Het verhaal van ifk (laster) aangaande ‘Aa-ieshah

De onterechte beschuldiging van Oemm al-Moe-eminien ‘Aa-ieshah van overspel.

Aaieshah<<<Oemm al-Moe-eminien: Moeder der Gelovigen – een titel voor de vrouwen van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).>>>

Geschreven door Yasir Qadhi. Vertaald door Oem Salaheddine.

De sierah (biografie van de profeet) staat vol met gebeurtenissen waaruit wij voordelen kunnen halen in ons dagelijks leven. Het verhaal van de ifk is zo’n gebeurtenis die vol zit met lessen.

Eén van de meest ingrijpende periodes in het leven van de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) had betrekking op zijn familie. Het was een aanval, een laster verzonnen door de hypocrieten, tegen ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar), zijn meest geliefde vrouw en één van zijn meest nabije metgezellinnen.

Deze gebeurtenis is er een waaruit groot voordeel te halen is, en het heeft het effect onze harten te verzachten doordat we zelf de pijn en kwelling kunnen voelen van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), ‘Aa-ieshah, haar vader Aboe Bakr en de sah’aabah (metgezellen) (moge Allah tevreden zijn met hen) in het algemeen. Het is daarom één van de belangrijkste verhalen in de sierah en het is in het bijzonder relevant in onze huidige tijd waarin veel fitnah bestaat tussen moslims.

In de Arabische taal wordt dit incident h’aadiethoel ifk (de gebeurtenis van laster) genoemd. Het vond plaats na de veldslag van al-Ah’zaab in het zesde jaar na de hidjrah, gedurende een kleine expeditie waaraan de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) deelnam, en deze expeditie wordt ook wel Ghazwatoe Baniel Mostalieq of Ghazwatoel Moeraythie genoemd.

We zijn enorm bevoorrecht dat Allah de Verhevene in de Qor-aan verzen – die rijk zijn aan lessen – geopenbaard heeft over dit mooie verhaal, en dat imaam al-Boekhaarie gedetailleerd het verhaal van niemand anders dan ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zelf heeft verhaald. Dit verhaal is daarom authentiek bewaard gebleven, zonder enige twijfel. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven.)

 

Aaishah wp

 

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verhaalde: “Wanneer de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de intentie had om te reizen, trok hij altijd lootjes onder de (zijn) vrouwen. Dus wier lot werd getrokken, zou de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) vergezellen gedurende zijn reis.”

Dit laat ons zien hoe rechtvaardig en eerlijk de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zijn vrouwen behandelde, ondanks het feit dat volgens de sterkste mening hij vrijgesteld was van de regel voor mannen dat ze hun vrouwen eerlijk moesten behandelen. We leren ook uit deze korte introductie dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zijn vrouwen meenam op expedities of naar het slagveld, maar alleen als hij voelde dat de kans op overwinning erg groot was. Als de situatie te gevaarlijk was, dan liet hij ze achter. Deze h’adieth laat daarom zien dat het toegestaan is voor een vrouw om te reizen, zelfs tijdens een oorlog, zolang ze vergezeld is door haar mah’ram, zoals ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) vergezeld werd door de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Dus hij had lootjes getrokken voor één van zijn expedities en mijn naam werd getrokken, dus reisde ik met de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) mee. Dit was nadat de verzen met betrekking tot de h’idjaab waren geopenbaard, dus reisde ik in mijn hawdadj en werd daarin gedragen.”

De hawdadj is een draagstoel (gesloten zetel) die bovenop de kameel werd geplaatst en waar de vrouw in zat. Ze reden niet in het openbaar op een kameel. ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) reed aldus in een hawdadj, hoewel ze volledig bedekt was in h’idjaab en niqaab. Ze reisde dus niet openlijk, maar had een soort bescherming, een barrière zodat mannen haar niet konden zien tijdens haar reis en ze meer beschermd was.

Ze zei verder: “Nadat de expeditie voorbij was en we teruggingen naar al-Medienah, gaf de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) het bevel om gedurende de nacht buiten al-Medienah te kamperen.”

Dit laat ons zien dat het de Soennah was van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) om al-Medienah niet in de nacht binnen te gaan. Hij zei zijn metgezellen om nooit ’s nachts terug te keren naar huis van een reis (Nederlandstalige interpretatie): “Laat de mensen van het huishouden niet schrikken.” Hij adviseerde hen buiten de plaats van bestemming te kamperen zodat het nieuws van hun aankomst verspreid zou worden. In een andere h’adieth zei hij dat dit was, zodat “de vrouwen zichzelf konden voorbereiden en het haar verwijderd kon worden dat verwijderd moest worden.” Met andere woorden, een vrouw zou zichzelf mooi moeten maken voor haar man wanneer ze weet dat hij terug zal keren van een reis. En dit laat weer zien hoe belangrijk het is dat een vrouw zichzelf mooi maakt voor haar man. (Alsook dat een man zichzelf mooi maakt voor zijn vrouw. Zie o.a. het artikel Gouden adviezen voor de echtgenoot en echtgenote.)

En ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Toen het bevel werd gegeven om te kamperen, stond ik op en liep weg van het leger om mijzelf te verlichten (d.w.z. mijn behoefte te doen). Toen ik terugkeerde, voelde ik aan mijn borst en keek en zag ik dat mijn onyx ketting was gebroken (en gevallen), dus ging ik terug naar waar ik was geweest (om ernaar te zoeken). Ik was laat door het zoeken ernaar en in de tussen tijd hadden de mensen die mijn hawdadj droegen deze alweer op de kameel geplaatst, ervan uitgaande dat ik erin zat.”

Ze vertelde verder: “In die tijd waren vrouwen erg mager en licht van gewicht. Ze aten normaliter slechts een paar stukjes voedsel, dus de mannen merkten niet op dat de hawdadj leeg was toen ze het optilden en op de kameel plaatsten. En daar komt nog bij dat ik een jonge vrouw was. De kameel ging dus verder en ik vond mijn ketting nadat ze al waren vertrokken. Tegen de tijd dat ik terug was gekomen bij de kampeerplek, was er geen ziel te bekennen.”

Dat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) wegging om zichzelf te verlichten (d.w.z. dat ze haar behoefte ging doen) was een teken van haar schaamte, en we weten dat het overeenkomt met de Soennah van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) – om ver weg van de mensen te gaan waar je niet gezien kan worden wanneer je jouw behoefte moet doen. (Niet zoals tegenwoordig met openbare urinoirs waar mannen schaamteloos elkaars ‘awrah kunnen zien etc.)

Hier leren we ook over de eenvoud van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) gezien het feit dat haar ketting gemaakt was van een soort steen (onyx), en niet van goud, zilver of diamant. Ze was getrouwd met de leider van Arabiё, de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), die gelijk was aan een koning, en toch droeg ze een ketting die van iets simpels gemaakt was. Dit laat het gebrek aan interesse voor deze wereld zien van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zijn vrouwen (moge Allah tevreden zijn met hen), en hun onthechting van deze doenyaa (wereld). ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) was tevreden met haar onyx ketting. We leren ook hiervan het belang geld te sparen en niet te verkwisten. Deze ketting was niet veel waard, maar toch ging ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) ernaar zoeken.

We vangen ook een glimp op van de levenswijze van de sah’aabah uit ‘Aa-ieshahs opmerking dat Arabische vrouwen in die tijd niet zwaar waren omdat zij gewend waren “slechts een paar stukjes voedsel te eten”. Hiermee had ze een excuus bedacht voor de mannen die de hawdadj droegen (in plaats van hen te verwijten). Verder maakte ze ook een excuus door te zeggen: “…en daar komt nog bij dat ik een jonge vrouw was. Nog van jonge leeftijd.” Ze had boos kunnen zijn op de mannen omdat ze zonder haar weggingen. Daarentegen deed ze haar best om excuses te verzinnen voor haar moslimbroeders, en hiermee laat ze haar voorbeeldige gedrag zien.

<<<‘Oemar ibn al-Khattaab (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: “Denk nooit slecht over het woord dat komt uit de mond van jouw gelovige broeder, zolang je er een goed excuus voor kunt bedenken.”>>>

We leren nog meer over de schaamte van de sah’aabah. Ze hadden zeker aan ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) kunnen vragen of ze in de hawdadj zat voordat ze vertrokken van de kampeerplek, maar dit deden ze niet vanwege hun enorme schaamte en omdat ze het contact tussen mannen en vrouwen zo minimaal mogelijk hielden. Ze verlaagden de hawdadj, lieten ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) gaan, en gingen na een tijdje ervan uit dat ze weer terug was gekeerd en hervatten hun reis weer.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) ging verder met haar verhaal: “Dus ik bleef op mijn plek en ging er vanuit dat ze zouden ontdekken dat ik er niet was en terug zouden komen voor mij. Toen ik op mijn plek aan het wachten was, viel ik in slaap.

Safwan ibn al-Moe’attal as-Soelaamie (één van de metgezellen) had achterstand opgelopen bij het leger. Om onbekende reden (#1) was hij laat en liep hij niet met het leger en kwam mijn richting op. Hij zag het figuur van een slapende persoon en toen hij me zag, herkende hij mij omdat hij mij gezien had voor de openbaring van de verzen betreffende de h’idjaab.

<<< (#1) Sommige bronnen melden dat hij met opzet achter de karavaan reisde om dingen op te pikken die onopzettelijk achtergelaten werden. En Allah weet het best.>>>

Ik werd wakker door zijn uitroep “laa h’awla wa laa qoewwata illaa billaah” toen hij me herkende, dus ik bedekte mijn gezicht met mijn buitenste gewaad.”

Merk hier de intelligentie van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) op dat ze om haar heen keek, zag dat het leger weg was en er vanuit ging dat ze vast wel terug zouden komen om haar te zoeken. In plaats van in paniek te raken, zien we dat ze moedig is en helemaal niet bang is om alleen te zijn in de woestijn; ze zocht een boom op en ging zitten en viel zelfs in slaap.

Dit deel laat ook zien dat het toegestaan en Soennah is om “laa h’awla wa laa qoewwata illaa billaah” te zeggen ten tijde van onheil, nood en grote fitnah.

<<< Aboe Moesaa (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei tegen mij (Nederlandstalige interpretatie): ‘Zal ik jou vertellen over een schat onder de schatten van het Paradijs?’ Ik zei: ‘Zeker, O boodschapper van Allah!’ Hij zei: ‘Laa h’awla wa laa qoewawatta illaa billaahi (er is geen macht en geen kracht behalve bij Allah).’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)>>>

‘Aa-ieshahs uitspraak dat “hij haar herkende omdat hij haar had gezien vóór de openbaring van de verzen met betrekking tot de h’idjaab” is ook één van de sterkste bewijzen die gebruikt wordt door degenen die van mening zijn dat de niqaab verplicht is. Iedereen weet dat een persoon herkend wordt aan diens gezicht. Het feit dat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei dat de enige reden dat hij haar herkende was omdat hij haar had gezien voordat de verzen over de h’idjaab geopenbaard waren, dient als bewijs dat toen deze verzen geopenbaard werden, de vrouwen hun gezichten moesten bedekken. ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) heeft zelfs toegevoegd dat “zodra ze hem zag, ze haar gezicht bedekte met haar buitenste gewaad.” (Zie het artikel De boodschap van de h’idjaab.)

Ze zei verder: “En ik zweer bij Allah dat we geen enkel woord gewisseld hebben, noch heb ik iets anders gehoord dan zijn uitroep ‘laa h’awla wa laa qoewwata illa billaah’. Hij liet zijn kameel zakken zodat ik er op kon zitten, waarna hij de kameel leidde totdat we de karavaan hadden bereikt waar ze gekampeerd stonden. Daar begonnen de geruchten te verspreiden en degenen die de geruchten verspreidden, waren verwoest; hun leider was ‘Abdoellaah ibn ‘Oebay ibn Saloel.”

We leren eerst iets over het edele karakter van Safwan ibn al-Moe’attal, door het feit dat hij geen woord had gesproken tegen ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar). En we moeten sympathie hebben voor de positie waarin hij zich bevond – wat kon hij anders doen!? Om een bepaalde reden liep hij achter het leger, hij merkte dat ze ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) hadden achtergelaten en hij wist dat dit een grote fout was. Wat kon hij doen? Hij was alleen. Moest hij ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) daar achterlaten en naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gaan en hem informeren zodat hij terug moest gaan? Intussen kon er van alles met ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) gebeurd zijn. Moest hij daar blijven en wachten met ‘Aa-ieshah? Hoe kon het leger dat dan weten? Het enige wat hij dus kon doen, was wat hij had gedaan, ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) meenemen op de kameel terwijl hij voor haar uit liep.

Vervolgens leren we iets over het karakter van een hypocriet. ‘Abdoellaah ibn ‘Oebay ibn Saloel was de leider van de moenafieqoen (hypocrieten). Één van de eigenschappen van de hypocrieten is dat ze geruchten verspreiden zonder enige aanleiding of rechtvaardiging. Toen zij arriveerden op de kampeerplek, zagen de anderen ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zittend op de kameel terwijl Safwan ibn al-Moe’attal deze leidde. Dit zou voor een gelovige totaal geen aanleiding zijn tot enige verdenking, maar de moenafieqoen gebruikten dit voorval om leugens te verzinnen.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Dus arriveerden we in al-Medienah, maar ik kreeg koorts en bleef een hele maand ziek. De inwoners van al-Medienah spraken over de laster, maar ik wist er niets van af. Ik was echter wel gekwetst door het feit dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) niet meer de zachtheid toonde zoals hij normaal deed als ik ziek was. Hij kwam binnen en vroeg aan ons allen: ‘Hoe gaat het met iedereen?,’ en daarna vertrok hij. Dus ik verkeerde in twijfel, maar realiseerde me niet dat er iets kwaads gaande was.”

Hieruit blijkt de onschuldigheid van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar), alsook de verwarring die de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) meemaakte toen de mensen over zijn vrouw spraken. Wat moest hij doen? Hij kende zijn vrouw, maar de mensen verspreidden geruchten (laster) dus raakte hij in de war. Maar dankzij zijn edelheid, en omdat hij zag dat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) ziek was, sprak hij niet over de kwestie. Hij zou het vast wel graag aan haar gevraagd hebben, maar omdat ze ziek was, bracht hij het niet ter sprake, en bezocht hij haar regelmatig volgens zijn normale patroon.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Nadat ik genezen was, ging ik met Oemm Mistah’ (‘Aa-ieshahs groottante en de nicht van de profeet) naar de plek waar wij gewoonlijk onze behoeftes deden. We gingen alleen één keer in de zoveel nachten en het was vóór de tijd dat we badkamers nabij onze huizen bouwden. Dus we waren zoals de Arabieren van vroeger en we hadden er een hekel aan om badkamers nabij onze huizen te bouwen.

Dus ik ging naar buiten met Oemm Mistah’. Toen we terugkeerden naar mijn huis struikelde Oemm Mistah’ over een steen en riep uit: ‘Moge Mistah’ vallen,’ of: ‘Moge Mistah’ gedood worden.’”

Wanneer Arabieren iets overkwamen, vervloekten zij altijd iets of iemand. In dit geval vervloekte zij haar zoon.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) riep uit: “Wat voor slechts heb je gezegd! Hoe kun je een persoon vervloeken die de Slag van Bedr heeft meegemaakt!?”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verdedigde Mistah’, hoewel ze niet wist wat er aan de hand was. Ze dacht niets slechts over hem, hoewel zijn eigen moeder hem vervloekte. Haar opmerking laat ook zien wat de status is van degenen die in de Slag van Bedr hebben gevochten; ze werden beschouwd als behorende tot de hoogste rang van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen). We leren ook van deze gebeurtenis dat het gevaarlijk is om je ouders boos te maken omdat ze je kunnen vervloeken, zoals Oemm Mistah’ deed. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd dat de vloek of doe’aa-e (smeekbede) van een vader tegen zijn zoon verhoord wordt.

Oemm Mistah’ antwoordde: “Mijn lieve kind, heb je niet gehoord wat er over jou gezegd wordt?”

Toen ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) vroeg wat hij had gezegd, vertelde Oemm Mistah’ haar het hele verhaal en het was de eerste keer dat ze hoorde wat er gebeurd was. Ze keerde terug naar huis en werd extreem ziek, erger dan eerst. Er zijn zelfs overleveringen die zeggen dat ze flauwviel toen ze het verhaal hoorde.

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) kwam, groette hij haar en vroeg hoe het met haar was. En ze vroeg hem: “Geef je mij toestemming om naar mijn ouders’ huis te gaan om de informatie te verifiëren (die ze had gehoord)?” De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ging akkoord.

Naast het begrijpen hoe geraakt ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) werd door het verhaal, leren we ook het belang van het verifiëren van informatie. Oemm Mistah’ was een betrouwbaar persoon, maar, wanneer het gaat om zoiets ergs, dan kun je zelfs niet uit gaan van het woord van een thiqah (een betrouwbaar persoon); je moet het onderzoeken en het verifiëren bij andere mensen. (#2) Dit is waarom één getuige niet voldoende is wanneer het neerkomt op het implementeren van de h’oedoed (lijfstraffen), of de straffen voor overtredingen. We leren ook de noodzaak voor de vrouw om haar man toestemming te vragen het huis te verlaten en dat de man aardig en wijs moet zijn en haar het vooral niet moet ontzeggen haar familieleden te bezoeken.

<<< (#2) Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Als een faasiq (leugenaar, zondaar) naar jullie komt met een bericht, verifieer het dan, opdat jullie mensen niet schaden met onwetendheid, waarna jullie spijt krijgen van hetgeen jullie deden.” [Soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 6.] Alle nieuwtjes of geruchten – vooral die afkomstig zijn van personen die je niet kent (of die als onbetrouwbaar bekend staan) – dienen geverifieerd en op juistheid getoetst te worden. Als zij klakkeloos geloofd en doorgegeven worden, kan er veel schade aangericht worden, waarvan men later veel spijt heeft. Alle vormen van achterklap en laster worden veroordeeld.>>>

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) ging dus naar haar het huis van haar ouders en vertelde verder: “Ik vroeg mijn moeder, Oemm Roemaan: ‘Mijn lieve moeder! Waar praten de mensen over? Wat zeggen ze?’”

Haar moeder antwoordde: “Mijn dochter! Wees mild voor jezelf. Bij Allah, het komt weinig voor dat een vrouw zo geliefd is bij haar man, en hij tegelijkertijd meerdere vrouwen heeft zonder dat er over haar gesproken wordt.” ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei: “Soebh’aan Allaah, hebben de mensen dit echt gezegd?” Oemm Roemaan bleef stil en ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verhaalde: “Ik huilde die nacht, ik huilde en huilde totdat de ochtend aanbrak. Mijn tranen konden niet stoppen, noch kon ik die zoetheid van slaap proeven.”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) vertelde ons dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ‘Aliy ibn Aboe Talieb en Oesaamah ibn Zayd bij zich had geroepen en had gevraagd over haar. Oesaamah vertelde wat hij wist over de profeets familie en zei dat ze vrij waren van deze beschuldiging. Oesaamah zei: “Ze kunnen niet schuldig (hieraan) zijn! Ze moeten wel onschuldig zijn. Het zijn uw vrouwen en wij weten niets anders dan het goede over hen.”

Wat betreft ‘Aliy, hij zei: “O boodschapper van Allah! Allah heeft de zaken niet moeilijk voor u gemaakt en er zijn genoeg andere vrouwen dan zij. Vraag haar dienstmeisje, zij zal u vertellen wat ze over haar weet.”

Dus riep de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ‘Aa-ieshahs dienstmeisje, Barierah, bij zich en vroeg haar (Nederlandstalige interpretatie): “O Barierah! Heb je ooit iets gezien bij ‘Aa-ieshah wat twijfels bij je heeft opgeroepen?”

Barierah antwoordde: “Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, ik heb nooit ook maar iets gezien bij haar wat bij mij twijfels heeft opgeroepen, behalve één zaak: zij is een jonge vrouw die soms in slaap valt terwijl ze deeg aan het kneden is. En als ze in slaap valt, komt een lam die het deeg opeet en weer weggaat. Dus dit is het enige slechte wat ik over haar weet.”

We leren uit het bovenstaande dat het toegestaan is om je te wenden tot getuigen en betrouwbare mensen voor advies. We zien ook de liefde die de metgezellen hadden voor de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) doordat ze hem op verschillende manieren probeerden gerust te stellen.

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de adviezen kreeg van Oesaamah, ‘Aliy en Barierah, riep hij op tot een algemene bijeenkomst. Boven op een minbar (preekstoel) prees hij Allah en zei (Nederlandstalige interpretatie): “O gelovigen! Wie zal mij excuseren wat betreft de persoon die mij gekwetst heeft, zelfs ten aanzien van mijn vrouwen? Wat ik ook zal doen, jullie kunnen me niets kwalijk nemen.

Als ik iets zal doen met deze man (refererend naar ‘Abdoellaah ibn ‘Oebay ibn Saloel) dan kunnen jullie mij dat niet kwalijk nemen. Hij heeft me geraakt, gelasterd en zelfs mijn vrouw bereikt (met zijn laster). Kan iemand mij kwalijk nemen voor wat ik nu met hem ga doen? Wie zal een excuus voor mij hebben? Bij Allah, ik ken alleen het goede van mijn vrouw, en zij hebben een man met haar genoemd van wie ik ook alleen het goede ken.”

We leren uit deze woorden dat een goed karakter je te allen tijde redt. Wanneer je een reputatie hebt die goed is, dan kan je er later je voordeel uit halen. Net zo als wanneer je een slechte reputatie hebt, je het niemand kwalijk kan nemen behalve jezelf als mensen slecht over je praten.

Nadat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dit had gezegd, stond Oesayd ibn Hoedhay van de Aws-stam uit al-Medienah op en zei: “Ik excuseer u, O boodschapper van Allah. Als deze persoon behoort tot de Aws, dan zal ik hem onthoofden. En als hij behoort tot mijn broers van de Khazradj, geef ons dan een bevel en wij zullen het uitvoeren.”

Het was zo dat ‘Abdoellaah ibn Oebay ibn Saloel behoorde tot de Khazradj. Toen hij dit had gezegd, stond Sa’d ibn Aboe ‘Oebadah, en hij behoorde ook tot de Khazradj, gelijk op en zei: “Bij Allah, je hebt gelogen. Je kunt hem niet doden, noch ben je in staat om hem te doden. Als hij tot jouw stam behoorde, dan zou je niet eens willen dat hij gedood zou worden.”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei: “Sa’d was, voordat dit incident plaats had gevonden, een rechtschapen man, maar het tribalisme van de djaahiliyyah (pre-islamitische periode) had hem in zijn greep.”

<<< De profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Degene die ‘asabiyyah (stam/partijgeest) afkondigt, behoort niet tot ons; en degene die vecht omwille van ‘asabiyyah, behoort niet tot ons; en degene die sterft omwille van ‘asabiyyah, behoort niet tot ons.” (Overgeleverd door Aboe Daawoed, op het gezag van Djoebayr ibn Moet’im.) Toen hem gevraagd werd om de betekenis van ‘asabiyyah uit te leggen, antwoordde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): “Het betekent het helpen van je eigen mensen in een onrechtvaardige zaak.” (Overgeleverd door Aboe Daawoed, op het gezag van Wathilah ibn al-Asqa’.)>>>

Toen hij dit had gezegd, kwam het antwoord terug van Oesayd: “Welzeker, jij bent de leugenaar en we zullen hem zeker doden. Jij bent slechts een hypocriet die een andere hypocriet verdedigt.”

Dit veroorzaakte dat de gemoederen bij zowel de Aws als de Khazradj opliepen. Ze gingen bijna tegen elkaar vechten terwijl de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) nog steeds op de minbar stond. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) moest hen kalmeren totdat ze stil werden en hun ruzie bijlegden.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Ik bleef die dag dus huilen en mijn tranen konden niet stoppen met vloeien totdat ik dacht dat mijn lever open zou barsten vanwege mijn tranen. Terwijl ik zat te huilen, waren mijn ouders bij mij en één van de vrouwen van de Ansaar kwam binnen en begon ook met mij te huilen.”

Deze vrouw van de Ansaar liet ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zien dat ze haar zuster was en er voor haar was en zij probeerde haar pijn te verzachten. Dit is één van de vele voorbeelden van broederschap en zusterschap die bestond bij de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen).

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “Terwijl wij ons in deze toestand bevonden, kwam de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) naar binnen en ging zitten. Hij had geen één keer met mij gezeten in die hele maand waarin de geruchten verspreid werden. En deze hele maand had hij geen openbaring gekregen betreffende mijn zaak. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) prees Allah nadat hij ging zetten en zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Amma ba’d (voorts). Ik heb dit en dat over jou gehoord. Als jij onschuldig bent, dan zal Allah deze beschuldiging ophelderen; en als je een zonde hebt begaan, vraag dan Allahs vergiffenis en toon berouw aan Hem, want wanneer een dienaar een zonde pleegt, het toegeeft en berouw toont, dan zal Allah zijn berouw van hem accepteren.”

Dit laat ons ten eerste het belang van de salaam zien, aangezien de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de salaam zei alvorens hij begon te spreken. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei dat als iemand tegen ons begint te spreken zonder eerst de salaam gegeven te hebben, we hem niet moeten antwoorden totdat hij het wel geeft. Ten tweede leren we ook het uitmuntende karakter en de menselijkheid van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Hij is een profeet van Allah, dus is hij geraakt door wat hij heeft gehoord. Hij wacht op wat Allah hem gaat zeggen wat hij moet doen. Ten derde leren wij het belang van het prijzen van Allah voordat we beginnen te spreken, zoals de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dit deed voor hij begon te praten met ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) en dit is de Soennah. Ten vierde zien we de zachtheid van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in de wijze waarop hij met ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) omging. Hij weet niet wat hij moet zeggen of doen, maar toch is hij vriendelijk en geeft hij haar hoop wat de situatie ook moge zijn. En tot slot worden we herinnerd aan het belang van berouw; het maakt niet uit hoe ernstig de zonde is, berouw is onze uitweg. [Zie het artikel De boetedoening voor zonden is berouw (tawbah).]

Toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) stopte met praten, vertelde ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) dat ze “stopte met huilen totdat ze geen enkele traan meer in haar ogen voelde.” ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verkeerde nu in shock aangezien het de eerste keer was dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) toegaf kennis te hebben van de geruchten. ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) wendde zich tot haar vader en zei: “Reageer op de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) namens mij. Antwoord hem! Zeg iets!”

Hij antwoordde: “Ik kan niet praten nu.”

Dus wendde ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zich tot haar moeder Oemm Roemaan en zei: “Reageer op de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem)! Zeg iets! Vertel hem dat ik dit niet heb gedaan.”

Zij antwoordde ook: “Wat kan ik zeggen tegen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem)?”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) verhaalde: “Ik was nog een jonge vrouw in die tijd en kende niet veel van de Qor-aan uit mijn hoofd, vandaar dat ik me niet meer kon herinneren wat de naam was van de vader van Yoesoef (profeet Jozef – vrede zij met hem).” Dus zei ik: “Ik weet bij Allah dat u deze geruchten heeft gehoord en dat ze in uw hart en ziel zitten en dat u ze reeds gelooft. Dus als ik u zou zeggen dat ik niet schuldig ben, zou u me niet geloven. En als ik zou toegeven aan een misdaad die ik niet heb begaan, dan zou u mij geloven en denken dat ik het gedaan heb. Dus het enige wat ik kan zeggen is wat de vader van Yoesoef zei: ‘Geduld is een schone zaak.’ En de hulp van Allah de Verhevene wordt gezocht in de kwestie die u mij zojuist heeft beschreven.”

We leren hier de volwassenheid van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) terwijl ze de situatie analyseerde, alsook haar sterke imaan (geloof). Ze is zich bewust van het verschil tussen Allah en de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

Vervolgens zei ze: “Ik draaide me om in mijn bed. Allah wist dat ik onschuldig was van deze beschuldiging en ik wist dat Allah mijn onschuld zou bewijzen. Echter, bij Allah, ik had nooit gedacht dat Allah in de Qor-aan (verzen) zou openbaren betreffende mijzelf. Ik dacht veel te laag over mijzelf dan dat Allah over mij zou spreken. Ik hoopte eerder dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in zijn droom iets zou zien wat mijn onschuld zou bewijzen.”

Hier blijkt zowel ‘Aa-ieshahs vertrouwen in Allah alsook haar bescheidenheid. Er zijn zelfs maar liefst twintig verzen in de Qor-aan over haar geopenbaard!

Ze zei verder: “Toen de openbaring voltooid was, lachte de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) van geluk.”

Eindelijk werden de verzen na een gehele maand van marteling, geruchten en verspreiden van verzinsels geopenbaard. De eerste woorden die de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) tegen haar zei, waren: “O ‘Aa-ieshah! Waarlijk, Allah heeft jouw onschuldig verklaard.”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) vervolgde: “Dus stond mijn moeder op en zei tegen mij: ‘Sta op en dank de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).’”

Maar ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) antwoordde: “Nee, bij Allah, ik zal niet voor hem opstaan. Daarentegen zal ik Allah de Verhevene mijn dank betuigen.”

Dat Allah de Verhevene twintig verzen in de Qor-aan openbaarde over deze gebeurtenis laat zien dat het een belangrijk onderwerp betreft en het herinnert ons aan de hoge status van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar).

Dit verhaal bewijst ook dat de boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) een profeet van Allah was. Als hij een valse profeet was geweest – wij zoeken toevlucht bij Allah van deze uitspraak – waarom zou hij dan een hele maand wachten!? Het feit dat hij een profeet van Allah is, betekent dat Allah openbaringen zendt wanneer Hij wil en niet wanneer de profeet dat wenste. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) was aldus een gehele maand in verwarring. Deze gebeurtenis laat ook de grote Wijsheid van Allah de Verhevene zien in het uitstellen van de openbaring. Als Allah het gewild had, dan had Hij de profeet op de eerste dag al geïnspireerd (met een openbaring), gelijk nadat de geruchten begonnen waren. Echter, door Zijn Wijsheid stelde Hij de openbaring uit. Als deze namelijk gelijk was gekomen, dan had het verhaal ons niet zo geraakt zoals het ons nu heeft geraakt.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zegt dat Allah tien verzen openbaarde over deze gebeurtenis en tien verzen over de regelgevingen die toegepast dienen te worden. Dit zijn de verzen 11 tot 31 van soerat an-Noer (24).

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, degenen die kwamen met de laster (tegen ‘Aa-ieshah, de vrouw van de profeet) zijn een groep van jullie. Beschouw het niet als iets slechts voor jullie. Integendeel! Het is goed voor jullie. (#3) Eenieder van hen zal vergolden worden voor hetgeen hij aan zonde heeft begaan; en wat betreft degene onder hen die het grootste aandeel daarin had, voor hem is er een geweldige kwelling. Waarom hadden de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, toen jullie het (de laster) hoorden, geen goede vermoedens over elkaar, en zeiden (zij niet): ‘Dit is duidelijke laster’? (#4) Waarom kwamen zij (de lasteraars) niet met vier getuigen daarvoor? Wanneer zij niet komen met getuigen, dan zijn zij bij Allah de leugenaars.” [Soerat an-Noer (24), aayah 11-13.]

<<< (#3) In het wereldse en in het Hiernamaals, waaronder een eervolle vermelding in deze wereld en een verheven positie in het Hiernamaals. Allah de Verhevene toonde de eervolle positie door Zijn zorg jegens ‘Aa-ieshah (moge Hij tevreden zijn met haar), de moeder der gelovigen, door haar onschuld te openbaren in de Geweldige Qor-aan. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

<<< (#4) Een duidelijke leugen en laster die verspreid werden over Oemm al-Moe-eminien (moge Allah tevreden zijn met haar). Wat plaats heeft gevonden was geen reden tot het hebben van enige verdenking. Het feit dat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) openlijk kwam, rijdend op de kameel van Safwan ibn al-Moe’attal, midden in de dag, terwijl het volledige leger getuige was en de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) onder hen was. Indien de situatie enige reden van verdenking zou hebben gehad, dan zouden zij niet openlijk aankomen en zouden zij niet openlijk gekomen zijn op deze manier tegenover zo veel getuigen. De verdenking had plaats kunnen vinden indien zij stiekem en in het geheim zouden zijn gekomen. Hetgeen de lasteraars hebben verspreid was een pure leugen, een valse getuigenis en een onrechtvaardige en onzedelijke dwaasheid en een mislukte actie.” (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

“En als de Gunst van Allah en Zijn Barmhartigheid er niet waren geweest jegens jullie in deze wereld en het Hiernamaals, dan zou een geweldige kwelling jullie getroffen hebben wegens hetgeen waar jullie mee bezig waren. (#5) Toen jullie het verspreidden met jullie tongen en met jullie monden zeiden waar jullie geen weet van hadden en jullie beschouwden het als iets onbeduidends, terwijl het bij Allah ernstig is (#6).” [Soerat an-Noer (24), aayah 14-15.]

<<< (#5) Wat betreft de hypocrieten die zich bezighielden met de laster, zoals ‘Abdoellaah ibn Oebayy ibn Saloel en soortgenoten, zij zijn niet degenen naar wie in dit vers verwezen wordt, want zij hadden onvoldoende geloof en rechtschapen daden om hetgeen zij gedaan hebben te vereffenen of te compenseren. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

<<< (#6) Hier worden drie dingen afgekeurd: (1) als anderen een slecht woord uiten, is dat geen reden dat jij toestaat dat het jouw tong vervuilt, (2) als er een gedachte of verdenking in je opkomt welke niet gebaseerd is op onbetwistbare kennis, dien je het geen ruchtbaarheid te geven door het te verspreiden, en (3) anderen kunnen denken dat het slechts iets onbeduidends is om ergens over te spreken wat het karakter of de reputatie van iemand bezoedelt: in de Ogen van Allah (volgens de wet van Allah) is het een zeer serieuze kwestie in elk geval, maar vooral wanneer het betrekking heeft op de eer en reputatie van vrome vrouwen. (A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.) In as-Sah’ieh’ayn is overgeleverd (Nederlandstalige interpretatie): “Een man kan een woord zeggen dat Allah boos maakt zonder zich te realiseren hoe ver het zal gaan, en vanwege dat zal hij in de Hel geworpen worden voor een afstand groter dan die tussen de hemel en de aarde.” (Tefsier Ibn Kethier.) Men dient altijd goed te denken over mensen, d.w.z. als er iets negatiefs genoemd wordt over goede mensen, dan dient men toch het goede over hen te denken en niets te voelen jegens hen behalve het goede (wellicht is het een misverstand, of laster, of heeft iemand een excuus). Als iemand toch enige ongepaste gedachten over hen krijgt, geïnsinueerd door de shaytaan (satan), dan dient hij daar niet over te spreken, want de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Allah zal mijn oemmah (gemeenschap) vergeven voor hetgeen dat in hun gedachten voorkomt, zolang als zij er niet over spreken of er naar handelen.” Dit is overgeleverd in de twee sah’ieh’ h’adieth-verzamelingen.>>>

“En waarom zeiden jullie niet, toen jullie het hoorden: ‘Het is niet gepast voor ons om daarover te spreken. Glorieus bent U (O Allah)! Dit is een geweldige leugen’? Allah verbiedt jullie dat jullie ooit terugkeren tot iets vergelijkbaars, indien jullie gelovigen zijn. En Allah verduidelijkt voor jullie de aayaat (bewijzen, verzen, tekenen) en Allah is Alwetend, Alwijs.” [Soerat an-Noer (24), aayah 16-18.]

We leren uit deze aayaat (verzen) dat als drie mensen ooggetuigen zijn van een daad van overspel (zinaa), het h’araam voor hen is om deze kennis te verspreiden, zelfs in de aanwezigheid van een qaadhie (rechter). Allah de Verhevene zegt dat als ze het verspreiden, zij leugenaars zijn. Hieruit blijkt de schoonheid en eer die de moslimvrouwen hebben gekregen.

Vervolgens leren we wat de bestraffing is voor de mensen die zulke leugens verspreiden; ze zouden tachtig keer geslagen moeten worden. Drie van de sah’aabah werden geslagen – H’asan ibn Thaabit, Mistah’ en Hamaanah bint Djah’sh. Wat betreft de moenaafiq, ‘Abdoellaah ibn Oebay ibn Saloel, hij werd door de wijsheid van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) onaangeraakt gelaten, vanwege de Woorden van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “…en wat betreft degene onder hen die het grootste aandeel daarin had, voor hem is er een geweldige kwelling.” [Soerat an-Noer (24), aayah 11.]

We leren ook uit deze aayaat dat het mogelijk is voor een groot persoon met een sterke imaan (geloof) om fouten te maken. De drie sah’aabah maakten een fout en door gegeseld te worden, zijn zij vergeven.

Één van hen, Mistah’, was een familielid van Aboe Bakr (moge Allah tevreden zijn met hen). Hij was ook een zeer arm persoon en iemand die de emigratie (hidjrah) had verricht. Aboe Bakr was tevens gewoon hem altijd te helpen door geld te geven. Na deze gebeurtenis, zei Aboe Bakr (moge Allah tevreden zijn met hem): “Bij Allah, ik zal zolang ik leef geen enkele cent aan Mistah’ geven.” Dit zei hij vanwege zijn laster tegen zijn dochter ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar).

Allah de Verhevene zegt daarom (Nederlandstalige interpretatie): “En laat degenen onder jullie die begunstigd zijn (met religieuze voortreffelijkheid) en welvarend zijn niet zweren dat zij niet zullen geven aan de verwanten en de armen en de emigranten op de weg van Allah. En laat hen vergeven en kwijtschelden. Houden jullie er niet van dat Allah jullie vergeeft? En Allah is Vergevensgezind, Barmhartig.” [Soerat an-Noer (24), aayah 22.]

O.a. hieruit blijkt de schoonheid van de Islaam. Allah de Verhevene werd niet boos op Aboe Bakr (moge Allah tevreden zijn met hem) omdat hij zijn hulp terug wilde trekken aangezien het zijn volste recht was. Maar Hij gaf hem een mooie en vriendelijke herinnering – hou je er niet van dat Allah jou zal vergeven?

Allah de Verhevene vergeeft ons als wij anderen vergeven die ons onrecht hebben aangedaan. Toen deze verzen geopenbaard werden, zei Aboe Bakr: “Jawel (maar natuurlijk)! Ik wens dat Allah mij vergeeft. Bij Allah, ik zal zolang ik leef nooit stoppen met het geven van geld aan Mistah’.”

Dit laat ons mooi zien wat een voorbeeldig gedrag Aboe Bakr (moge Allah tevreden zijn met hem) had. Toen Allah de Meest Barmhartige deze verzen openbaarde, koos hij Zijn zegening en vergiffenis boven wat dan ook.

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei verder: “De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) had al Zaynab ibn Djah’sh gevraagd over mij, en zij was mijn grootste concurrent onder de vrouwen van de profeet. Hij vroeg haar: ‘Wat weet jij over haar?,’ en: ‘Wat heb je van haar gezien?’ Zaynab antwoordde: ‘O boodschapper van Allah! Ik zal mijn gehoor en zicht beschermen. Bij Allah, ik ken alleen het goede over haar.’”

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei: “Aldus heeft Allah haar gered vanwege haar vroomheid. Maar haar zus Hamaanah dacht dat zij namens haar vocht door de laster te verspreiden, dus werd zij vernietigd samen met de anderen die vernietigd werden.”

Dit laat ons het kwaad zien van het vechten op basis van relaties (‘asabiyyah) uit de djaahielieyyah. Door Zaynabs imaan, trad zij niet in overtreding, maar haar zus Hamaanah wel.

‘Oerwah verhaalde ook dat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) het haatte als H’asan ibn Thaabit in haar bijzijn werd vervloekt. Zij zocht geen wraak en haalde er geen plezier uit het vervloeken van degenen die deze fout hadden begaan (jegens haar).

‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) zei: “En de man die zij hadden beschuldigd (Safwan ibn al-Moe’attal) – toen de geruchten aan de gang waren, zei: ‘Soebh’aan Allaah (Vervolmaakt is Allah), bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik heb nog nooit in mijn hele leven het gewaad opgeheven van welke vrouw dan ook (in die tijd was hij nog niet getrouwd).’ Hij stierf later als martelaar.”

 

Conclusie

Één van de grootste voordelen die we kunnen halen uit dit verhaal, is het besef wat voor kwaad het verspreiden van roddels en geruchten kan veroorzaken. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Er zijn drieënzeventig soorten ribaa (rente), de minst ernstige daarvan is gelijk aan een man die seksuele gemeenschap heeft met zijn eigen moeder en de ergste daarvan is de eer van je moslimbroeder schenden.”

We leren over het kwaad van ghiebah, namiemah en ifk. Ghiebah is het roddelen over een medemoslim. Als het de waarheid betreft, over die persoon, wat je vertelt aan een ander, dan is het nog steeds ghiebah. En wanneer het gezegd wordt tegen de persoon in kwestie dan is het slecht karakter.

Namiemah is het verspreiden van roddels, verzinsels en leugens. Dus het kan hier zowel de waarheid als valsheid betreffen. Namiemah heeft vaak het effect vriendschappen kapot te maken, en het is erger dan ghiebah, want de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd dat degene die zich bezighoudt met namiemah het Paradijs niet zal betreden. Dit is omdat de schade die door ghiebah veroorzaakt wordt in vergelijking kleiner is. Ifk is pure laster en leugens, en dit is wat ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) overkomen is.

De laatste les die er getrokken kan worden uit het verhaal van deze ifk (laster), is het feit dat Allah de Verhevene Zijn dienaren beproeft. (In feite kunnen er nog vele andere lessen getrokken worden uit dit verhaal, maar om het artikel niet te lang te maken, noemen wij deze als laatste in shaa-a Allaah.)

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) was het meest geliefd bij Allah en ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden zijn met haar) was de meest geliefde vrouw van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), en toch werden beiden enorm beproefd door Allah. Maar altijd, wanneer er een periode van moeilijkheid is waarin Allah je beproeft, dan zal het gevolgd worden door een periode van gemak en rust. Het is daarom onze verantwoordelijkheid om tijdens deze beproevingen geduldig te zijn en niet uit het oog te verliezen wat goed en slecht is, en er zeker van te zijn dat we naderhand zullen overwinnen.
Relevante artikelen:

Het huwelijk van de profeet Mohammed met ‘Aa-ieshah

Roddelen – je hebt je broeders vlees gegeten

De Drievoudige Filtertest

Kijk naar je tong en je handen!

Wanneer vrienden elkaar pijn doen

Kun jij een geheim bewaren?

Vraag 27. Wanneer is er sprake over echt roddelen?