van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden over haar zijn), welke aangeeft dat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): ‘De hand van de dief dient niet afgehakt te worden behalve voor een kwart van een dinar of meer.’ Dit is overgeleverd in de as-Sah’ieh’ayn. Aldus specificeert deze h’adieth de algemene betekenis van de aayah (vers) waarin Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) zegt (Nederlandstalige interpretatie): ‘En de dief en de dievegge, hak hun handen af…’ [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 38.] Dus de hand dient niet afgehakt te worden bij eenieder onder deze grens.

Met betrekking tot de andere h’adieth, waarin aangegeven wordt dat de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) de hand van een dief afhakte voor het stelen van een schild met een waarde van drie dirhams, dit dient geïnterpreteerd te worden als duidend op het feit dat drie dirhams in die tijd equivalent waren aan een kwart van een dinar, en een dinar was equivalent aan twaalf dirhams van zilver.” [Einde citaat uit as-Sharh’ al-Moemtie’ (14/334).]

Samenvattend: een dinar is equivalent aan 4,25 gram. Als de dief gepakt wordt, dan dient de qaadie (rechter) te kijken naar de prijs van goud op die dag (de dag van de diefstal). Als bewezen wordt dat de waarde van de gestolen goederen op de dag van de misdaad gelijk was aan de waarde van 1,0625 gram goud op die dag, dan verdient de dief de h’add-bestraffing dat zijn hand afgehakt wordt. Als de waarde van de gestolen goederen minder is dan dat, dan verdient hij een disciplinaire straf [volgens de oordeelkundigheid (ta’zier) van de rechter]. [Zie as-Sharh’ al-Moemtie’ (14/334).]

Voorbeeld: op 17 oktober 2017 was de goudprijs € 35,15 per gram. De minimale waarde van de gestolen goederen waarbij de hand afgehakt zou moeten worden (als ook aan de andere voorwaarden voldaan is) zou die dag dan zijn 1,0625×35,15= € 37,35.

 


Het verschil tussen een dief en een overvaller

ER WORDT ONDERSCHEID GEMAAKT TUSSEN een dief (saariq, iemand die stiekem steelt en die iets steelt dat bewaard werd op een toepasselijke plek, achter slot en grendel) en een overvaller (moentahib, iemand die met geweld iets neemt in het bijzijn van anderen). Bij de dief wordt de hand afgehakt en bij de overvaller niet. Waarom is dat?

Ibn Qayyim zei hierover: “Het feit dat de hand van een dief (saariq) afgehakt kan worden (als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan – zie hierboven) en niet in het geval van de opportunistische dief (moekhtalis, iemand die steelt wanneer een ander niet kijkt), overvaller of afperser (ghaasib, iemand die met geweld iets inneemt) is kenmerkend voor de perfecte wijsheid van de sharie’ah (sharia – islamitische wetgeving). Want men kan geen voorzorgsmaatregelen treffen tegen de dief die in huizen inbreekt en de bewaarplaatsen vernielt en de sloten breekt; de eigenaar van de goederen kan niet meer doen dan dat (oftewel de goederen bewaren op passende plaatsen). Als het afhakken van de hand van de dief niet voorgeschreven zou zijn, dan zouden de mensen op deze manier van elkaar stelen en er zal veel kwaad aangericht worden, en het probleem van diefstal zou werkelijk verschrikkelijk zijn. Dit is in tegenstelling tot het geval van de overvaller en de opportunistische dief. Want de overvaller is degene die goederen openlijk in het zicht van mensen inneemt, zodat zij hem kunnen stoppen en de rechten van degenen die onrecht aangedaan is kunnen teruggeven, of zij kunnen getuigen tegenover een rechter. En de opportunistische dief is degene die dingen steelt wanneer de eigenaar even niet oplet enzovoort, dus is er sprake van enige vorm van achteloosheid waardoor de opportunistische dief in staat gesteld wordt te stelen; want wanneer men behoedzaam en alert is, dan kan hij niets nemen. Dus hij is niet als een dief (saariq), maar eerder als een verrader.

Bovendien neemt de opportunistische dief (moekhtalis) geen dingen van een plek waar zij doorgaans bewaard worden, maar hij wacht totdat niemand kijkt en oplet, waarna hij dingen neemt op het moment dat de eigenaar iets op de grond plaatst en even niet oplet, bijvoorbeeld. Dit is iets waar in de meeste gevallen maatregelen tegen getroffen kunnen worden, en hij (de opportunist) is als de overvaller die openlijk steelt. Met betrekking tot degene die zich dingen met geweld toe-eigent, de zaak is nog duidelijker: het is zelfs nog passender dat zijn hand niet afgehakt wordt, maar het is toegestaan om de misdaden van deze mensen te beëindigen door ze te slaan, hen als een voorbeeld te stellen om anderen te waarschuwen, hen gedurende lange tijd op te sluiten en hen te bestraffen door hun eigendommen in beslag te nemen.” (A’laam al-Moewaqqi’ien, 2/48.)

Mocht een overvaller door het gebruiken van geweld ook iemand vermoorden of lichamelijk letsel veroorzaken bij zijn slachtoffer(s), dan is er ook qisaas (een rechtmatige vergelding) of een bepaalde compensatie voorgeschreven. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“O degenen die geloven! De rechtmatige vergelding is jullie voorgeschreven in geval van moord: de vrije voor de vrije, en de slaaf voor de slaaf, en de vrouw voor de vrouw. Degene (de moordenaar) die door zijn broeder (de nabestaande) de rechtmatige vergelding vergeven wordt, laat hem (de nabestaande) op een gepaste wijze bloedgeld vorderen en laat de betaling aan hem (de nabestaande) met welwillendheid geschieden…” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 2:178.]

Qisaas (rechtmatige vergelding) houdt volgens de islamitische wetgeving in: de bestraffing van de dader overeenkomstig zijn misdaad (wat volgens een islamitische rechtbank toegekend dient te worden – men mag nooit het recht in eigen hand nemen). (Al-Mawsoe’ah al-Fiqhiyyah al-Koewaytiyyah.)

Overpeins ook eens het volgende vers van de Nobele Koran (Nederlandstalige interpretatie):

“De vergelding van degenen die oorlog voeren tegen Allah en Zijn boodschapper en die streven naar verdorvenheid op aarde, is slechts dat zij gedood worden, of gekruisigd worden, of hun handen en hun voeten van tegenovergestelde zijden afgehakt worden, of uit het land verbannen worden (de keus is aan de moslimleider, wat hem het meest passend lijkt). Dat is voor hen een vernedering in deze wereld en voor hen is er in het Hiernamaals een geweldige kwelling. Behalve degenen die berouw tonen (en zich overgeven) voordat jullie hen overmeesteren (en in hechtenis nemen); weet dan dat Allah Vergevensgezind en Barmhartig is.” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 33-34.]

Dergelijke straffen worden toegepast naar gelang de aard en ernst van het misdrijf, met ruimte voor de autoriteit om de straf aan te passen aan de misdaad. En volgens geleerden is verbanning in veel gevallen gelijk aan gevangenneming. En Allah weet het het best.

 


Berouw voor diefstal

DE GELEERDEN HEBBEN AANGEGEVEN DAT ER DRIE VOORWAARDEN ZIJN VOOR BEROUW (TAWBAH), namelijk de zonden opgeven, spijt betuigen van hetgeen plaatsgevonden heeft en voornemen er niet naar toe terug te keren. (Zie onder andere de artikelen De boetedoening voor zonden is berouw en Berouw tonen… en weer zondigen.)

Men dient te begrijpen dat er twee soorten rechten zijn: de rechten van Allah Ta’aalaa en de rechten van andere mensen. Er wordt afgezien van de rechten van Allah wanneer men berouw toont, behalve in het geval van financiële rechten, zoals zakaah (de verplichte liefdadigheid), kaffaarah (boetedoening) en eden – volgens de correcte mening. (Zie Rawdhat at-Taalibien, 11/246; Kashshaaf al-Qina’, 2/257.)

Met betrekking tot de rechten van andere mensen, de geleerden voegden een vierde voorwaarde toe aan berouw, namelijk dat men de rechten van de mensen aan hen teruggeeft, en dat berouw niet voldoende is om af te zien van de rechten van anderen. Integendeel, de rechten van degene die onrecht aangedaan is moeten teruggegeven worden. Dit is aangegeven door Ibn Qoedaamah, an-Nawawie, Ibn al-Qayyim, Ibn H’adjar en anderen. Zie al-Moeghnie, 14/193; Rawdhat at-Taalibien, 11/245-246; Madaaridj as-Saalikien, 1/396; Fath’ al-Baarie, 11/104.

Als aanvulling op de wereldse straffen worden misdadigers aangespoord zich bewust te zijn van de eeuwige straffen en consequenties in het Hiernamaals voor zijn gepleegde misdrijven. De profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) zei eens tegen zijn metgezellen (Nederlandstalige interpretatie): “Weten jullie wie moeflis (failliet/blut) is?” Zij zeiden: “Onder ons, degene die failliet is, is degene die geen dirhams (geld) en geen goederen heeft.” Hij zei:

“Degene die failliet is onder mijn oemmah (gemeenschap) is degene die op de Dag der Opstanding komt met het gebed, vasten en zakaah, maar hij zal komen terwijl hij die-en-die beledigd heeft, die-en-die belasterd heeft, de eigendommen van die-en-die (onrechtmatig) verbruikt heeft, het bloed van die-en-die heeft doen vloeien en die-en-die geslagen heeft. Ieder van hen zal wat van zijn h’asanaat (goede daden) gegeven worden, en als zijn h’asanaat opraken voordat de rekening vereffend is, zullen wat van hun sayyie-aat (zonden) genomen worden en op hem geworpen worden, vervolgens zal hij in de Hel geworpen worden.” (Overgeleverd door Moeslim.)

Men dient gestolen goederen terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. Niet hiertoe in staat zijn is geen rechtvaardiging om deze kwestie licht op te nemen. Men dient zich in te spannen geld te verzamelen van h’alaal (toegestane) bronnen, zoals geschenken, werk dat islamitisch acceptabel is enzovoort. Allah Ta’aalaa zal zo iemand helpen als hij oprecht is in zijn inspanningen, aangezien Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“…En wie Allah vreest, voor hem zal Hij een uitweg maken. En Hij zal hem voorzien van waar hij het niet verwacht…” [Soerat at-Talaaq (65), aayah 2-3.]

Men dient dit geld dan te geven aan de rechtmatige eigenaar en het hem eerlijk te vertellen, indien dit niet zorgt voor vernedering en niet leidt naar schadelijke consequenties. Als het eerlijk zijn te veel vernedering zal veroorzaken, dan kan men het aan hem geven op een manier dat geen problemen zal veroorzaken tussen de betrokken personen.

Als men het geld niet terug kan geven, omdat het bedrag te hoog is en men zich dit niet kan veroorloven, dan kan men de eigenaar om vergeving vragen. Zoek de Hulp van Allah Ta’aalaa en vertrouw op Hem:

“…En wie op Allah vertrouwt, Hij zal dan voldoende voor hem zijn…” [Nederlandstalige interpretatie van soerat at-Talaaq (65), aayah 3.]

Als men ook dit niet kan doen, omdat men niet weet wie de eigenaar is, bijvoorbeeld, dan hopen wij dat Allah Ta’aalaa zo iemand vergeeft.

An-Nawawie heeft gezegd: “Als de zonde betrekking heeft op financiële verplichtingen, zoals het achterhouden van de zakaah, het met geweld in beslag nemen van bezit en misdaden tegen de eigendommen van mensen, dan dient men naast dat (berouw) ook de verplichting te vervullen, zoals het uitgeven van de zakaah, het teruggeven van het bezit van mensen indien het nog aanwezig is, of anders het betalen van het gelijkwaardige aan hen, of de persoon aan wie men iets verschuldigd is vragen om hem te vergeven. Als de persoon overleden is, dan dient men het te geven aan zijn erfgenamen. Als hij geen erfgenaam heeft, of men kan hem niet vinden, dan dient de zaak voorgelegd te worden aan een qaadie (rechter).

Als dit ook niet mogelijk is, dan dient het als liefdadigheid aan de armen gegeven te worden met de intentie om het alsnog terug te geven mocht hij hem (degene van wie hij het genomen heeft) toch nog vinden. Als hij arm is, dan dient hij de (oprechte) intentie te hebben om het terug te geven indien hij daartoe in staat is. Als hij overlijdt voordat hij het terug kan betalen, dan is er de hoop dat Allah hem zal vergeven wegens Zijn Barmhartigheid.” (Rawdhat at-Taalibien, 11/246.)

[Bron van dit hoofdstuk: https://islamqa.info/ar/43017 (Arabisch), https://islamqa.info/en/43017 (Engels).]

Allah Ta’aalaa zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie):

“Maar wie na zijn onrechtvaardigheid berouw toont en zich verbetert, Allah zal zijn berouw aanvaarden. #3 Waarlijk, Allah is Vergevensgezind, Barmhartig.” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 38.]

[#3 De bestraffing reinigt niet noodzakelijkerwijs de ziel. Als iemand na de bestraffing nog steeds slechte gedachten koestert en geen spijt heeft van zijn misdaad, verdient hij nog steeds de Woede van Allah. (Naar Tafheem-ul-Qur’an.)]

 


Slotwoord

ALLE SAMENLEVINGEN HEBBEN EEN STRAFSYSTEEM voor serieuze criminele overtredingen. De hedendaagse systemen passen langdurige gevangenisstraffen toe, maar veel criminologen en sociale wetenschappers hebben geconstateerd dat gevangenisstraf geen succesvol afschrikmiddel is (zie onder aan deze pagina voor een grafiek). Ook slachtoffers hebben vaak niet het gevoel dat er goed en rechtvaardig gehandeld is. Hoe vaak hoor je slachtoffers niet zeggen: “Ik heb levenslang en hij (de crimineel) komt na enkele jaren weer vrij.” Ook dienen we de enorme onkosten van een dergelijk systeem van gevangenissen en gerelateerde faciliteiten niet over het hoofd te zien.

We dienen op te merken dat het systeem van strafrecht in de islam een essentieel onderdeel is van het gehele geloof en de rechtvaardige islamitische manier van leven, dat voorziet in het welzijn van alle burgers, dat bescherming biedt voor de religie, het leven, de eer en het bezit van ieder lid van de samenleving alsook de samenleving als geheel, en dat geen plaats heeft voor criminele activiteiten.

De letterlijke betekenis van sharie’ah (sharia) is “de weg naar water” (of “waterpoel”). De sharie’ah is een brede term voor “islamitische wet” en het vertegenwoordigt de weg naar God en reinheid. Het overkoepelende doel van de sharie’ah is het bewerkstelligen van rechtvaardigheid. De islamitische wet is niet bedoeld om vrouwen te onderdrukken of voor individuele vrijheid. Het is bedoeld om een rechtvaardige en vreedzame samenleving te bewerkstelligen. (Zie het artikel De islamitische sharia.) Het probeert kwaadaardigheden in de kiem te smoren, of het nu gaat om ongewenste intimiteiten, of om verkrachting, of om ontwrichting van het gezinsleven door overspel, of om de schadelijke gevolgen van roddelen, of om diefstal enzovoort.

Islamitische straffen zijn rechtvaardig, doeltreffend, universeel en logisch als men er met eerlijke en onbevooroordeelde ogen naar kijkt. Ze geven de misdadiger de exacte smaak van de pijn die zij veroorzaakt hebben bij het slachtoffer en de schade die zij toegebracht hebben aan de maatschappij. Allah Ta’aalaa, de Schepper, weet wat het beste is voor Zijn schepping en wat de beste straf is voor en het beste afschrikmiddel is tegen misdrijven. Logica en rechtvaardigheid eisen dat de rechten van de slachtoffers niet gebagatelliseerd worden door verdraagzaamheid te betonen jegens de misdadigers. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“…En laat medelijden met hen jullie niet overmannen in (het toepassen van de straffen in) de religie van Allah, indien jullie geloven in Allah en de Laatste Dag. #4 En laat een groep van de gelovigen getuige zijn van hun bestraffing.” [Soerat an-Noer (24), aayah 2.] Het is interessant dat in de Bijbel iets vergelijkbaars wordt aangegeven. Zie Deuteronomium 19:20-21 in de inleiding van dit artikel.

[#4 Wees niet barmhartig en genadevol tegenover hen bij het toepassen van de wetgeving van Allah Ta’aalaa. Het natuurlijke gevoel van barmhartigheid wordt niet afgekeurd bij het toepassen van de straffen, maar het gaat hier om de barmhartigheid die de rechter ertoe kan leiden de straf te annuleren (of verminderen), wat niet toegestaan is voor hem. (Tefsier Ibn Kethier.)]

Als de islamitische sharia eens toegepast zou worden in de samenlevingen die tevreden zijn met de door de mens gemaakte wetten en die de wetgeving van Allah Ta’aalaa aan de kant gezet hebben en vervangen hebben met menselijke wetten, dan zou dit de beste behandeling zijn voor vele problemen. Maar de kwestie is zoals Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“Wensen zij dan het oordeel van al-djaahiliyyah (de dagen van onwetendheid)!? En wie is er beter dan Allah in het oordelen voor een volk dat met zekerheid gelooft!?” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 50.]

Ik wil nogmaals benadrukken dat dit artikel niet allesomvattend is en slechts een introductie is tot de islamitische straf voor diefstal, alsook heeft het enkele misverstanden verduidelijkt.

Alle lof is voor Allah, die het het beste weet.

 

Relevante artikelen:

Zonden heroverwegen: zijn kleine zonden echt klein?

De bittere gevolgen van zonden

De zeven vernietigende zonden

Taqwaa (vroomheid, Godvrezendheid), dat moet je hebben

10 Manieren om je imaan (geloof) te vermeerderen

Moord en eerwraak

De boetedoening voor zonden is berouw

 


Grafiek: aantal diefstallen (per 100.000 mensen) in verschillende landen van de wereld, waar data over beschikbaar was: