Qadiyaanisme in het licht van de Islaam

De Ahmadiyya Moslim Gemeenschap.

Qadiyaanisme[Zie ook het artikel Het behouden van de geloofsleer (‘aqiedah) en het ontstaan van sekten.]

Vertaald door Abdul-Jabbar van de Ven.

Op de website www.islamqa.info werd de volgende vraag gesteld aan sheikh Mohammed Salih’ Al-Munajjid (vraag nummer 4060) over de qadiayaanies, ook wel bekend onder de naam “ahmadi’s”, “Ahmadiyya Moslim Missie” of “Ahmadiyya Moslim Gemeenschap” (die onder andere opereren vanuit de Mobarak-moskee aan de Oostduinlaan in Den Haag):

Vraag: als iemand niet een qadiyaanie is, maar weet dat zij geloven in een valse profeet, en hij accepteert het Qadiyaanisme daarna als een madzhab in de Islaam, zijn zij dan de Islaam uitgetreden (ongelovig geworden)? Ik geloof dat zij de Islaam zijn uitgetreden, en ik handel naar dat geloof in mijn gedrag tegenover zulke mensen.

Het antwoord van de sheikh op deze vraag was als volgt:

Alle lof behoort toe aan Allah.

 

Definitie

De Qaadiyaaniyyah is een beweging die begon in 1889 na Christus als een complot door de Britse kolonisten op het Indiase subcontinent, met het doel om moslims weg te leiden van hun religie, en van hun verplichting om djihaad te voeren in het bijzonder, zodat zij het kolonialisme niet langer zouden tegenwerken in de naam van de Islaam. De spreekbuis van deze beweging is het tijdschrift “Madjallat-oel-Adyaan” (“Tijdschrift van religie’s”), welke gepubliceerd werd in het Engels.

 

Oprichting en prominente persoonlijkheden

Mirza Ghulam Ahmad (1835-1908 n.Chr.) was het belangrijkste instrument waarmee de Qaadiyaaniyyah op werd gericht. Hij werd geboren in het dorp Qadiyan in Punjab (India), in 1835 n.Chr. Hij kwam uit een familie die overbekend stond als een familie van verraders die hun religie en hun land verraden hadden, en aldus groeide Ghulam Ahmad op als iemand die trouw en gehoorzaam was aan de kolonisten in elke zin. Aldus werd hij uitgekozen om de rol te vervullen van een zogenaamde profeet, zodat de moslims zich om hem zouden scharen en hij ze af zou leiden van het voeren van djihaad tegen de Engelse kolonisten. De Britse overheid had hen veel gunsten geschonken, en daarom waren zij loyaal aan de Britten. Ghulam Ahmad stond onder zijn volgelingen bekend als iemand die labiel was, met een hoop gezondheidsproblemen en afhankelijk van medicijnen.

Onder degenen die hem en zijn boosaardige da’wah tegenwerkten, behoorde sheikh Aboel-Wafa’ Thana’ al-Amritsaarie, de leider van de “Djama’iyyat Ahloel-H’adieth fie ‘Oemoem al-Hind” (“De Ahloel-H’adieth Vereniging van Geheel India”). De sheikh debatteerde met hem en weerlegde zijn argumenten, waarmee hij zijn verborgen motieven en zijn koefr (ongeloof) en dwaling ontsluierde. Toen Ghulam Ahmad nog steeds niet tot bezinning kwam, daagde sheikh Aboel-Wafa’ hem uit om samen te komen en de vloek van Allah af te roepen, zodat de leugenaar zou sterven tijdens het leven van degene die de waarheid vertelde. Er gingen slechts een paar dagen voorbij voordat Mirza Ghulam Ahmad al-Qadiyaanie stierf, in 1908 n.Chr. Hij liet meer dan vijftig boeken, pamfletten en artikelen na, waarvan de meest belangrijke zijn: “Izaalatoel-Awhaam” (“Het Verdrijven van de Illusies”), “I’djaaz Ahmadie” (“Ahmadie Wonderen”), “Baraahien Ahmadiyyah” (“Ahmadie Bewijzen”), “Anwaar-oel-Islaam” (“Lichten van de Islaam”), “I’djaaz-oel-Masieh’” (“Wonderen van de Messias”), “at-Tabliegh” (“Het Overbrengen van de Boodschap”) en “Tadjalliyyaat Ielaahieyyah” (“Goddelijke Manifestaties”).

Noor al-Deen (Noereddien): de eerste khaliefah van de qadiyaanies. De Britten plaatsten de kroon van khilaafah op zijn hoofd, waarop de discipelen van Ghulam Ahmad hem volgden. Tot de boeken die hij heeft geschreven, behoort “Fasl al-Khitaab” (“Definitieve Uiteenzetting”).

Muhammad ‘Ali en Khojah Kamaal al-Deen: de twee leiders van de “Lahore Qadiyaanies”. Zij waren degenen die de uiteindelijke vorm hebben gegeven aan de beweging. Muhammad ‘Ali was een spion voor de kolonisten en schreef een verdraaide Engelse vertaling van de betekenissen van de Qor-aan. Zijn andere werken zijn ondermeer: “Haqieqatoel-Ikhtilaaf” (“De Werkelijkheid van de Meningsverschillen”), “An-Noeboewwah fil-Islaam” (“Profeetschap in de Islaam”) en “ad-Dien al-Islaamie” (“De Islamitische Religie”). Hij was ook verantwoordelijk voor het tijdschrift dat de stem was voor de Qaadiyaaniyyah.

Wat Khojah Kamaal al-Deen betreft; hij heeft een boek geschreven, genaamd: “al-Mathal al-A’laa fil-Anbiyaa-e” (“Het Hoogste Voorbeeld onder de Profeten”), en andere boeken. Deze aftakking van Lahore Ahmadies zijn van mening dat Ghulam Ahmad geen profeet was, maar alleen een moedjaddid (iemand die de Islaam nieuw leven inblaast en de Soennah opnieuw tot leven brengt onder de mensen). Maar beide groepen worden gezien als één enkele beweging, want vreemde ideeën die men bij de één niet vindt, zal men zeer zeker bij de ander aantreffen (d.w.z.; ze hebben beiden een zeer afgedwaalde ideologie).

Muhammad Saadiq: de moeftie van de Qaadiyaaniyyah. Tot zijn werken behoort: “Khaatim-oen-Nabiyyien” (“De Laatste der Profeten”).

Basheer Ahmad ibn Ghulam: tot zijn werken behoren: “Sieratoel-Mahdie” (“Het Leven van de Messias”) en “Kalimat al-Fasl” (“Het Definitieve Woord”).

Mahmood Ahmad ibn Ghulam: zijn tweede khalifah. Tot zijn werken behoren: “Anwaar-oel-Khilaafah” (“De Lichten van het Kalifaat”), “Toehfat-oel-Moeloek” (“De Kroon der Koningen”) en “Haqieqatoen-Noeboewwah” (“De Werkelijkheid van het Profeetschap”).

De aanstelling van de qadiyaanie Zafar-Allaah Khaan als de eerste minister van Buitenlandse Zaken voor Pakistan had een grote invloed in de steun aan deze afgedwaalde sekte, aangezien hij hen een groot stuk grond toekende in de provincie Punjab om hun hoofdkwartier op te bouwen, wat zij “Rabwah” (“Hooggelegen Plaats”) noemden, zoals in de aayah (Nederlandstalige interpretatie): “…en Wij gaven hun een onderkomen op een hooggelegen plaats (rabwah), bewoonbaar met stromend water.” [Soerat al-Moe-eminoen (23), aayah 50.]

 

Hun gedachtegoed en geloof

Ghulam Ahmad begon zijn activiteiten als een islamitische daa’ieyah (uitnodiger tot de Islaam), zodat hij volgelingen rond zich kon verzamelen, vervolgens beweerde hij een moedjaddid (hervormer) te zijn die geïnspireerd werd door Allah. Daarna ging hij nog een stap verder en beweerde hij de verwachte Mahdie (Messias) te zijn. Daarna beweerde hij een profeet te zijn en dat zijn profeetschap hoger was dan dat van Moh’ammed (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem).

– De qadiyaanies geloven dat Allah vast, bidt, slaapt, ontwaakt, schrijft, fouten maakt en seksuele gemeenschap heeft. Ver verheven is Allah boven alles wat zij zeggen!

– De qadiyaanie gelooft dat zijn god Engels is, omdat hij tegen hem (Ghulam Ahmad) in het Engels sprak.

– De qadiyaanies geloven dat het profeetschap niet eindigde met Moh’ammed (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem), maar dat het nog steeds gaande is, en dat Allah een boodschapper stuurt wanneer daar behoefte aan is, en dat Ghulam Ahmad de beste van alle profeten is.

– Zij geloven dat Djibriel (de aartsengel Gabriël – vrede zij met hem) gewend was neer te dalen tot Ghulam Ahmad en dat hij openbaringen aan hem bracht, en dat zijn inspiraties als de Qor-aan zijn.

– Zij zeggen dat er geen andere Qor-aan is dan die de “Beloofde Messias” (Ghulam Ahmad) heeft gebracht; en geen h’adieth, behalve wat in overeenstemming is met zijn leerstellingen; en geen profeet, behalve onder het leiderschap van Ghulam Ahmad.

– Zij geloven dat hun boek is geopenbaard. De naam van hun boek is “al-Kitaab al-Moebien” en het verschilt van de Nobele Qor-aan.

– Zij geloven dat zij de volgelingen zijn van een nieuwe en onafhankelijke religie en een onafhankelijke sharie’ah, en dat de vrienden van Ghulam als de sah’aabah zijn (ver verwijderd zijn de nobele sah’aabah van deze verdwaalde individuen!).

– Zij geloven dat Qadiyan als al-Medienah en Mekkah is, zo niet beter dan deze twee, en dat haar grond heilig is. Het is hun qiblah (gebedsrichting) en de plaats waar zij bedevaart naar maken.

– Zij hebben opgeroepen tot de afschaffing van de djihaad en blinde gehoorzaamheid aan de Britse regering, omdat, zoals zij beweerden, de Britten “degenen met gezag” zijn die we in de Qor-aan bevolen worden te gehoorzamen [zie al-Qor-aan 4:59 (#1)].

<<< (#1) Toevoeging van uwkeuze.net – Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de boodschapper en degenen onder jullie met gezag…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 59.] Gezaghebbenden dienen gehoorzaamd te worden, maar alleen wat zij bevelen in gehoorzaamheid tegenover Allah de Verhevene en niet wat ongehoorzaamheid jegens Allah Ta’aalaa met zich meebrengt, want er is geen gehoorzaamheid jegens een schepsel als dat ongehoorzaamheid jegens Allah de Verhevene betekent. Zie o.a. het artikel Uitleg van “Ma’anaa at-Taaghoet – de betekenis van taaghoet.>>>

– Volgens hun mening is elke moslim een kaafir (ongelovige) tenzij hij een qadiyaanie wordt, en eenieder die getrouwd is met een niet-qadiyaanie is (volgens hen) ook een kaafir.

– Zij staan alcohol, opium, drugs en verdovende middelen toe.

 

Intellectuele en ideologische wortels

Sayyid Ahmad Khan’s beweging die verwestering promootte, baande de weg voor de opkomst van de Qaadiyaaniyyah, aangezien het reeds afwijkende ideeën had verspreid.

De Britten benutten deze kans ten volste en aldus begonnen zij de Qadiyaanie-beweging en kozen een man uit, uit een familie die reeds een geschiedenis had met het werken voor de kolonisten.

In 1953 vond er in Pakistan een volksopstand plaats die eiste dat Zafar-Allaah Khan verwijderd zou worden van zijn positie als Minister van Buitenlandse Zaken en dat de sekte van de qadiyaanies (Ahmadiyya) beschouwd zou moeten worden als een niet-islamitische minderheid.

Bij deze opstand vonden zo’n 10.000 moslims de dood, maar zij slaagden er in de qadiyaanie-minister uit zijn functie te laten zetten.

In Rabie’ al-Awwal 1394 H. (april 1974 n.C.), werd er een grote conferentie gehouden door de Muslim World League in Mekkah, welke bij werd gewoond door vertegenwoordigers van moslimorganisaties van over de gehele wereld. Deze conferentie bracht een verklaring voort waarin stond dat deze sekte koeffaar zijn en buiten de Islaam vallen, en dat moslims weerstand moesten bieden tegen haar gevaren en niet met de qadiyaanies samen moesten werken of hun doden moesten begraven in de begraafplaatsen van de moslims.

De “Madjlis-oel-Oemmah” in Pakistan (het centrale parlement) debatteerde met de qadiyaanie-leider Mirza Naasir Ahmad, en hij werd weerlegd door sheikh Moeftie Mahmoed (moge Allah genade met hem hebben). Het debat duurde bijna dertig uur, maar Naasir Ahmad was niet in staat antwoorden te geven en de koefr van deze groep werd blootgelegd. Daarop gaf de Madjlis een verklaring uit waarin stond dat de qadiyaanies beschouwd moesten worden als een niet-islamitische minderheid.

 

Tot de factoren die Mirza Ghulam Ahmad tot een duidelijke kaafir maken, behoren de volgende

– Zijn bewering een profeet te zijn.

– Zijn afschaffing van de plicht tot het voeren van djihaad, om daarmee de belangen van de kolonisten te dienen. (Zie o.a. het artikel Jihad in de Islam.)

– Zijn uitspraak dat mensen niet langer op h’adj zouden moeten gaan naar Mekkah, en dat hij de plaats voor bedevaart van Mekkah verving met Qadiyan.

– Zijn antropomorfisme (het vergelijken van Allah met mensen – of menselijke eigenschappen).

– Zijn geloof in reïncarnatie.

– Het feit dat hij een zoon toe heeft geschreven aan Allah en zijn bewering de zoon van God te zijn.

– Zijn ontkenning dat het profeetschap is geëindigd met Moh’ammed (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem) en het feit dat hij de deur van profeetschap als geopend beschouwd voor elke Jan, Piet en Klaas.

De qadiyaanies (ahmadi’s) hebben sterke banden met Israël. Israël heeft centra en scholen voor hen geopend, en hen geholpen een tijdschrift uit te geven dat als hun spreekbuis dient, en om boeken te publiceren om wereldwijd te distribueren. (Noot van Abdul-Jabbar: ook in Nederland werken zij samen met het CIDI; het Centrum Informatie en Documentatie Israël).

Het feit dat zij beïnvloed zijn door het Jodendom, Christendom en al-Baatiniyyah wordt duidelijk uit hun geloofsleer en praktijk, alhoewel zij beweren moslims te zijn.

 

Hun verspreiding en invloedrijke posities

De meeste qadiyaanies vandaag de dag leven in India en Pakistan, en enkele aanhangers in Israël en de Arabische wereld. Overal waar zij leven, proberen ze met de hulp van de kolonisten invloedrijke posities te krijgen.

De qadiyaanies zijn erg actief in Afrika en in sommige westerse landen. In Afrika hebben ze meer dan 5000 leraren en doe’aat (meervoudsvorm van daa’ieyah – degene die anderen tot de Islaam uitnodigt, iemand die bezig is met da’wah: zie de artikelen in de rubriek Da’wah) die full-time werken om mensen uit te nodigen tot al-Qaadiyaaniyyah. Hun wijdverbreide activiteit bewijst dat zij de steun hebben van de kolonisten.

De Britse regering steunt deze beweging ook en maakt het haar volgelingen gemakkelijk om posities te krijgen in regeringen, directies van bedrijven en consulaten. Sommigen van hen zijn ook hoge officieren bij inlichtingendiensten.

In het oproepen van mensen tot hun geloofspunten, gebruiken de qadiyaanies allerlei methoden, met name educatieve middelen, aangezien zij vaak hoogopgeleid zijn, en er zich vele wetenschappers, ingenieurs en doktoren in hun gelederen bevinden. In Engeland bestaat er een satellietzender die “Islamic TV” heet en die gerund wordt door qadiyaanies.

 

Uit bovenstaande informatie wordt duidelijk dat:

De Qaadiyaaniyyah een misleide groep is, die helemaal geen onderdeel uitmaakt van de Islaam. Haar geloofspunten zijn volledig tegenstrijdig aan die van de Islaam, dus de moslims zouden op hun hoede moeten zijn voor hun activiteiten, aangezien de ‘oelemaa-e van de Islaam hebben verklaard dat zij kaafirien (ongelovigen) zijn.

Zie voor meer informatie het boek over al-Qaadiyaaniyyah door Ihsaan Ilaahi Zaheer.

(Dit boek is ook beschikbaar in het Engels onder de titel:“Qadiyaniat: an analytical survey”, door Ehsan Elahi Zaheer). Zie voor meer informatie ook: “al-Mawsoe’ah al-Moeyassarah fi’l-Adyaan wal-Madhaahib wa’l-Ahzaab al-Moe’aasirah” door Dr. Maani’ Hammad al-Djoehanie, 1/419-423.)

De volgende verklaring werd gepubliceerd door het “Islamic Fiqh Council” (“Madjma’ al-Fiqh al-Islaamie”):

Na het bespreken van de vraag die gesteld is aan de “Islamic Fiqh Council” in Kaapstad, Zuid Afrika, aangaande het oordeel over de qadiyaanies en hun vertakking die bekend staat als de Lahoriyyah, en of zij als moslims gezien moeten worden of niet, en of een niet-moslim bevoegd is om een kwestie van deze aard te onderzoeken:

In het licht van onderzoek en documenten die aan de leden van het comité zijn voorgelegd aangaande Mirza Ghulam Ahmad Qadiyaanie, die tijdens de vorige eeuw verscheen in India en aan wie de qadiyaanie- en lahore beweging worden toegeschreven, en na de informatie over deze twee groepen grondig bestudeerd te hebben, en na de bevestiging gezien te hebben dat Mirza Ghulam Ahmad een profeet beweerde te zijn die een openbaring heeft ontvangen, een bewering die terug te vinden is in zijn eigen geschriften en toespraken, waarvan hij heeft beweerd sommige ontvangen te hebben als openbaring, een bewering die hij zijn hele leven verkondigde en waarin hij mensen vroeg te geloven, net zoals het overbekend is dat hij vele andere zaken ontkende waarvan vaststaat dat ze essentiële elementen van de islamitische religie uitmaken. In het licht van bovenstaande informatie, vaardigde het comité de volgende verklaring uit:

Ten eerste: de beweringen van Mirza Ghulam Ahmad een profeet te zijn of een boodschapper en een openbaring ontvangen te hebben zijn duidelijk een verwerping van bewezen en essentiële elementen van de Islaam, welke ondubbelzinnig verklaren dat het profeetschap is geëindigd met Moh’ammed (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem), en dat er geen openbaring zal komen naar iemand na hem. (#2) Deze bewering die gedaan wordt door Mirza Ghulam Ahmad maakt hem, en eenieder die het met hem eens is, tot een afvallige (moerted) die buiten de grenzen van de Islaam staat. Wat de Lahoriyyah betreft; zij zijn als de Qaadiyaaniyyah: hetzelfde oordeel van afvalligheid geldt voor hen, ondanks het feit dat zij Mirza Ghulam Ahmad hebben omschreven als een schaduw en een manifestatie van onze profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem) (en dus niet als nieuwe profeet).

<<< (#2) Toevoeging van uwkeuze.net – Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Moh’ammed is geen vader van één van jullie mannen, maar hij is de boodschapper van Allah en de laatste der profeten…” [Soerat al-Ah’zaab (33), aayah 40.] Dit geeft duidelijk aan dat er geen profeet/boodschapper meer na hem zal komen. Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘aleyhie wa sellem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): ‘Mijn gelijkenis in vergelijking tot de andere profeten vóór mij is dat van een man die een huis gebouwd heeft, goed en mooi, behalve een plaats voor één baksteen in een hoek. De mensen begonnen erom heen te lopen en stonden verbaasd van de schoonheid ervan en zeiden: ‘Als deze baksteen maar op zijn plaats geplaatst zou worden!’ Dus ik ben die baksteen, en ik ben de laatste van de profeten.’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)>>>

Ten tweede: een niet-islamitische rechtbank of rechter is niet bevoegd om een oordeel uit te spreken over wie een moslim is en wie een afvallige is, zeker als dit de consensus van de geleerden en organisaties van de moslimoemmah tegenspreekt. Wettelijke uitspraken van deze aard zijn niet acceptabel, tenzij ze door een moslimgeleerde zijn uitgevaardigd die alle voorwaarden kent voor het moslim zijn, die weet wanneer iemand wellicht iemand de grens heeft overschreden en een afvallige is geworden, die de werkelijkheid kent rondom Islaam en koefr, en die een uitgebreide kennis heeft over wat er in de Qor-aan, de Soennah en de consensus (al-idjmaa’) van de geleerden staat vermeld. De uitspraak van een rechtbank van dien aard is ongeldig. En Allah weet het beste.” (Zie het artikel Het gevaar van het ongelovig verklaren van individuen.)

(Madjma’ al-Fiqh al-Islaamie, p. 13.)

Sheikh Mohammed Salih al-Munajjid

 

Relevante artikelen:

Het behouden van de geloofsleer (‘aqiedah) en het ontstaan van sekten

Algemene principes van Ahloes-Soennah wal-Djamaa’ah (moedjmal oesool Ahloes-Soennah wal-Djamaa’ah fil-‘aqiedah – samenvatting van de fundamentele principes van de mensen van de Soennah en de Djamaa’ah aangaande de geloofsleer)