Ontwikkeling van fiqh

De islamitische wet: bronnen, wetscholen (madzaahib) en meningsverschillen.

Fiqh ontwikkelingLees ook De islamitische shariaSharie’ah en fiqh: kent u het verschil? —  Introductie tot de kennis van oesoel al-fiqh – de fundamenten van de islamitische jurisprudentie.

Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, degenen die hun religie opsplitsten en sekten werden (ieder overtuigd van hun weg), jij (O Moh’ammed) bent in geen enkel opzicht verantwoordelijk voor hen. Waarlijk, hun oordeel is slechts aan Allah, Die vervolgens hen zal berichten betreffende hetgeen zij gewoon waren te doen.” [Soerat al-An’aam (6), aayah 159.]

Allah de Verhevene zegt ook (Nederlandstalige interpretatie): “En houd jullie gezamenlijk vast aan het koord van Allah (d.w.z. de Qor-aan, het verbond van Allah) en wees niet onderling verdeeld…” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 103.]

Gebaseerd op het werk van Dr. Abu Ameenah Bilal Philips (zie het boek onder aan deze pagina). Vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

In Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle

Alle lof zij Allah, de Heer der werelden. Allahs zegeningen en vrede zijn met de profeet Moh’ammed, zijn familie en metgezellen en iedereen die hun voetstappen volgt tot aan de Laatste Dag. Voorts:

Na de inleiding volgen de volgende hoofdstukken:

De bronnen van islamitische wetgeving
De eerste madzhab (wetschool)
Nieuwe gebieden, nieuwe culturen, nieuwe problemen
Het ontstaan van meerdere madzaahib (wetscholen)
Ontwikkeling van fiqh en madzaahib
De madzaahib werden sektarisch
Taqlied (het blindelings volgen van een madzhab)
De a-immah (imams) en taqlied
De Qor-aan keurt conflict en onenigheid onder moslims expliciet en impliciet af
Conclusie
Tegenstrijdigheden en afwijkingen

 

Inleiding

Samenleving en wet zijn onlosmakelijke delen van elkaar. Toen de menselijke gemeenschap zich ontwikkelde, ontwikkelde en vorderde de jurisprudentie zich ook. Islamitische gezien, werd de mens geschapen om de wereld te besturen met de goddelijke wet. Inderdaad, de eerste mens op aarde verscheen met goddelijke leiding betreffende alle aspecten van het leven. Maar de kinderen van Adam weken geleidelijk aan van het pad af en probeerden wetten toe te passen die door mensen gemaakt werden en zij slaagden er keer op keer in om de door Allah gezegende weg te mijden en schenden. De Meest Barmhartige zond uiteindelijk Zijn voortdurende Boek, de Qor-aan, geopenbaard aan Zijn laatste boodschapper Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

De islamitische gemeenschap ontleent wettige leiding van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zelf en van de tekst van de Qor-aan. Later leidden zijn metgezellen en de vier rechtgeleide khaliefen (moge Allah tevreden zijn met hen), wanneer er zich enige nieuwe situatie voor deed, de wet af in het licht van de Qor-aan en de Soennah (weg, voorbeeld) van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Aldus begon de eerste fase van fiqh, wat letterlijk begrip betekent. Islamitisch betekent het de islamitische jurisprudentie, wetgeving. De volledige definitie van fiqh is: het kennen van de islamitische oordelen over islamitische praktijkzaken met daarbij de uitgebreide duidelijke bewijsvoering.

We kunnen zeggen dat de ontwikkeling van de jurisprudentie in de Islaam goddelijk geleid werd. [Islaam houdt overgave aan Allah in, door erkenning van Zijn Eenheid (tawh’ied), gehoorzaamheid aan Zijn bevelen en het mijden van shirk (polytheïsme) en haar aanhangers.]

 


De bronnen van islamitische wetgeving

1.) De Qor-aan

De Qor-aan, de Woorden van God, Allah de Verhevene, was de eerste bron van wet en zijn inhoud werd unaniem geaccepteerd als authentiek. Echter, er waren enkele meningsverschillen betreffende de interpretatie van sommige aayaat (verzen).

Zie de Koran (al-Qor-aan) voor diverse artikelen over de Qor-aan.

2.) De Soennah

Ah’aadieth (overleveringen – woorden, daden en stilzwijgende goedkeuringen) van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) waren daarna het meest belangrijk. Geleerden stelden verschillende voorwaarden op voor hun acceptatie en toepassing.

Zie het artikel Inleiding tot de Soennah.

3.) Mening van de sah’aabah (metgezellen van de profeet)

De mening van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen), hetzij als groep of individueel, werd beschouw als derde meest belangrijke bron van wet. Deze bron werd in twee delen verdeeld volgens het standpunt ingenomen door de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen).

3.a. Als zij het over een mening eens waren, dan werd er naar verwezen als idjmaa’ (overeenstemming, consensus).

3.b. Als zij andere meningen hadden over een enkele kwestie, dan werd er naar elke mening verwezen als raa’i (persoonlijke mening).

4.) Qiyaas

Idjtihaad (qiyaas: beredenering) gebaseerd op bewijs gevonden in de Qor-aan, de Soennah of idjmaa’, kwam als volgende in rangschikking naar belangrijkheid. De methode van beredenering die gebruikt werd was een manier van analogische gevolgtrekking, qiyaas genaamd. Een voorbeeld van qiyaas is het verbod op marihuana gebaseerd op de verklaring van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “Elk bedwelmend middel is khamr en elke vorm van khamr is h’araam (verboden).” (Overgeleverd door Moeslim en Aboe Daawoed.)

Aangezien marihuana een bedwelmend effect heeft, kan het geclassificeerd worden als khamr en dus h’araam (verboden).

Qiyaas is een analogische gevolgtrekking; uitspraken en oordelen gegeven door de islamitische geleerden. Deze worden gegeven volgens de volgende bewijzen, respectievelijk: (A) van de Qor-aan, (B) van de Soennah van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), (C) van het unaniem geaccepteerde oordeel van de moedjtahidoen, (D) qiyaas: d.w.z. het oordeel gegeven door een moedjtahid die de aangelegenheid gelijkwaardig beschouwd in vergelijking met een aangelegenheid beoordeeld door de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Qiyaas vindt niet plaats behalve als het oordeel van de aangelegenheid niet gevonden kan worden in de eerste drie bovenvermelde bewijzen, A, B en C.

5.) Istih’saan (wettige voorkeuren)

Dit principe heeft betrekking op de voorkeur van een mening gebaseerd op een van de situatie afhankelijke behoefte boven een mening gebaseerd op qiyaas. Dit principe, waar met meerdere namen naar verwezen wordt (bijvoorbeeld istislaah), werd gebruikt door geleerden van de meeste rechtsscholen. Een toepassing van istih’saan kan gevonden worden in de behandeling van een contract voor het produceren en verkopen van een voorwerp. Volgens qiyaas, gebaseerd op de verklaring van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “Eenieder die voedsel verkoopt dient dit niet te doen voordat hij het in zijn eigen bezit heeft,” (verhaald door Ibn ‘Oemar en overgeleverd door Maalik, in Moewatta-e Imaam Maalik) zijn dit soort contracten ongeldig, aangezien het item niet bestaat op het moment van het sluiten van het contract. Echter, aangezien zulke contracten algemeen geaccepteerd zijn door mensen en de behoefte van zulke contracten duidelijk is, komt de bepaling van qiyaas te vervallen en zijn zulke contracten toegestaan, gebaseerd op het principe van voorkeur (istih’saan).

6.) ‘Oerf (gewoonte)

Plaatselijke gewoonten werden geaccepteerd als een bron van wet in een bepaald gebied zolang deze niet in tegenspraak waren met enige principes van de islamitische jurisprudentie; bijvoorbeeld plaatselijke huwelijksgebruiken betreffende de bruidsschat. Volgens de islamitische wet dient men over de bruidsschat (mahr) overeen te komen als onderdeel van het huwelijkscontract, maar er is geen vaste tijd bepaald wanneer dit betaald moet worden. Het is de gewoonte van de Egyptenaren, alsook van anderen, dat een deel ervan, wat men moeqaddam noemt, betaald dient te worden vóór de huwelijksplechtigheid, terwijl het overgebleven deel, de moe-akhkhar, alleen betaald hoeft te worden indien de echtgenoot overlijd, of bij een scheiding, afhankelijk van wat er als eerste plaatsvindt. (Muhammad Mustafa Shalabi, Oesoel al-Fiqh al-Islaami.)

Een ander voorbeeld van ‘oerf kan gevonden worden in huurgewoonten. De islamitische wet vereist geen betaling van een prijs totdat het voorwerp dat verkocht is compleet geleverd is. Echter, het is de geaccepteerde gewoonte dat er huur betaald wordt voordat de gehuurde plaats of voorwerp voor de overeengekomen periode gebruikt is (met andere woorden, men betaalt vooraf).

Hoewel dit proces van organisatie en classificatie voor het grootste deel een positieve ontwikkeling was, diende het niettemin ook, gekoppeld aan de heersende neigingen tot partijzucht, als bijdrage voor grote kloven tussen de madzaahib (islamitische wetscholen, stromingen). Aldus vinden we dat kleine verschillen in de terminologie gegeven aan hetzelfde principe, bronnen worden van onenigheden en oppositie. Bijvoorbeeld, de Maalikie madzhab beschouwde het H’anafie principe van istih’saan als onacceptabel, maar paste hetzelfde principe toe onder de naam moesaalih’ moersalah. Terwijl de Shaafi’ie madzhab beide termen verwierp en een gelijksoortig principe toepaste maar het istis-h’aab noemde. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

Wakers van de sharieah

 


De eerste madzhab (wetschool)

De islamitische wetgeving (sharie’ah) bestond in de allervroegste periode (in al-Medienah) uit de wetten van de sharie’ah welke geopenbaard waren en genoteerd in de Qor-aan en de Soennah. Zij hadden voornamelijk betrekking op de ideologische stichting van de Islaam, imaan (geloof) en de sociaal-economische wetten noodzakelijk voor de organisatie van de jonge islamitische staat in al-Medienah.

De basis van wetgeving in de Qor-aan was om de mensen te verbeteren, als zodanig werden profijtvolle menselijke gewoonten en praktijken erkend en opgenomen in de massa van goddelijke wetgeving. Om het doel van verbetering te bereiken, verenigde de Qor-anische wetgeving de principes van:

– Verwijdering van moeilijkheden

– Vermindering van religieuze verplichtingen

– Verwezenlijking van het openbaar welzijn

– Verwezenlijking van universele rechtvaardigheid

Deze periode markeert het begin van de ontwikkeling van fiqh (islamitische jurisprudentie, wetgeving) en het was tijdens deze periode dat de fundamenten van de wetenschap van het afleiden van wetten van de Qor-aan en de Soennah door de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werden gelegd.

We kunnen zeggen dat in deze periode de eerste madzhab (rechtsschool) vorm kreeg omdat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) trainde in idjtihaad.

De basis van de deductieve fiqh principes (om iets als logische, bijzondere conclusie te trekken uit algemene feiten), idjmaa’ (overeenkomst) en qiyaas (idjtihaad), werd gelegd tijdens de periode van de Khoelafaa-e ar-Raashidien, de rechtgeleide khaliefen (moge Allah tevreden zijn met hen).

 


Nieuwe gebieden, nieuwe culturen, nieuwe problemen

De snelle aanwinst van grote nieuwe gebieden bracht de moslims plotseling in contact met vele nieuwe culturen, en dit veroorzaakte een massa aan nieuwe problemen welke niet specifiek omvat werden door de wetten van de sharie’ah. Juridische bepalingen werden toenemend noodzakelijk, en de rechtgeleide khaliefen (moge Allah tevreden zijn met hen) ontwikkelden geleidelijk aan bepaalde procedures om tot idjtihaad te komen met een minimum aan onenigheid. De sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) volgden over het algemeen ook besluitvormende procedures die hen hielpen om harde en gevoelige bepalingen te vermijden.

De gecombineerde goedkeuring van de rechtgeleide khaliefen en de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) met betrekking tot juridische bepalingen, neigde naar de bevordering van eenheid en zorgde voor weinig of geen aanleiding voor partijzucht binnen de islamitische gemeenschap (de oemmah).

Er bestond maar één madzhab tijdens de periode van de rechtgeleide khaliefen (moge Allah tevreden zijn met hen). Deze verenigde benadering van fiqh voorkwam tot aan het einde van de periode, de opkomst van madzaahib die niet verbonden waren aan de staat. Er werd bijzondere nadruk gelegd op het bestuderen van de Qor-aan door de massa, terwijl buitensporige citatie van ah’aadieth (overleveringen) werd ontmoedigd.

Hoewel er onder de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) wat verschil was in de benadering met betrekking tot het gebruik van persoonlijke meningen, resulteerde dit verschil niet in partijzucht tijdens deze periode.

Voor zover fiqh betreft, bleef er één algemene benadering, dat wil zeggen één madzhab. Maar de verschillende praktijken van sah’aabah als Ibn ‘Oemar in al-Medienah en ‘Abdoellaah ibn Mas’oed in Kufa (Irak) met betrekking tot het gebruik van persoonlijke meningen, kan gezien worden als het eerste begin of de voorbode van een verdeling van islamitische geleerden in verschillende madzaahib.

 


Het ontstaan van meerdere madzaahib (wetscholen)

De eerste pogingen tot het verzamelen van fiqh werden tijdens de periode van Banoe Oemayyah ondernomen.

De geleerden van fiqh volgden tijdens deze periode twee hoofdtrends bij het maken van hun regels: die van Ahl al-H’adieth (de mensen van h’adieth) en Ahl ar-Raa’i (de mensen van opinie). Met de verspreiding van de geleerden, doordat de islamitische staat enorm groeide en de leiders van die enorme staat langzaam aan steeds meer afweken en de geleerden vervolgden, was er een duidelijke toename in hun individuele idjtihadaat. Het algemene resultaat was de evolutie van een aantal nieuwe madzaahib.

Beide principes van zowel idjmaa’ als consultatieve regering raakten verloren doordat de geleerden het verloederende hof van de Oemayyaden vermeden.

Om de essentiële islamitische principes te beschermen tegen de Oemayyadische afwijking van de Soennah, verlieten de uiteengedreven geleerden zich op frequente vertellingen van ah’aadieth en verzamelden de juridische bepalingen van de meest prominente juristen van onder de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen).

Sociale onrust en oproer waren wijd verspreid tijdens deze periode en er ontstonden een aantal religieuze sekten en politieke groepen.

Tijdens deze periode ontstond ook voor het eerst het fenomeen van het verzinnen van ah’aadieth als ondersteuning voor sektarische meningen. Geleerden zagen zich daarom genoodzaakt om de ah’aadieth te verzamelen en ze kritisch te analyseren.

 


Ontwikkeling van fiqh en madzaahib

Fiqh nam tijdens deze periode de duidelijke vorm aan van een onafhankelijke islamitische wetenschap. De vele madzaahib die waren verschenen in het laatste deel van de Oemayyadische periode bloeiden en de opleidingscentra namen door heel de Abbasidische staat toe met behulp van de staat.

Voor het eerst werd de fiqh van de verschillende madzaahib succesvol op grote schaal en systematisch verzameld.

Fiqh werd in twee hoofdelementen verdeeld: oesoel (fundamentele principes) en foeroe’ (secondaire principes) en de voornaamste bronnen van de islamitische wetgeving werden duidelijk gedefinieerd en gerangschikt.

Tegen het einde van deze fase werd ook de Soennah in zijn volledigheid verzameld en opgeschreven in boeken van ah’aadieth.

Tijdens de eerste helft van deze periode, bleven de madzaahib, onder leiding van hun stichters, een grote hoeveelheid aan onderlinge veranderingen van ideeën ondergaan. Echter, onder de tweede generatie studenten was er een trend richting onbuigzaamheid en een afbraak van de flexibiliteit wat de periode van de grote a-immah (imams) en de geleerden vóór hen karakteriseerde.

De grote madzaahib waren: de H’anafie madzhab, de Maalikie madzhab, de Shaafi’ie madzhab, de H’anbalie madzhab en de Zaydie madzhab. Deze bleven voortbestaan voornamelijk vanwege de steun van de staat en een groot aantal voortreffelijke eerste generatie studenten.

De meest belangrijke van de kleinere madzaahib waren: de Awzaa’ie madzhab, de Laythie madzhab, de Thawrie madzhab, de Dhzaahirie madzhab en de Djarierie madzhab. Deze hielden op te bestaan ofwel door politieke factoren of hun studenten waren niet in staat om de uitspraken van de stichter te boek te stellen voor het nageslacht.

De voornaamste bronnen van islamitische wetgeving waar alle grote madzaahib het over eens waren, zijn: de Qor-aan, de Soennah, idjmaa’ van de sah’aabah en qiyaas.

Alle grote madzaahib bepaalden voorwaarden voor de acceptatie van de Soennah als een primaire bron van islamitische wetgeving:

– De H’anafie madzhab bepaalde dat de h’adieth algemeen bekend moest zijn (mash-hoor).

– De Maalikie madzhab eiste dat de h’adieth niet in tegenspraak was met de idjmaa’ van de Medienezen.

– De Shaafi’ie madzhab stond er op dat de h’adieth authentiek was (sah’ieh’).

– De H’anbalie madzhab eiste alleen dat de h’adieth aan de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) toegeschreven werd en niet verzonnen was. Aldus werden ah’aadieth van twijfelachtige authenticiteit beschouwd als een deel van de Soennah.

De controversiële bronnen van islamitische wetgeving waren:

Istih’saan en idjmaa’ van geleerden, gebruikt door de H’anafie madzhab.

Istislaah’, idjmaa’ van de Medienezen en hun gewoonten, gebruikt door de Maalikie madzhab.

‘Oerf, gebruikt door zowel de H’anafie als de Maalikie madzaahib.

– Zwakke (dha’ief) h’adieth, gebruikt door de H’anbalie madzhab.

Aqwaal ‘Aliy (bepalingen en uitspraken van de vierde rechtgeleide khalief ‘Aliy ibn Abie Taalib), gebruikt door de Zaydie madzhab.

Afwijkende uitspraken ontstonden door verschillen in interpretatie die op hun beurt weer ontstonden door verschillen in woordbetekenissen (gedeeld, letterlijk en figuurlijk) en grammaticale constructies.

Met betrekking tot de toepassing van ah’aadieth, ontstond er een verscheidenheid aan wettelijke bepalingen afhankelijk van het niveau van beschikbaarheid van de ah’aadieth, hun authenticiteit, de voorwaarden opgelegd met betrekking tot hun aanvaardbaarheid en de methoden van het oplossen van tekstuele conflicten.

Sommige a-immah (imams) ontwikkelden bepaalde secundaire juridische principes en oordeelden volgens deze principes. Zowel de principes als de bepalingen werden door andere a-immah afgewezen (b.v. istih’saan en idjmaa’ van de Medienezen).

Het secundaire principe van qiyaas werd in het algemeen geaccepteerd, maar de regels die de deductieve methoden beheersten, varieerden onder de a-immah, wat resulteerde in verschillen met betrekking tot hun oordelen over dezelfde kwesties. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

Kennis lui

 


De madzaahib werden sektarisch

De meerderheid van de madzaahib die floreerden tijdens de vroegere perioden, verdwenen en slechts vier bleven bestaan. De madzaahib bereikten hun uiteindelijke vorm van systematisering en organisatie. Idjtihaad buiten de structuur van de madzhab stopte en idjtihaad madzhabie kwam er voor in de plaats. Vergelijkende fiqh ontstond, maar werd hoofdzakelijk gebruikt om sekte-ideeën te bevorderen.

Dit vond plaats in de periode tussen het jaar 950 n.C. en de plundering van Bagdad (door de Mongolen in 1258 n.C.) en het staat voor het verval van de Abbasiden dynastie tot hun uiteindelijke ondergang.

Alle vormen van idjtihaad werden genegeerd en het blindelings volgen (taqlied) van één van de vier madzaahib werd verplicht gemaakt voor alle moslims. De vier madzaahib werden volledig onverenigbaar en de moslim-oemmah werd in feite in vier religieuze sekten verdeeld.

Wetenschappelijke activiteit werd beperkt tot het schrijven van commentaren op vorige werken en het promoten van de positie van de persoonlijke madzhab van de schrijver, zoals in de vorige periode. Er werden door bepaalde hervormers prijzenswaardige pogingen ondernomen om de originele en dynamische aard van fiqh te doen herleven, maar hun pogingen bleken niet voldoende te zijn om het madzhab fanatisme, dat zo diep ingeworteld was, met wortel en al uit te trekken.

Pogingen tot het codificeren van de islamitische wetgeving werden ondernomen, maar de resultaten leden aan de sektarische meningen, en met de opkomst van het Europese kolonialisme werden zij vervangen door de Europese wetboeken.

 


Taqlied (het blindelings volgen van een madzhab)

De laatste jaren is er wat vermindering in het madzhab fanatisme, als resultaat van de hervormingsbewegingen en het wijdverspreid onderwijzen van vergelijkende fiqh in moderne onderwijsinstellingen. De toestand van stilstand en achteruitgang van fiqh en het bestaan van madzhab partijzucht, is blijven bestaan tot aan de dag van vandaag.

De meeste moslims zijn zich niet bewust dat het blindelings volgen van een madzhab (taqlied) absoluut tegen het standpunt en leringen van de stichters van de madzaahib in gaat. Alle grote a-immah (imams) en hun studenten worden in de geschiedenis vermeld als zijnde fel tegen het blindelings volgen van hun meningen. In de plaats daarvan benadrukten zij herhaaldelijk de belangrijkheid van verwijzing naar de voornaamste bronnen, de Qor-aan en de Soennah, als de basis van juridische bepalingen.

De a-immah en hun studenten benadrukten voortdurend het feit dat hun oordelen vatbaar waren voor fouten.

De a-immah gaven prioriteit aan authentieke ah’aadieth boven hun eigen meningen. Op basis van de authentieke ah’aadieth die niet beschikbaar waren voor de a-immah, omdat die toen nog niet volledig verzameld waren, verwierpen hun studenten later verschillende bepalingen die voorheen door de a-immah gemaakt waren.

Het geven van voorkeur aan het oordeel van een madzhab boven een authentieke h’adieth grenst aan shirk (afgoderij) aangezien zo’n voorkeur in strijd is met de loyaliteit verplicht aan Allah de Verhevene en Zijn gekozen boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

Alle moslims zijn verplicht om de bepalingen van de vroegere geleerden te volgen met gezond verstand en dienen er zelf goed over na te denken (ittibaa’), om de oorspronkelijke zuiverheid van de Islaam in stand te houden zoals dat aan de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) geopenbaard is en doorgegeven is aan zijn metgezellen (moge Allah tevreden zijn met hen).

Het standpunt van de algemeenheid van moslims is, helaas, dat de vier madzaahib onfeilbaar zijn, iedereen moet één van hen volgen en volgelingen moeten niet van madzhab veranderen of bepalingen van andere madzaahib kiezen. [Onder de titel Madzhab of the Convert schrijft de auteur van Taqleed and Ijtihaad: “Als zo’n persoon leeft in een plaats waar een bepaalde madzhab dominant is, dan dient hij de madzhab te volgen op grond van de dominantie. Als hij in een plaats is waar meerdere madzaahib op een min of meer gelijkwaardige basis van kracht zijn, dan is hij vrij om de madzhab te kiezen die voor hem acceptabel is. Maar als de keuze gemaakt is, zal hij verplicht zijn om standvastig bij de madzhab van zijn keuze te blijven.” (p. 12).]

Degene die de mening van de onfeilbaarheid van de madzaahib niet onderschrijft, of niet één van de vier madzaahib volgt, wordt gewoonlijk maar onterecht geclassificeerd als een ketter en onjuist bestempeld als “wahhabie” of “Ahl-i-Hadith”. De ah’aadieth die gebruikt worden om het madzhab sektarisme te verdedigen, zijn ofwel verkeerd geïnterpreteerd of niet authentiek.

 


De a-immah (imams) en taqlied

Aboe H’aniefah ontmoedigde zijn studenten om zijn meningen op te schrijven, aangezien deze vaak gebaseerd waren op qiyaas (analogische gevolgtrekking). Maar hij maakte een uitzondering voor die meningen waarover grondig gediscussieerd was en waar al zijn studenten het over eens waren. Zijn student Aboe Yoesoef verhaalde dat de imaam eens tegen hem zei: “Wee jij, O Ya’qoeb. Schrijf niet alles wat je van mij hoort op, want zeker, vandaag kan ik een mening hebben en er morgen afstand van nemen, een andere morgen innemen en er afstand van nemen de dag erna.” [Overgeleverd door ‘Abbaas en Ad-Doerie in at-Taariekh door Ibn Moe’ien (Mekkah: King ‘Abdul Aziz University, 1979), vol. 6, p. 88.]

Deze houding van de imaam weerhield zijn studenten ervan om zijn meningen blind te imiteren en droeg bij aan de ontwikkeling van respect voor hun eigen meningen alsook die van anderen.

Imaam Aboe H’aniefah uitte ook vele krachtige verklaringen met betrekking tot het blind volgen van zijn meningen en die van zijn studenten. In feite verbood hij iedereen strikt om hun meningen te volgen of om juridische bepalingen te maken gebaseerd op die meningen, tenzij zo’n persoon bekend was met de bewijzen die hij en zijn studenten gebruikt hadden en de bronnen waar zij die van hadden afgeleid. Er is overgeleverd door zijn student Dhzafar dat de imaam gezegd heeft: “Het is voor iedereen die mijn bewijzen niet kent, verboden om een oordeel te vellen volgens mijn verklaringen, want voorwaar, wij zijn slechts mensen, wij kunnen vandaag iets zeggen en het morgen verwerpen.” (Ibn ‘Abdoel-Barr, al-Intiqaa fie Fadhaa’il ath-Thalaathah al-A-immah al-Foeqahaa, Cairo, Maktab al-Qudsi, 1931, p. 145.)

Aboe H’aniefah was zich altijd bewust van zijn beperkingen. Derhalve wees hij zijn studenten en iedereen die voordeel wilde halen uit zijn grondig begrip van Islaam, er op dat de Qor-aan en de Soennah het fundamentele criterium voor goed en fout was; wat hiermee in overeenstemming is, is juist, en wat hiermee niet in overeenstemming is, is onjuist. Zijn student Moh’ammed ibn al-H’asan verhaalde dat hij gezegd heeft: “Als ik een bepaling gemaakt heb die strijdig is met het Boek van Allah of de h’adieth van de boodschapper, verwerp dan mijn bepaling.” (Al-Foelaani, Eeqaadh al-Himam, Cairo, al-Muneeriyah, 1935, p. 50.)

Er is ook overgeleverd dat hij het feit naar voren bracht dat de acceptatie van betrouwbare ah’aadieth het principe was dat gevolgd diende te worden als iemand zijn madzhab wilde volgen zoals hij het bedoeld heeft om te volgen. Imaam Ibn ‘Abdoel-Barr verhaalde dat imaam Aboe H’aniefah gezegd heeft: “Als er een h’adieth sah’ieh’ (authentiek) bevonden wordt, het is mijn madzhab.” (Ibn ‘Aabidien, al-Haashiyah, Cairo, al-Muneeriyah, 1833-1900, vol. 1, p. 63.)

Imaam Maalik aarzelde nooit om zijn oordeel te veranderen, ook al had hij die al in het openbaar geuit, als er van een betrouwbare bron bewijs voor zijn ongelijk tot hem kwam. Een van zijn voornaamste studenten, Ibn Wahb, bevestigde deze houding van de imaam, zeggende: “Ik hoorde eens iemand aan Maalik vragen over het wassen tussen de tenen tijdens de woedhoe-e, waarop hij antwoordde: ‘Men hoeft dit niet te doen.’ Ik wachtte totdat de meeste mensen de studiegroep hadden verlaten en informeerde hem dat er een h’adieth was met betrekking tot dit (onderwerp). Hij vroeg wat dit was, dus ik zei dat al-Layth ibn Sa’d, Ibn Loehay’ah en ‘Amr ibn al-H’aarith allen verhaalden van al-Moestawrid ibn Shidaad al-Qoerashie, dat hij zag dat Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) met zijn pink tussen zijn tenen wreef. Maalik zei: ‘Ongetwijfeld is dit een goede h’adieth die ik voorheen nooit gehoord heb.’ Toen ik later mensen hoorde vragen aan Maalik over het wassen tussen de tenen, stond hij erop dat het gewassen moest worden.” (Ibn Abie H’aatim, al-Djarh’ wat-Ta’diel, Hyderabad, India: Majlis Daa’irah al-Ma’aarif al-‘Uthmaaniyah, 1952, voorwoord, p. 31-33.)

Deze overlevering is duidelijk bewijs dat Maaliks madzhab, zoals ook die van Aboe H’aniefah, die van de betrouwbare h’adieth is, ook al hebben we geen specifieke verklaring van hem die hier op duidt, zoals wel het geval is bij Aboe H’aniefah.

Maalik benadrukte ook het feit dat hij vatbaar voor fouten was en dat de enige bepalingen die van hem gebruikt dienden te worden, die regels waren die niet in conflict waren met de Qor-aan en de ah’aadieth. Ibn ‘Abdoel-Barr verhaalde dat imaam Maalik eens zei: “Waarlijk, ik ben slechts een mens, soms vergis ik me en soms heb ik gelijk; dus onderzoek mijn meningen grondig, neem vervolgens dat wat in overeenstemming is met het Boek en de Soennah, en verwerp dat wat aan hen strijdig is.” (Ibn ‘Abdoel-Barr, Jaami’ Bayaan al-‘Ilm, Cairo, al-Muneeriyah, 1927, p. 32.)

Deze verklaring toont duidelijk aan dat de Qor-aan en de ah’aadieth de voorkeur kregen boven al het andere, van deze grote geleerde die nooit van plan was dat zijn meningen onbuigzaam gevolgd zouden worden. In feite, toen de Abbasidische khaliefen Aboe Dja’far al-Mansoer (regeerde van 759 tot 755 n.C.) en H’aroen ar-Rashied (regeerde van 786 tot 809 n.C.) Maalik verzochten om hen toe te staan om zijn verzameling van ah’aadieth, met de naam al-Moewatta-e, het officiële gezaghebbende wetboek te maken, weigerde hij in allebei de aangelegenheden en benadrukte dat de sah’aabah door heel het land verspreid waren en vele ah’aadieth hadden achtergelaten die niet in zijn verzameling teruggevonden werden. Aldus wees Maalik de kans af om zijn madzhab de officiële madzhab te maken van de islamitische staat. Hierdoor gaf hij een goed voorbeeld wat voor anderen verstandig geweest zou zijn om dat te volgen.

Imaam as-Shaafi’ie benadrukte, net zoals zijn leraar imaam Maalik, in niet mis te verstane bewoordingen dat het in die tijd (de belangrijkste verzamelingen van h’adieth, zoals die van al-Boekhaarie, Moeslim en de andere, behoren tot de tweede helft van de 9de eeuw n.C.) voor niemand mogelijk was om zich bewust te zijn van alle ah’aadieth die van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) overgeleverd waren of om alle ah’aadieth te herinneren die hij tegen was gekomen. Daarom was het onvermijdelijk dat zij sommige foutieve oordelen maakten. Dat betekende dat de enige zekere en betrouwbare methode, welke gebruikt kon worden onder alle omstandigheden om te beslissen wat juist was en wat niet, de Soennah van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) was. De h’adieth-geleerde al-H’aakim verzamelde een verklaring van as-Shaafi’ie waarin hij zei: “Er is niemand onder ons die niet één Soennah van Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ontgaan is of één die hij is vergeten; dus het maakt niet uit welke bepalingen ik gemaakt heb of fundamentele principes die ik voorgelegd heb, er zullen in hen dingen zijn die strijdig zijn met de bepalingen van Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Daarom, de correcte bepaling is in overeenstemming met wat Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft, en dat is mijn bepaling.” [Ibn ‘Asaakir, Taariekh Dimishq al-Kabier, (Damascus, Rawdhah ash-Shaam, 1911-1932), vol. 15, deel 1, p. 3.]

De imaam beklemtoonde ook een zeer belangrijk punt met betrekking tot de persoonlijke mening contra de Soennah. Hij zei: “De moslims (van mijn tijd) waren van een unanieme mening dat degene die een authentieke Soennah van Allahs boodschapper tegenkomt, niet is toegestaan om het te negeren ten gunste van de mening van iemand anders.” (Ibn al-Qayyim, I’laam al-Moeqi’een, Beiroet, Daar al-Jeel n.d., vol. 2, p. 361.)

Al-H’aakim verzamelde ook van imaam as-Shaafi’i dezelfde verklaring als geuit door imaam Aboe H’aniefah met betrekking tot de relatie tussen zijn madzhab en de authentieke ah’aadieth: “Als er een h’adieth sah’ieh’ (authentiek) bevonden wordt, het is mijn madzhab.” (Yah’yaa ibn Sharaf ad-Dien an-Nawawie, al-Madjmoe’, Cairo , Idaarah at-Tabaa’ah al-Muneerah, 1925, vol. 1, p. 63.)

Dit was het onbuigzame standpunt van deze grote imaam die, terwijl hij in Bagdad was, een boek schreef met de titel al-H’oedjdjah als een samenvatting van zijn madzhab, alleen om het later te veranderen en hij schreef een nieuw boek met de titel al-Oemm dat de nieuwe madzhab weergaf die hij vormde na zijn reis naar Egypte en na het verwerven van nieuwe kennis van de madzhab van imaam al-Layth ibn Sa’d. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

3 Fundamenten

 

Imaam Ah’mad zette de traditie voort van zijn leraar, imaam as-Shaafi’ie, alsook die van de vroegere a-immah (imams) door te proberen zijn studenten een groot respect bij te brengen voor de bronnen van Islaam en een minachting voor het stug volgen van de meningen van geleerden. Aangezien taqlied ingeburgerd begon te raken onder enkele volgelingen van de vroegere a-immah, nam imaam Ah’mad nog drastischere maatregelen. Terwijl Aboe H’aniefah zijn studenten ontmoedigde om al zijn meningen op te schrijven, verbood Ah’mad zijn studenten om ook maar één van zijn meningen te noteren. Aldus werd zijn madzhab niet in geschreven vorm verzameld tijdens het rijdperk van zijn studenten.

Imaam Ah’mad was zeer expliciet in zijn waarschuwingen tegen taqlied, zoals duidelijk blijkt uit zijn volgende verklaring, verhaald door Ibn Qayyim: “Volg niet blindelings mijn bepalingen, die van Maalik, as-Shaafi’ie, al-Awzaa’ie of at-Thawrie. Neem (jullie regels) van waar zij die van hen namen.” (Ieqaadh al-Himaam, p. 113.)

Evenzo zei hij volgens een andere verklaring van hem, verhaald door Ibn ‘Abdoel-Barr: “De meningen van al-Awzaa’ie, Maalik en Aboe H’aniefah zijn slechts meningen en voor mij zijn zij allemaal gelijk, maar het werkelijke criterium voor juist en onjuist is in de ah’aadieth.” (Djaami Bayaan al-‘Ilm, vol. 2, p. 149.)

De prioriteit van de imaam voor de ah’aadieth boven de meningen, was zo groot dat hij een zwakke h’adieth prefereerde boven logisch afgeleide oordelen. Zijn respect voor de Soennah van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), die hij zelf verzamelde in een enorm boekwerk van meer dan 30.000 ah’aadieth met de naam al-Moesnad al-Kabier, was zo groot dat hij ook strenge waarschuwingen uitte voor degenen die probeerden een h’adieth van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) te negeren. Ibn al-Djawzie leverde over dat imaam Ah’med gezegd heeft: “Eenieder die een authentieke h’adieth van Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verwerpt, is op de rand van vernietiging.” (Ibn al-Djawzie, al-Manaaqib, Beiroet, Daar al-Aafaaq al-Djadeedah, 2 de ed., 1977, p. 182.)

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft het volgende algemene bevel gegeven aan zijn metgezellen (moge Allah tevreden zijn met hen) (Nederlandstalige interpretatie): “Deel mee wat jullie van mij gehoord hebben, ook al is het maar één vers (van de Qor-aan),” (verhaald door ‘Abdoellah ibn ‘Amr ibn al-‘Aas en overgeleverd door al-Boekhaarie) – om te zorgen dat goddelijke leiding beschikbaar is voor alle generaties van moslims tot aan de Laatste Dag. Daarom vocht imaam Ah’mad alert tegen alles wat mogelijk de mededeling van de goddelijke leiding aan zijn generatie, alsook die nog moesten komen, kon verhinderen.

 


De Qor-aan keurt conflict en onenigheid onder moslims expliciet en impliciet af

Allah de Verhevene zegt o.a. (Nederlandstalige interpretatie): “En houd jullie gezamenlijk vast aan het koord van Allah (#1) (d.w.z. de Qor-aan, het verbond van Allah) en wees niet onderling verdeeld…” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 103.]

<<< (#1) Djoebayr (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Verheug je! Want waarlijk, deze Qor-aan – een deel ervan is in de Handen van Allah, en het andere deel is in jullie handen [als een touw]. Houd je er daarom aan vast, opdat jullie nooit vernietigd zullen worden, noch zullen jullie daarna afdwalen!” (Moesnad Ah’mad.)>>>

Meningsverschillen onder de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) waren te wijten aan verschillende bekwaamheden om te interpreteren en de mate waarop zij bekend waren met de ah’aadieth van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Men hield zich niet stug vast aan de verschillende bepalingen in de aanwezigheid van bewijs van het tegenovergestelde.

Vroegere geleerden benadrukten het feit dat alleen die bepalingen van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) waarvan aangetoond kon worden dat zij correct waren, uiteindelijk als correct gevolgd dienden te worden.

Meningsverschillen onder de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) leidden nooit naar verdeeldheid onder en scheiding tussen hen, hoewel meningsverschillen onder de latere geleerden van de madzaahib zich ontwikkelden tot tweedracht onder de moslims.

 


Conclusie

Dit onderwerp dient eigenlijk veel uitgebreider bestudeert te worden. (Zie het boek onder aan deze pagina.) Er zijn zeer veel factoren die een rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van fiqh (islamitische wet) en de daarmee gepaard gaande meningsverschillen, die uiteindelijk leidden tot het blindelings volgen van een van de madzaahib wat weer verdeeldheid onder de moslims tot gevolg had.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de voornaamste redenen voor meningsverschillen onder de vroegere geleerden en a-immah (imams), zijn:

– Beschikbaarheid en beschrijving van ah’aadieth (overleveringen)

– Verschil in interpretatie, woordbetekenissen, grammaticale betekenissen

– Aanvaardbaarheid van bepaalde principes

We kunnen stellen dat de madzhab door vier basisfases is gegaan als een resultaat van de effecten van de volgende factoren: omstandigheden van de islamitische staat (eenheid, verdeeldheid), de status van religieus leiderschap (verenigt en orthodox, of gefragmenteerd en onorthodox) en de communicatie onder de geleerden. Toen de staat één lichaam was, was het leiderschap verenigd en orthodox, en islamitische geleerden waren dicht bij elkaar waardoor de communicatie vergemakkelijkt werd. In die tijd was er slechts één madzhab, hetzij die van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) of die van elk van de rechtgeleide khaliefen (moge Allah tevreden zijn met hen). Er volgde een instorting van politiek en religieus leiderschap binnen de betrekkelijk verdeelde staat (onder het Oemayyadische en Abbasidische bestuur), en de verspreiding van de voornaamste geleerden door heel het rijk heen. Dientengevolge ontstonden er een aantal madzaahib omdat de geleerden zich in verschillende delen van de staat gevestigd hadden en verplicht waren om bepalingen te maken zonder te profiteren van de directe raadpleging dat bestond toen communicatie geen probleem was. Deze geleerden wisten de kenmerkende flexibiliteit van vroegere tijden te handhaven, zij namen gewillig afstand van hun individuele oordelen ten gunste van bepalingen van anderen die gebaseerd waren op authentiekere of uitgebreidere ah’aadieth. Vervolgens, in het latere deel van de Abbasiden dynastie, waren de geleerden verwikkeld in de politieke rivaliteit als resultaat van het versplinteren van het staatsleiderschap. De situatie werd nog meer verslechterd door de officiële promotie van hofdebatten welke speciale koninklijke voordelen met zich meebrachten voor individuele winnaars en hun madzaahib. Daarna was het nog maar een stap naar fanatiek sektarisme waar veel van de volgelingen van de vier madzaahib bekend om werden.

De situatie van tegenwoordig is een mix van de voorafgaande fasen. Massacommunicatie heeft moslimgeleerden weer dicht bij elkaar gebracht, maar religieus leiderschap op een rijksniveau verdween lang geleden toen de moslimwereld verdeeld raakte in nationalistische eenheden met elk zijn eigen politiek-economisch regeringssysteem. De snel toegenomen moslimbevolking van tegenwoordig (uiteenlopend geschat tussen de 800 miljoen en een miljard) wordt bijeen gehouden door hun geloof in Allah de Verhevene en Zijn profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en door hun betrokkenheid met de Qor-aan en de Soennah. Religieus leiderschap zoals dat er was, bleek uitgeoefend te worden in afzonderlijke staten door een van de vier madzaahib, maar minder fanatiek dan voorheen en dat helaas voortduurde om sektarisch te worden en daardoor leidend tot verschillen.

Maar er zijn, vooral vanaf het midden van de vorige eeuw, bemoedigende tekenen dat de drang naar eenheid, dat goddelijk verordend is in Islaam, de moslims over de hele wereld stimuleert richting een herleving van hun religie als de beslissende factor in hun levens op zowel persoonlijk, gemeenschappelijk en nationaal niveau. Dit brengt met zich mee een hereniging van de madzaahib met alle sporen van fanatisme en sektarisme verwijderd, en de herleving van idjtihaad om fiqh weer een dynamisch en objectief logisch afgeleid geheel aan wetten te maken zodat individuele moslimgeleerden en juristen effectief en eensluidend de sharie’ah kunnen toepassen in alle delen van de moslimwereld, onafhankelijk van de sociale-, politieke- en economische omstandigheden.

Niet minder belangrijk is het mogelijke effect van zo’n hervorming op niet alleen de nieuwe bekeerlingen tot Islaam, maar ook op de nieuwe generatie moslims die in het geloof geboren worden. In het geval van de eerstgenoemden, hen worden de verwarrende effecten van strijdige regels van madzhab tot madzhab bespaard, terwijl in het geval van de laatstgenoemden zij worden bespaard van de frustratie van het sektarisme veroorzaakt door madzhab tegenstrijdigheden en er wordt voorkomen dat zij de madzaahib en de uitmuntende bijdragen van de vroegere geleerden volledig verwerpen.

Tenslotte, een verenigde madzhab, een dynamisch geheel en fiqh zoals dat hiervoor is voorgesteld, lijken nodig om de levendige islamitische gemeenschappen te verenigen zodat zij samen inspanningen zullen verrichten om het algemene belang van de mensheid te beschermen en de Islaam tonen op een wereldomvattend niveau.

 


Tegenstrijdigheden en afwijkingen

Verschillen in de bepalingen van de madzaahib vallen in twee hoofdcategorieën te verdelen: (1) de tegenstrijdige verschillen (ikhtilaaf tadhaadd), absoluut strijdige bepalingen die logisch gezien niet tegelijkertijd correct kunnen zijn, bijvoorbeeld bepalingen waarmee de ene madzhab iets als h’alaal (toegestaan) verklaart en een andere madzhab bepaalt het als h’araam (verboden); (2) de afwijkende verschillen (ikhtilaaf tanawwoe’), strijdige bepalingen die logisch gezien acceptabele variaties zijn die naast elkaar kunnen bestaan, bijvoorbeeld de verschillende zitposities gebruikt door de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in as-salaah (het gebed), waarvan sommige de voorkeur genieten boven anderen door de verschillende madzaahib.

In veel gevallen van meningsverschillen die ontstonden door betekenissen (letterlijke en figuurlijke) van woorden en grammaticale constructies, zijn er authentieke ah’aadieth die de bedoelde betekenissen verduidelijken en deze gespecificeerde betekenissen dienen geprefereerd te worden boven alle andere interpretaties. Evenzo dienen juridische bepalingen die gemaakt zijn in de afwezigheid van ah’aadieth, of gebaseerd op zwakke overleveringen of gemaakt in overeenstemming met de omstandigheden die authentieke overleveringen uitsloten, beschouwd te worden als ongeldig en dienen vervangen te worden door bepalingen van andere juristen die gemaakt werden op basis van authentieke ah’aadieth. Wat betreft bepalingen gebaseerd op controversiële principes of onbeperkte qiyaas, deze moeten objectief onderzocht worden in het licht van de fundamentele principes van de Qor-aan, de Soennah en de idjmaa’ van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen); bepalingen die overeenstemmen met deze fundamenten dienen dan geaccepteerd te worden en degenen die strijdig zijn dienen dan verworpen te worden. Buiten het bestek van de voorgestelde oplossingen, blijven er nog een aantal kwesties over waarop meer dan één bepaling van toepassing zijn en die gelijkmatig gesteund worden door de Qor-aan, de ah’aadieth, de idjmaa’ van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) of qiyaas. De verschillende oordelen in zulke gevallen dienen behandeld te worden als levensvatbare mogelijkheden die toegepast worden in overeenstemming met de omstandigheden en deze zijn een deel van de logisch aanvaardbare verschillen die genoemd zijn als de tweede categorie van verschillen in madzhab bepalingen.

Deze structuur voor het oplossen van verschillen onder de madzaahib kan het beste uitgevoerd worden binnen instellingen die toegewijd zijn aan het objectief bestuderen van fiqh; dat wil zeggen, onderwijsinstellingen waarin geen madzhab de voorkeur krijgt boven de andere. De islamitische wetgeving kan dan bestudeerd worden vanuit zijn belangrijkste bronnen, en de standpunten van de verschillende madzaahib kunnen dan rationeel en objectief geanalyseerd worden zoals hiervoor geschetst is. Als het niveau van geleerdheid in zulke onderwijscentra hoog is, kan de enorme taak van het herenigen van de madzaahib met uitstekende vooruitzichten op een eventueel succes ondernomen worden. Een enkele madzhab volledig vrij van sektarisme en stevig gebaseerd op betrouwbare geleerdheid, kan niet alleen voorzien in waarheidsgetrouw en voortdurend leiderschap voor de moslimwereld in het algemeen, maar ook concrete leiding naar variërende hervormingsbewegingen met als doel de hervestiging van de goddelijk wet als de enige geldige basis voor het besturen van moslimlanden. Bij succes op het gebied van de madzhab vereniging en de vestiging van de goddelijke wet, kunnen we dan kijken richting de vereniging van de oemmah, de moslimbevolking, en de hervestiging van de khilaafah, het ware khalifaat. Dit zal in de nodige fundering voorzien voor het uitvoeren van Allahs wet over de hele aarde, als Allah dit wil.

Kaft De ontwikkeling van fiqh grVoor meer informatie en een gedetailleerde bespreking van dit onderwerp, zie het 227 pagina’s tellende boek van Dr. Abu Ameenah Bilal Philips, De Ontwikkeling van Fiqh – De Islamitische Wet & De Madzaahib, vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah (te bestellen via onze webshop, en met uw aankoop steunt u de da’wah van www.uwkeuze.net).

 

Relevante artikelen:

De islamitische sharia

Sharie’ah en fiqh: kent u het verschil?

Introductie tot de kennis van oesoel al-fiqh – de fundamenten van de islamitische jurisprudentie

Hoe om te gaan met meningsverschillen en het bekritiseren van anderen

Wanneer vrienden elkaar pijn doen

Het gevaar van het ongelovig verklaren van individuen