Ik lieg niet, ik maak alleen maar een grapje

Liegen is een serieuze zonde!

LiegenZie ook Liegen en 1 april en Voorwaarden voor toelaatbare grappen (en enkele voorbeelden van grappen van de profeet ﷺ).

Door Muhammad al-Shareef
Vertaald door drs. Saloua Oem Soelaym

Na de verovering van Mekkah, toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) Mekkah had overgenomen en de bevolking moslim was geworden, realiseerde Caesar (of Qaysar) zich de macht van de moslims en besloot dat hier een einde aan moest komen. Dus bereidde hij een groot leger voor, bestaande uit Byzantium en een aantal Arabische stammen uit het noorden, die de profeet en zijn metgezellen wilden elimineren.

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en een paar van de metgezellen hoorden van deze voorbereiding van een aanval op hen, begonnen moslims angst te voelen in hun harten. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) besloot dat ze deze mensen moesten gaan bevechten in Taboek.

Normaal wanneer hij met een leger erop uittrok voor een gevecht, zei de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) tegen het leger een richting op te gaan en tijdens de reis zouden ze dan hun richting wijzigen; zodat niemand echt precies wist waar ze naartoe gingen. Maar vanwege de intensiteit van dit gevecht – het was zo’n lange afstand en ze vertrokken in de zomerperiode waarin de hitte mensen kon doden – zei de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) tegen hen allen waar ze naartoe gingen zodat ze de juiste voorbereidingen konden treffen.

Dus de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) vertelde hen dat ze naar Taboek gingen. Alle metgezellen, degenen die geen excuus hadden zoals ziekte of die hypocriet waren, accepteerden het van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en bereidden zich voor op dit gevecht.

Inshaa-a Allaah willen we tijd besteden aan één van die mensen die het gevecht miste en dat is Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem).

Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) vertelt het hele verhaal in Sah’ieh’ al-Boekhaarie en Sah’ieh’ Moeslim. Ka’b ibn Maalik zei op die dag, toen de mensen vertrokken, dat “bij Allah (hij) nooit meer rijkdom had dan op de dag toen de mensen vertrokken naar Taboek.” En hij zei: “Bij Allah, ik heb nooit meer rijkdom, meer kracht en ben nooit in een betere positie geweest om te vechten dan op die dag.” Maar je zult het kwaad van het uitstellen zien.

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en de metgezellen zich voor het gevecht voorbereidden, zei Ka’b ibn Maalik: “Ik zal gaan en mijzelf voorbereiden.” Maar de dag ging voorbij zonder dat hij iets had voorbereid. En dan kwam de volgende dag en hij zei: “Ik zal gaan en mijzelf voorbereiden,” waarna de dag voorbijging en hij niks had voorbereid. Totdat de mensen begonnen te vertrekken en hij zei: “Ik zal ze inhalen,” en de dagen verstreken en hij zei: “Ik zal ze inhalen,” en ze vertrokken en dagen verstreken en hij zei: “Ik zal ze inhalen, ik zal ze inhalen.” Totdat uiteindelijk het nieuws hem bereikte dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) op de terugweg was en het gevecht voorbij was.

Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) ging naar buiten en zag toen de hypocrieten, degenen die niet mee wilden gaan met de metgezellen, die tegen de metgezellen zeiden: “Waarom gaan jullie meedoen met dit gevecht? Het is zo heet buiten.” Dit waren de mensen die Allah de Verhevene weerlegde (Nederlandstalige interpretatie): “De achterblijvers (van de expeditie naar Taboek) verheugden zich over hun verblijf (in hun huizen), terwijl de boodschapper van Allah (Moh’ammed) uitrukte. En zij haatten te strijden met hun bezittingen en hun levens op de weg van Allah en zij zeiden: ‘Ruk niet uit in de hitte (van de dag).’ Zeg (O Moh’ammed): ‘Het Vuur van de Hel is heter!’ Als zij het maar begrepen!” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 81.]

Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) zei dat hij erg onrustig was, omdat hij alleen maar hypocrieten zag; iedereen kende hem als hypocriet en hij realiseerde zich dat hij bij hun categorie hoorde.

Dus de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) kwam terug en hij kwam thuis van een reis gedurende de dag en de eerste plaats waar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zou komen, was de moskee. Dus we leren hier ook de Soennah van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat wanneer een persoon terugkomt van een reis, hij eerst zou moeten beginnen met een bezoek aan een moskee; ga naar de moskee en bid twee raka’aat.

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ging naar de moskee en bad zijn twee raka’aat. Op dit moment gingen alle mensen die niet meestreden naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en begonnen uitleg te geven en excuses te verzinnen – welke eigenlijk leugens waren – over de reden waarom ze niet deelnamen aan de strijd. En zij werden bekend als hypocrieten.

Dus, de een na de ander, kwam bij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zij gaven een excuus aan hem: “Ik deed dit” of “ik deed dat” of “ik was niet in staat.” De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) vroeg vergiffenis voor hen en liet hen gaan.

Toen kwam Ka’b ibn Maalik. Hij zei dat hij erg welbespraakt was en toen hij die dag bij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) kwam, vertelde hij hem dat hij leugens had voorbereid en smoesjes had verzonnen, om zo de woede van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) te vermijden. Maar zodra hij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zag, besloot hij al die leugens niet te gebruiken en zei: “Vandaag zal niets me helpen behalve het vertellen van de waarheid.”

Dus, hij ging naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zei: “Wallaahi (bij Allah), mij is welbespraaktheid gegeven en als ik voor iemand anders zou zitten, kon ik tegen diegene liegen en ik zou ontsnapt zijn van zijn woede. Maar yaa rasoeloellaah (O boodschapper van Allah), ik kan u vandaag plezieren en u kunt misschien vandaag niet boos op me zijn, maar als ik vandaag tegen u lieg, kan Allah u misschien morgen boos op me laten zijn.” En hij zei: “Maar als ik u vandaag de waarheid vertel, hopende op de Genade van Allah de Verhevene, zal Allah misschien morgen tevreden met mij zijn.”

En hij zei dat toen hij bij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) kwam, hij naar hem lachte en Ka’b ibn Maalik zei: “De glimlach van iemand die boos is.”

En toen Ka’b ibn Maalik dit zei, antwoordde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “Wat betreft deze persoon, hij heeft de waarheid verteld.”

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) wist dat alle mensen die bij hem gekomen waren, tegen hem hadden gelogen. Maar hij zei (Nederlandstalige interpretatie): “Wat betreft deze persoon, hij heeft de waarheid verteld.” En hij zei tegen Ka’b ibn Maalik dat hij terug moest gaan totdat Allah zou beslissen over zijn zaak.

Toen Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) de moskee verliet, kwam een aantal mensen van Banie Saliem naar hem en zeiden tegen hem: “Waarom zei je dat tegen hem? Je had dit of dat kunnen zeggen. Heb je niet gezien dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) vergiffenis vroeg namens hen en hen vergaf en ze liet gaan?” Ze zeiden: “Je hebt jezelf in deze positie gebracht,” en omdat ze er steeds op door gingen, zei Ka’b ibn Maalik: “Kon ik nog maar terug gaan en liegen tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Ik wou dat ik mezelf kon tegenspreken en terug kon gaan en een excuus kon verzinnen.”

Vervolgens vroeg Ka’b ibn Maalik aan hen: “Is er iemand anders die zich ook in mijn situatie bevindt?” Ze antwoordden: “Ja.” Er waren twee metgezellen die hetzelfde hadden gedaan als Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem). En toen hij erachter kwam dat deze twee mensen behoorden tot de Mensen van Bedr, bleef hij standvastig vasthouden aan de waarheid die hij had gezegd.

Hierna beval de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) iedereen om niet te spreken tegen Ka’b ibn Maalik en zijn twee metgezellen, niet met ze te handelen en ze te boycotten.

De twee metgezellen bleven thuis, maar Ka’b ibn Maalik bezocht de moskee. Hij zei: “De aarde die ik zo goed kende, is niet meer zoals het is geweest.” En de tijden waren veranderd, de manier waarop mensen met hem omgingen was anders. Hij vertelde dat hij naar de moskee ging en niemand hem groette met as-salaamoe ‘alaykoem. En hij probeerde naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) toe te stappen en te zeggen “as-salaamoe ‘alaykoem yaa rasoeloellaah,” en hij probeerde te kijken of de profeet zijn lippen bewoog als antwoord op de salaam, maar hij kon niks zien. En hij vertelde dat hij de moskee binnenging en naar de profeet keek, maar de profeet niet terugkeek. Maar wanneer hij zijn blik dan ging afwenden, draaide de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zijn richting op en keek naar hem. En wanneer Ka’b ibn Maalik terugkeek, wendde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zich weer af.

Gedurende de veldslag van Taboek vroeg de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) naar Ka’b ibn Maalik. Een van de metgezellen zei dat er niets over Ka’b ibn Maalik te vertellen viel, behalve dat hij blij was met zijn kleding en blij met zijn rijkdom. Moe’aadz (moge Allah tevreden zijn met hem) reageerde erop en zei: “Wat praat jij slecht” en hij zei tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Yaa rasoeloellaah, we weten alleen maar goede dingen over Ka’b.”

In de uitleg van deze h’adieth zegt imaam an-Nawawie (rah’imahoellaah) dat we uit dit voorbeeld leren dat wanneer iemand roddels vertelt over een moslimbroeder in jouw aanwezigheid, het niet voldoende is om te zwijgen; je zou moeten reageren en moeten zeggen dat hij verkeerd (bezig) is en dat een moslim niet zo hoort te praten. We zouden moeten doen zoals Moe’aadz deed.

(Lees verder onder de afbeelding.)

 

Zoals we al gezegd hebben, ging Ka’b ibn Maalik naar de moskee om te proberen er achter te komen of de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) hem zou antwoorden. Hij zakte steeds verder in droefenis en Allah de Verhevene beschrijft de droefenis die hij en zijn twee metgezellen voelden, in (Nederlandstalige interpretatie): “…totdat de aarde met haar uitgestrektheid nauw voor hen werd en zij het benauwd kregen…” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 118.]

Een ander voorbeeld hiervan zijn mensen die de grootste kastelen in de wereld hebben. Hoe groot hun bezit ook is, Allah laat hun benauwdheid voelen omdat ze zich van Hem af hebben gewend.

Dus in dit geval, omdat zij niet naar het slagveld gingen, beschrijft Allah de Verhevene de situatie waarin zij zich bevonden – hoewel zij de weidse aarde voor zich hadden, werd het recht voor hun ogen nauw voor ze.

Daar tegenover kan iemand de aarde benauwd voor hem zien, hij kan arm zijn en in een hut leven, maar tegelijkertijd heeft hij een ruim hart. Hij heeft een ruim hart, omdat hij gelooft in Allah en Zijn boodschapper. Dus zijn hart verruimt zich vanwege zijn tevredenheid met wat hij heeft en hij leeft alsof hij in het Paradijs is, tevreden met wat Allah de Barmhartige hem gegeven heeft.

Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) liep rond in zijn droefenis en hij ging naar de tuin van Aboe Qataadah (moge Allah tevreden zijn met hem), die zijn neef was en één van de meest geliefde personen van Ka’b ibn Maalik. Hij klom op het hek en zei: “As-salaamoe ‘alaykoem yaa Aboe Qataadah,” maar Aboe Qataadah antwoordde niet. Hij bleef steeds herhalen: “As-salaamoe ‘alaykoem, as-salaamoe ‘alaykoem,” maar Aboe Qataadah beantwoordde zijn begroeting niet. Vervolgens zei hij: “O neef van mij! Weet je dan niet dat ik van Allah en Zijn boodschapper houd? Weet je dan niet, en heb je niet vernomen, en heb je zelf niet gezien aan mij dat ik waarlijk echt houd van Allah en Zijn boodschapper?”

Ka’b bleef toen stil en Aboe Qataadah antwoordde: “Allaahoe a’lam (Allah weet het best).”

Hij zei dat Allah beter wist of Ka’b ibn Maalik echt van Allah en Zijn boodschapper hield. Toen Ka’b ibn Maalik dit hoorde, ging hij van het hek af en begon te huilen. Op de veertigste dag, en de boycot duurde vijftig dagen, beval de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de drie metgezellen van hun vrouwen weg te gaan.

Hiervoor had de koning Ghasaan van de Romeinen een brief gestuurd naar Ka’b ibn Maalik. Hij was op de markt toen hij een man zag aankomen, een reiziger, en iedereen wees steeds naar Ka’b. De reiziger kwam toen naar hem toe met een brief van koning Ghasaan. De koning zei in de brief: “Het nieuws heeft ons bereikt dat jouw metgezel (de boodschapper van Allah) zich van jou heeft afgekeerd. Kom naar ons toe! Allah heeft deze aarde niet benauwd en oncomfortabel voor jou gemaakt. Kom naar ons toe en wij zullen jou op je gemak stellen. Wij zullen jou eren.”

Toen Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) deze brief had gelezen, zei hij: “Bij Allah, dit is een andere beproeving van Allah.” Hij maakte daarna een vuurtje en gooide de brief in het vuur.

Dus nu op de veertigste dag had de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de drie mensen bevolen weg te gaan van hun vrouwen. En Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) vroeg gelijk: “Moet ik van mijn vrouw scheiden of moeten we alleen (tijdelijk) weg gaan?” En zij antwoordden: “Nee, de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd dat jullie (tijdelijk) weg moeten gaan.”

Een van de andere twee metgezellen was op oudere leeftijd en dus ging zijn vrouw naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en vroeg hem toestemming om bij hem te blijven om voor hem te zorgen, omdat hij te arm was om een eigen dienstmeisje of knecht te hebben. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gaf haar zijn toestemming. Hij zei echter (Nederlandstalige interpretatie): “Maar laat hem niet toenadering tot jou krijgen.” Zij antwoordde toen: “Bij Allah, hij is niet gestopt met huilen sinds de dag dit begon. Bij Allah, hij heeft geen enkel verlangen in hetgeen waarover u spreekt.”

Dit laat zien dat deze mensen erg verlangden naar de Genade van Allah en verlangden naar de Vergiffenis van Allah, totdat de vijftigste dag aanbrak.

Familieleden van Ka’b ibn Maalik zeiden toen tegen hem ook naar de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) te gaan en hetzelfde te doen als de vrouw van die andere metgezel. En Ka’b ibn Maalik zei: “Bij Allah, ik ben jonger dan die man en ik ben meer in staat (om voor mijzelf te zorgen), en ik ben bang voor de reactie van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) als ik zoiets ga vragen.” Hij zei: “Bij Allah, ik ga dat niet vragen (dat zijn vrouw bij hem blijft).”

De vijftigste dag brak aan en Ka’b ibn Maalik was salaat al-fadjr aan het bidden op één van de daken en toen hij zijn gebed had voltooid, kwam een ruiter haastend en roepend. Hij riep: “Blijde tijdingen voor Ka’b ibn Maalik! Want waarlijk, Allah heeft jou vergeven. Allah heeft jou vergeven.” Ka’b ibn Maalik deed onmiddellijk een sadjdah (neerknieling) voor Allah en voor Zijn Vergiffenis.

In zo’n geval zegt de persoon: “O, alleen vergiffenis vragen? Oké, dat is geen probleem.” Maar wij hebben gezien hoe de metgezellen vergiffenis vroegen van Allah en hoe zij echt ernaar verlangden en hun tijd besteedden, hopende op de beloning, genade en vergiffenis van Allah de Meest Vergevensgezinde.

Toen Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) hoorde dat Allah hem vergeven had, verrichtte hij soedjoed (neerknieling). Toen hij klaar was, trok hij onmiddellijk zijn (buitenste) gewaden uit en gaf dit als liefdadigheid aan de man die hem het goede nieuws kwam vertellen.

Toen Ka’b ibn Maalik al-Medienah binnenkwam, kwamen de mensen naar hem toe en feliciteerden hem met de vergiffenis van Allah. Voorzeker, het is iets waarvoor een persoon gefeliciteerd zou moeten worden. Niets van het wereldse leven is gelijk aan de vergiffenis van Allah Ta’aalaa.

Toen hij de moskee binnenkwam, was er maar één persoon van de moehaadjieroen, Talh’ah (moge Allah tevreden zijn met hem), die zijn hand kwam schudden. En Ka’b ibn Maalik vertelde later: “Bij Allah, ik zal nooit vergeten wat Talh’ah had gedaan” – dat hij op was gestaan en hem kwam omhelzen en hem blijde tijdingen gaf.

Toen zei de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “De beste tijdingen voor de beste dag van je leven sinds de dag dat jouw moeder jou ter wereld bracht.” Ka’b ibn Maalik glimlachte en zei: “Yaa rasoeloellaah, is dit uw vergiffenis of die van Allah?” En hij antwoordde: “Welzeker, het is (de vergiffenis) van Allah.”

Toen zei Ka’b ibn Maalik, en vergeet niet dat hij arm was: “En als daad van berouw zal ik al mijn bezittingen als liefdadigheid geven aan Allah. Alles wat ik heb, vanwege mijn blijdschap dat Allah mij vergeven heeft, ik geef alles aan Allah, alles voor de zaak van Allah.”

En de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei toen (Nederlandstalige interpretatie): “Nee, houd een deel voor jezelf.” Toen zei Ka’b ibn Maalik, en dit is in feite het belangrijkste punt hier, hij zei: “Als daad van berouw en het feit dat Allah mij vergeven heeft, zal ik vanaf vandaag nooit een leugen vertellen. Ik zal nooit meer liegen vanaf vandaag.”

Op het einde van de h’adieth vertelt Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) dat Allah de Barmhartige hem gered had vanwege de waarheid die hij in het begin had verteld. En Allah de Almachtige heeft nooit een persoon meer beproefd met de waarheid en het vertellen van de waarheid dan dat Hij Ka’b ibn Maalik heeft beproefd.

Wat betreft de mensen die logen tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), Allah heeft verzen over hen geopenbaard. In soerat al-Moenaafiqien en in andere soewar zegt Allah dat ze waarlijk onrein zijn en dat hun einde het Hellevuur is als een beloning en een compensatie voor wat zij deden. Allah de Verhevene zegt in deze verzen dat zij blijven zweren tegen jou en je zeggen “ze met rust te laten”. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Wend jullie dan van hen af. Waarlijk, zij zijn onrein [door hun slechte daden en onjuiste geloofsovertuiging (#2)] en hun verblijfplaats is de Hel…” [soerat at-Tawbah (9), aayah 95], en dat Allah hen haat.

<<< (#2) De polytheïsten zijn spiritueel onrein omdat zij een bedorven geloof aanhangen. Zij kennen deelgenoten toe aan Allah de Verhevene, die geen voordeel brengen noch schade berokkenen. Zij aanbidden afgodsbeelden en geloven in mythes en legenden. Zij eten het kadaver en het bloed en staan het gokken en overspel toe. (Tefsier H’adaa-ieq ar-Rawh’ war-Rayh’aan fie rawaabie ‘oeloemiel-Qor-aan van Moh’ammed al-Amien ibn ‘Abdiellaah al-Oeramiy al-‘Alawiey al-Harariy as-Shaafi’ie.) >>>

Dus Ka’b ibn Maalik zei: “Dat waren de mensen die tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) hadden gelogen.” Wat betreft de mensen die de waarheid vertelden, Ka’b ibn Maalik en zijn twee metgezellen, Allah openbaarde over hen (Nederlandstalige interpretatie): “Bij Allah! Werkelijk, Allah aanvaardde het berouw van de profeet (Moh’ammed) en de moehaadjiroen (emigranten uit Mekkah) en de ansaar (helpers uit al-Medienah)…” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 117.]

En Hij gaat verder in het volgende vers (Nederlandstalige interpretatie): “En (ook) tegenover de drie die waren achtergebleven…” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 118.]

Allah de Verhevene openbaarde in de Qor-aan dus dat Hij Ka’b ibn Maalik heeft vergeven en Allah beveelt hem en iedereen (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Vrees Allah en wees met de waarachtigen (in woord en daad).” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 119.]

Beste broeders en zusters. Het verhaal van Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) – een verhaal uit de Sierah – is er één die we allen vaker zouden moeten doornemen omdat in elke paragraaf voor elke moslim lessen te vinden zijn om van te leren: van de wijze waarop Ka’b ibn Maalik handelde tot de zaken waar hij intrapte. Wij als volgelingen van deze metgezellen (moge Allah tevreden zijn met hen) en volgelingen van degene die zij volgden, namelijk de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), kunnen veel leren over de zaken waar wij afstand van zouden moeten nemen.

(Lees verder onder de afbeelding.)

Liegen is zonder twijfel een grote zonde. Het is zelfs één van de grootste zondes die een persoon kan begaan, vanwege de zaken waar het naartoe leidt. En in bepaalde gevallen zeggen geleerden zelfs dat liegen met betrekking tot de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (d.w.z. toegestane zaken verboden verklaren, en omgekeerd) kan leiden tot ongeloof (koefr). Imaam an-Nawawie (rah’imahoellaah – moge Allah hem genadig zijn) zegt in Kitaab al-Adzkaar dat de bewijzen uit de Qor-aan en Soennah duidelijk zijn dat liegen één van de ergste zondes is die een persoon kan begaan. En hij zegt dat het volgende wat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft, voldoende moet zijn om mensen af te schrikken om te liegen (Nederlandstalige interpretatie): “Er zijn drie tekenen van de hypocriet (waarvan één is): als hij spreekt, dan liegt hij…”

Dus het feit dat liegen een teken is van een moenaafiq (hypocriet) zou voldoende moeten zijn als afschrikmiddel voor een ware gelovige, een moe-emin, degene die gelooft in Allah de Verhevene en Zijn boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Als men spreekt en hij denkt dat hij gaat liegen, zou hij zichzelf eraan moeten herinneren dat dit een teken is van zijn hypocrisie in de dien (religie).

In een andere h’adieth vertelt ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Deze zaak (d.w.z. sidq – waarachtigheid) leidt naar vroomheid.”

Als je iets wil weten over een goede moslim en hoe je er één kan worden, de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd dat waarachtigheid je ertoe zal leiden een goede moslim te zijn en vroom te zijn, en dat vroomheid leidt naar het Paradijs, en we willen allen naar het Paradijs. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) laat ons de weg naar het Paradijs zien en dat is door waarachtig te zijn.

Om verder te gaan met de h’adieth (Nederlandstalige interpretatie): “Een (waarachtig) persoon, man of vrouw, zal doorgaan met het vertellen van de waarheid en doorgaan met het vermijden van liegen en proberen de waarheid in alle zaken naar voren te brengen, totdat hij geschreven staat bij Allah de Verhevene als iemand die altijd de waarheid vertelt.”

Dit is wat we uiteindelijk allemaal willen, dat Allah de Almachtige zal zeggen: “Die-en-die persoon is iemand die de waarheid zegt.”

Een van zulke mensen die we kennen is Aboe Bakr as-Siddieq (moge Allah tevreden zijn met hem). Omdat hij altijd de waarheid zei, elke keer weer, heeft de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd dat hij ‘de waarachtige’ (as-siddieq) is, degene die de waarheid accepteert, degene die altijd de waarheid weet, degene wiens hele bestaan omgeven is door de waarheid.

En toen zei de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “En waarlijk, liegen brengt een persoon naar ongehoorzaamheid jegens Allah en overschrijding (van Zijn grenzen). Overschrijding en ongehoorzaamheid zullen de desbetreffende persoon leiden naar het Hellevuur en hij of zij zal steeds blijven liegen, situaties proberen te vermijden door te liegen totdat hij of zij geschreven staat bij Allah de Verhevene als een leugenaar.”

Er zijn een paar manieren voor een persoon om vooruit te gaan en te proberen altijd de waarheid te zoeken en waarachtig te zijn in alle facetten van het leven.

Eerst zouden we onszelf eraan moeten herinneren dat liegen een teken van iemands hypocrisie is in het geloof. Liegen gebeurt niet alleen maar met woorden, liegen kan ook door een handeling of gebaar. Een persoon kan een brief met onwaarheden schrijven, zich als iemand anders voordoen op de computer of in brieven, en dit is een voorbeeld van een leugen. Een persoon kan met andere mensen praten en liegen. Wanneer een persoon dit doet, moet hij of zij denken aan de ernst van het liegen en ook aan de conclusie van imaam an-Nawawie (rah’imahoellaah) dat het een teken is van een moenaafiq. Het is een teken van iemands hypocrisie (nifaaq) in het geloof. [Zie de artikelen Nifaaq – hypocrisie en De eigenschappen van de moenaafiqien (hypocrieten).]

Ten tweede zouden wij ons geloof in de Laatste Dag en zijn gebeurtenissen – met name de berechting – moeten versterken. Dit moeten we doen, omdat wanneer een persoon liegt, hij een zwakheid heeft van imaan (geloof); hij of zij gelooft niet werkelijk in de Dag des Oordeels, want op die Dag kan de waarheid – als hij die gesproken had – hem redden. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Dit is de Dag waarop de waarachtigen baat zullen hebben bij hun waarachtigheid…” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 119.]

Tijdens de khilaafah (leiderschap over de moslims) van Hishaam ibn ‘Abdoe l-Maalik vond er een incident plaats dat te maken had met het vers in de Qor-aan dat betrekking heeft op de beschuldiging jegens ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar). Het was een bekende hypocriet die de beschuldiging was begonnen, maar Hishaam ibn ‘Abdoe l-Maalik was van mening dat ‘Aliy (moge Allah tevreden zijn met hem) degene was die het was begonnen. Hij bracht de geleerden naar zijn rechtbank en vroeg ze: “Wie is de persoon die met deze beschuldigingen was begonnen?” En de persoon of geleerde antwoordde dan: “‘Abdoellaah ibn ‘Oebay ibn Saloel.” De khalifah (Hishaam ibn ‘Abdoe l-Maalik) zei dan: “Nee, het is ‘Aliy.” En de persoon of geleerde zou dan eraan toegeven en zeggen dat de amier al-moe-eminien (leider der gelovigen) of khalifah het beter wist. Dit bleef zo totdat de khalifah imaam ad-Dhoehrie (rah’imahoellaah) in de rechtbank bij zich riep. En hier kunnen wij de kracht van geleerden zien.

Hij bracht imaam ad-Dhoehrie bij zich en vroeg hem: “Wie is de persoon die met de beschuldigingen was begonnen?” En de imaam antwoordde: “‘Abdoellaah ibn ‘Oebay ibn Saloel.” De khalifah zei vervolgens: “Je hebt gelogen, het was ‘Aliy.”

Het feit dat hij beschuldigd werd van liegen, maakte imaam ad-Dhoehrie boos en hij zei: “Ik liegen? Zou ik gaan liegen, jij vaderloze man?” En deze reactie is vergelijkbaar met schelden. Hij zei: “Ik liegen!? Hoe durf je mij een leugenaar te noemen!?” En hij zei – en merk hier het karakter van onze geleerden op: “Als iemand vanuit de hemelen tegen ons allen zou zeggen dat liegen h’alaal (toegestaan) is, dan nog zou ik nooit liegen.” Hij zei dus dat zelfs als het toegestaan was om te liegen, hij het nooit zou doen. En bedenk je hierbij dat hij weet dat het h’araam (verboden) is en hij weet hoe ernstig liegen is, en toch doet hij de uitspraak dat zelfs als het h’alaal zou zijn hij nooit in zijn leven zou gaan liegen. En wij moeten dus, O broeders en zusters, goed aandacht besteden aan wat imaam ad-Dhoehrie hier heeft gezegd.

 

Een ander voorbeeld:

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) een vrouw haar zoon zag roepen en zei dat ze iets voor hem in haar hand had, vroeg de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) aan haar (Nederlandstalige interpretatie): “Heb je echt iets in je hand? Was je echt van plan iets aan hem te geven?” Zij antwoordde toen: “Ja, ik was van plan hem een dadel te geven.” Toen zei de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Als je niets aan hem gegeven had, dan zou dat opgeschreven worden als een leugen.”

Dus zelfs zoiets kleins met je kinderen, net doen alsof en ze voor de gek houden, zulke dingen worden opgeschreven als leugens. Mensen vertellen vaak grapjes en zeggen dan: “Ik maak maar een grapje,” of: “Ik lieg niet, het is maar een grapje.” Nee! Je liegt en niets maakt het liegen h’alaal. Als je een grap maakt, wil het niet zeggen dat het daardoor toegestaan is (om een leugen te vertellen).

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Wee degene die liegt om mensen aan het lachen te maken.” (Overgeleverd door Ah’med, Aboe Daawoed en at-Tirmidzie.)

(Lees verder onder de afbeelding.)

Degene die een grap maakt om mensen slechts aan het lachen te krijgen, bevindt zich midden in deze h’adieth en ook middenin het verbod. En dus, beste broeders en zusters, moeten wij ons hiervan afwenden en niet liegen in zulke situaties. [Een grapje maken mag, maar het mag geen onwaarheid bevatten.]

En één van de ergste leugens die een persoon kan vertellen is over de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Heel vaak zie je zwakke en verzonnen ah’aadieth tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zoals een persoon ooit zei: “Ik lieg niet tegen de profeet (d.w.z. in nadeel van), maar ik lieg voor hem.” Soebh’aan Allaah! Voor degenen die tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) liegen; hij heeft ons niet nodig om de dien (religie) te vervolmaken. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Deze dag heb Ik jullie religie vervolmaakt voor jullie…” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 3.]

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft jou en mij niet nodig om een h’adieth voor hem te verzinnen; hij heeft de dien zelf (met de Wil van Allah) vervolmaakt. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Wie over mij liegt (bewust, hij weet dat hij liegt door deze h’adieth te verzinnen) laat hem het Hellevuur binnentreden en er een plekje uitkiezen.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zegt tegen die persoon; je gaat naar de Hel, dus kies maar waar je in de Hel wil zijn vanwege het liegen over de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). En er is geen verschil tussen het liegen voor of tegen hem, zo’n onderscheid bestaat niet. Elke leugen over hem (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) is een leugen.

We moeten dus eerst bedenken dat liegen een teken is van iemands hypocrisie in de Islaam. Ten tweede zouden we ons geloof in de Laatste Dag moeten versterken. En ten derde zouden we moeten denken aan de zegeningen van het vertellen van de waarheid. Allah de Verhevene houdt van de persoon die de waarheid zegt en wiens leven omgeven was met waarheid. Allah de Verhevene noteert deze persoon als een siddieq (waarachtige persoon) en laat diegene zich bevinden in het hoogste niveau van het Paradijs, samen met de profeten en de waarachtigen. En degene die de waarheid zegt, zal gezegend worden door Allah de Verhevene in zijn leven en het zal hem leiden naar al-Djennah (het Paradijs).

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “De twee partijen in een transactie hebben het recht (om het contract te annuleren) zolang ze niet uit elkaar gaan. Dus als zij waarachtig waren (naar elkaar toe) en eerlijk waren in hun uitleg (van de gebreken in een voorwerp), dan zullen ze gezegend zijn in hun transactie. Maar als zij logen en (de gebreken in een voorwerp) verborgen hielden, dan zijn de zegeningen van hun transactie verwoest!” (Overgeleverd door Moeslim.)

En dus zou een persoon niet mogen denken: “Ik ga dit verkopen en deze gebreken in het product verborgen houden.” Nee! Laat de gebreken zien en je zult merken dat Allah de Verhevene jouw verkoop zal zegenen. En een persoon zou nooit zaken moeten verbergen. Als je bijvoorbeeld een oude auto wil verkopen, ga dan niet de auto opnieuw verven om de gebreken te bedekken. Nee, je moet juist laten zien wat je verkoopt, dat dit je auto is, met haar goede en slechte punten. En door deze waarachtigheid zal Allah de Verhevene je zegenen in je verkoop.

We horen doe’aa-e (smeekbeden) te doen, want waarlijk, deze waarachtigheid is van Allah de Alwetende en al het goede is van Hem. Dus je zou Allah, de Heer der werelden, moeten vragen je te zegenen en jou deze zegening en genade te geven om altijd de waarheid te (kunnen) zeggen. Zoals de doe’aa-e in Soenan al-Bayhaqie: “Allaahoemma tahhier qalbie mina n-nifaaq, wa ‘amalie mina r-riyaa-e wa lisaanie mina l-kadzieb (O Allah, zuiver mijn hart van hypocrisie en mijn daden van opschepperij tegenover andere mensen en zuiver mijn tong van liegen).”

Tot slot, we zouden altijd moeten behoren tot de mensen die de waarheid zeggen en onszelf af moeten wenden van degenen die besluiten hun levens te besteden aan liegen en roddelen. Behoor tot mensen als Ka’b ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem) en degenen die zijn voorbeeld volgen tot de Laatste Dag. Allah de Verhevene beval hem en beveelt ons en alle gelovigen tot de Laatste Dag (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Vrees Allah en wees met de waarachtigen (in woord en daad).” [Soerat at-Tawbah (9), aayah 119.]

 

Relevante artikelen:

Voorwaarden voor toelaatbare grappen (en enkele voorbeelden van grappen van de profeet ﷺ)

Liegen en 1 april

Kijk naar je tong en je handen!