Het bestand van H’oedaybiyyah

Een morele overwinning waardoor de deuren naar de aansluitende triomf van de Islaam op het Arabische schiereiland geopend werden.

Hoedaybiyyah klUit het boek De Geschiedenis van de Islaam (deel 1) (zie onderaan deze pagina).
Geschreven door Akbar Shah Najeebabadi.
Herzien door Safiyyoe Rah’maan Moebarakpoeri.
Vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Alle lof is voor Allah, de Heer der werelden. Allahs zegeningen en vrede zijn met de profeet Moh’ammed, zijn familie en metgezellen en iedereen die hen in het goede volgt.

Hoewel de religie van Ibraahiem (Abraham – vrede zij met hem) een onderdeel was van de cultuur in geheel Arabië, waren de mensen verleid tot polytheïsme en het aanbidden van afgodsbeelden. Maar ondanks dit hadden zij veel eerbied voor de Ka’bah (Kaäba) en verrichtten zij zeer regelmatig de h’adj [bedevaart – maar in zeer afwijkende vorm (#1)]. Ook stopten zij met vechten tijdens de dagen van de h’adj.

<<<(#1) Noot vertaler: Sa’ied ibn Djoebayr zei dat Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden over hem zijn) zei over vers 8:35 van de Qor-aan: “De Qoeraysh verrichtten tawaaf (rondjes lopen om de Ka’bah) naakt, fluitend en klappend in hun handen, want moekaa-e betekent ‘fluiten’ en tasdiyah betekent ‘klappen in de handen’.” (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

In de maand Shawwaal van het jaar 6 H. (zie het artikel Islamitische kalender) droomde profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat hij samen met zijn metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) de Ka’bah binnen ging. De moslims in al-Medienah hadden een groot verlangen om de Ka’bah in Mekkah te bezoeken en deze droom versterkte dit verlangen. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) besloot om de Ka’bah te bezoeken en om de ‘oemrah (de vrijwillige kleine bedevaart) te verrichten. Hij verliet al-Medienah in de maand Dzoe l-Qi’dah 6 H. en ging met 1400 metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) en zeventig offerkamelen naar Mekkah. Zij verkeerden allemaal in de staat van ih’raam (#2). Hun komst als pelgrims symboliseerde hun vreedzame intenties en de Mekkanen hadden niet het recht om de moslims te verhinderen de Ka’bah te bezoeken.

<<<(#2) Noot vertaler: ih’raam is een toestand waarin het voor iemand verboden is om bepaalde daden te verrichten die op andere tijden wel toegestaan zijn. De verplichtingen van ‘oemrah en h’adj worden verricht in zo’n toestand. In ih’raam draagt een man slechts twee doeken zonder stiksel, namelijk izaar, gedragen om zijn middel wat zijn onderlichaam bedekt, en ridaa-e, gedragen om het bovenste gedeelte van zijn lichaam. Zaken zoals jagen, het gebruik van parfum, het knippen van haren en nagels, geslachtsgemeenschap etc. zijn in ih’raam verboden.>>>

Toen zij Dzoel-H’oelayfah bereikten, zond de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) uit voorzorg een man van de Khoezaa’ah stam om de situatie te bestuderen. Hij kwam terug en vertelde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dat de Qoeraysh een groot aantal mensen had verzameld om te voorkomen dat de moslims de Ka’bah zouden bereiken. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) raadpleegde zijn metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn). Aboe Bakr (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “We zijn hier gekomen om de ‘oemrah te verrichten en niet om te vechten. Maar als er iemand tussen het Huis van Allah en ons in staat, dan moeten we tegen hen vechten.” Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dit hoorde, beval hij de moslims om door te gaan. De Qoeraysh hadden Khaalid ibn al-Walied (die toen nog geen moslim was) met een groep ruiters naar Koera’ al-Ghamim gestuurd om de moslims te beletten de Ka’bah te naderen. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) nam een andere route via de rechterzijde om de hoofdroute te mijden. Ineens passeerden zij Khaalid ibn al-Walied, die zeer geschrokken op zijn paard naar Mekkah galoppeerde om hen in te lichten over het dreigende gevaar. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) had inmiddels het heuvelachtige gebied bereikt, waar de omliggende gebieden van de stad Mekkah begonnen. Zijn dromedaris ging daar zitten. De mensen om hem heen merkte op: “De dromedaris is in de war.” Daarop zei de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) (Nederlandstalige interpretatie): “De dromedaris is niet in de war, maar ze is verhinderd door Degene Die de olifanten verhinderd heeft om de stad binnen te gaan.”

 

De ligging van H’oedaybiyyah

Map HoedaybiyyahDe profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vond het niet gepast om Mekkah en het Huis van Allah aan te vallen, omdat dit gebieden waren waar het vechten verboden was door Allah de Verhevene. Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) berispte vervolgens de dromedaris en deze stond op en ging verder. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hield halt bij de bron van H’oedaybiyyah. De bron was ontoereikend en het water raakte snel op. Toen de mensen in de problemen dreigden te raken, nam de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) een pijl uit zijn pijlenkoker en gaf deze aan Baraa-e ibn ‘Aazib (moge Allah tevreden over hem zijn), die de pijl in de bron moest gooien. Na het gooien van de pijl stroomde er zoveel water dat het moslimleger niet langer een tekort aan water had.

Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zijn kamp opgeslagen had bij H’oedaybiyyah, kwam Boedayl ibn Warqa’ Khoezaa’ie met een aantal mannen om te vragen wat het doel was van de komst van de moslims. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Zien jullie de rijen offerdieren vooraan de karavaan niet en zien jullie niet dat wij in de staat van ih’raam verkeren?” Nadat zij dit gehoord hadden, gingen zij terug naar de Qoeraysh en zeiden: “Jullie slaan onnodig alarm voor Moh’ammed. Hij is hier enkel gekomen met de intentie om het Huis van Allah te bezoeken en niet om met jullie te vechten.” De kwaadwillenden onder de Qoeraysh zeiden: “Wij zullen hen niet toestaan om hier te komen, zelfs niet als pelgrims.” Maar de wijzeren onder hen begonnen in stilte na te denken.

Toen stuurden zij Hoelays ibn ‘Alqamah Kinaanai, de leider van de Ahaabish stammen (stammen rondom Mekkah), als hun afgevaardigde. Maar hij keerde al terug nadat hij de offerdieren had gezien, zonder de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) benaderd te hebben, en zei tegen de Qoeraysh: “De moslims zijn hier niet gekomen om te vechten, maar om de ‘oemrah te verrichten en niemand heeft het recht om hen te verhinderen dat te doen.” Nadat de Qoeraysh dit hoorden, zeiden ze: “Jij barbaar, jij weet niets, wij zullen de moslims nooit toestaan Mekkah binnen te gaan, anders zullen wij te schande gemaakt worden.” Hoelays werd boos en zei: “Als jullie de moslims verhinderen om ‘oemrah te verrichten, dan zullen wij tegen jullie vechten met al onze mannen.” In reactie op al deze activiteiten, zond de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Khiraash ibn Oemaayyah Khoezaa’ie met de boodschap dat zij niet gekomen waren om te vechten, maar om de ‘oemrah te verrichten en hun dieren te offeren. De Qoeraysh slachtten de kameel van Khiraash en probeerden ook hem te vermoorden. Maar Hoelays en zijn mannen redden hem en brachten hem veilig terug. Vervolgens kwam een groep koppige jongelingen uit Mekkah met het plan om een plotselinge aanval uit te voeren op de moslims. Zij werden allemaal opgepakt, maar later weer vrijgelaten op bevel van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem).

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) wilde vervolgens ‘Oemar al-Faaroeq (moge Allah tevreden over hem zijn) naar de Mekkanen sturen. Daarop zei ‘Oemar (moge Allah tevreden over hem zijn): “Ik heb er geen bezwaar tegen om naar Mekkah te gaan, maar niemand van mijn stam Banoe ‘Adie ibn Ka’b is in Mekkah om mij bescherming te verlenen. Mijn bezoek kan mij in de problemen brengen. ‘Oethmaan ibn ‘Affaan is geschikter voor deze taak, want een groot aantal machtige en invloedrijke mensen van zijn stam Banoe Oemaayyah zijn nog steeds in Mekkah.” Deze suggestie werd door de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gewaardeerd en hij stuurde ‘Oethmaan ibn ‘Affaan (moge Allah tevreden over hem zijn) als zijn gezant naar Aboe Soefyaan. ‘Oethmaan (moge Allah tevreden over hem zijn) ging Mekkah binnen en kwam langs Abaan ibn Sa’ied ibn al-‘Aas die hem meteen onder zijn hoede nam en hem naar Aboe Soefyaan en de andere hoofdmannen van de Qoeraysh bracht. Nadat zij van ‘Oethmaan (moge Allah tevreden over hem zijn) de boodschap van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hadden vernomen, zeiden ze: “Wij geven jouw toestemming om rondom de Ka’bah te gaan.” Daarop zei ‘Oethmaan (moge Allah tevreden over hem zijn): “Ik kan niet alleen om de Ka’bah gaan, zonder de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem).” Toen zij dit hoorden, werden de Qoeraysh boos en hielden hem vast in Mekkah. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

Hoedaybiyyah wp 1

 

Het verdrag van Ridwaan

Toen de terugkeer van ‘Oethmaan (moge Allah tevreden over hem zijn) even op zich liet wachten, deed onder de moslims het gerucht de ronde dat hij vermoord was. Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dit hoorde, zei hij vastberaden (Nederlandstalige interpretatie): “We zullen deze plaats niet verlaten zonder de moord van ‘Oethmaan te wreken.” Aldus ging hij onder een boom zitten en liet al zijn metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) beloven dat zij hun levens zouden opofferen voor deze zaak. Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) verwijst in de Nobele Qor-aan als volgt naar deze gebeurtenis (Nederlandstalige interpretatie): “Bij Allah! Allah was werkelijk tevreden over de gelovigen toen zij jou trouw zwoeren (o Moh’ammed) onder de boom (in al-H’oedaybiyyah)…” [Soerat al-Fath’ (48), aayah 18.]

Maar ‘Oethmaan (moge Allah tevreden over hem zijn) kwam kort daarna terug uit Mekkah. Hoewel de kalme en verstandige groep van de Qoeraysh er niet van hield om te vechten, drong de meerderheid er op aan om te vechten en de moslims te doden. Maar toen zij zagen dat de moslims bereid waren om te vechten, nam hun strijdlust af. Vervolgens stuurden de Qoeraysh ‘Oerwah ibn Mas’oed, de leider van Banoe Thaqif, naar de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Hij kwam en zei: “O Moh’ammed! Alle clans van de Qoeraysh zijn vastberaden om de strijd met jullie aan te gaan. De mensen die nu hun steun aan jullie verlenen, zullen zich uit de voeten maken en jullie alleen laten, want zij zijn niet in staat om de aanval van de Qoeraysh te weerstaan.”

Aboe Bakr (moge Allah tevreden over hem zijn) beantwoordde hem zo fel, dat hij stil bleef. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei tegen Oerwah (Nederlandstalige interpretatie): “Wij zijn hier niet gekomen met de intentie om te vechten, maar met het verlangen om de ‘oemrah te verrichten. Maar als de Mekkanen vastbesloten zijn om te vechten, zal ik met hen vechten om de verplichtingen van mijn profeetschap te vervullen, totdat mijn hoofd van mijn lichaam gescheiden is of Allah de Almachtige de zaak Zelf besloten heeft. Als de Mekkanen het wensen; ik ben bereid om tot een wapenstilstand te komen, indien zij ons onze prediking laten verrichten, of de Islaam accepteren en het vechten voor altijd uitbannen.”

 

De grote liefde van de metgezellen voor de boodschapper

Oerwah strekte tijdens zijn gesprek met de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) telkens zijn hand uit naar de baard van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Moeghirah ibn Shoe’bah (moge Allah tevreden over hem zijn) raakte hierdoor geïrriteerd en vroeg hem zich te gedragen, door met het handvat van zijn zwaard op zijn hand te tikken. Toen hij terug kwam bij de Qoeraysh, zei hij: “O mensen van de Qoeraysh! Ik ben bij de prachtige koninklijke paleizen van Rome en Perzië geweest, maar nergens zag ik een leider die zo geliefd was bij zijn mensen als Moh’ammed is bij zijn volgelingen. (#3) Zijn metgezellen hebben een zodanige grote liefde en respect voor hem dat wanneer hij zich reinigt, zij zich inspannen om het water dat hij gebruikt heeft te bemachtigen en het niet op de grond te laten vallen. Als hij spreekt, luistert iedereen aandachtig en niemand durft hem recht in zijn ogen te kijken. Zij zullen Moh’ammed niet verlaten, wat er ook gebeurt. Accepteer wat Moh’ammed aan jullie verklaard heeft en sluit een vredesovereenkomst met hem.” Hierop stuurden de Qoeraysh Soehayl ibn ‘Amr met de volmacht om een compromis te sluiten, onder voorwaarde dat profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zijn instemming zou geven om dit jaar met zijn mannen terug te keren en om pas het volgende jaar terug te komen om de ‘oemrah te verrichten.

<<<(#3) Noot vertaler: de eerste moslims voelden zich tot de Islaam aangetrokken omdat zij zich voelden aangetrokken tot het hoogstaande karakter van de profeet van de Islaam (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Zij groeiden met hem op, en omdat zij hem kenden, hielden zij van hem. Goed gedrag is wellicht de beste da’wah (uitnodiging tot de Islaam) die er is. Sheikh Salmaan al-‘Awdah zei: “Helaas roepen veel moslims mensen op tot de Islaam met hun tong, terwijl ze hen er van wegjagen met hun schandelijke, tegenstrijdige gedrag en hun bekrompenheid.” Zie het artikel De belangrijkheid van akhlaaq – goed gedrag.>>>

Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Soehayl zag naderen, zei hij (Nederlandstalige interpretatie): “De zaak is nu gemakkelijk geworden, aangezien ze deze man gestuurd hebben. Het lijkt erop dat zij vrede willen.” Soehayl maakte de voorwaarden voor het verdrag bekend en de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) accepteerde deze allemaal. Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) riep vervolgens ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) en vroeg hem een ontwerp te maken van de overeenkomst. ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) schreef “Bismilaahir-Rah’maanier-Rah’iem (in de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle)” boven het document. Soehayl maakte hier bezwaar tegen en zei: “Wij erkennen ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige) niet, dus schrijf Bismika Allaahoemma (in Uw Naam, O Allah), zoals gebruikelijk is.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Goed, doe het zo.”

Toen ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) de naam van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) schreef, “Moh’ammed, de boodschapper van Allah”, protesteerde Soehayl opnieuw en zei: “Als wij ervan overtuigd waren dat jij de boodschapper van Allah zou zijn, dan hadden wij jou niet van het Huis van Allah weggestuurd, noch met jou gevochten. Je dient te schrijven: Moh’ammed ibn ‘Abdoellaah.” “Ik ben de boodschapper van Allah, ook al geloof je niet in mij,” antwoordde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en hij droeg ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) op om te verwijderen wat hij geschreven had. ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) antwoordde: “Bij Allah, dat kan ik niet doen.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vroeg ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) om hem de plaats aan te wijzen waar het geschreven stond (aangezien de profeet niet kon lezen). ‘Alie (moge Allah tevreden over hem zijn) wees het de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) aan, die het vervolgens zelf uitwiste.

 

De voorwaarden

De voorwaarden van het verdrag waren als volgt:

1.) De moslims zouden het volgende jaar de ‘oemrah verrichten in plaats van dit jaar. Wanneer zij Mekkah binnen zouden gaan, mochten zij geen wapentuig bij zich dragen, behalve hun zwaarden die in de schede moesten steken. Bovendien mochten zij niet langer in Mekkah verblijven dan drie dagen.

2.) Het verdrag was geldig voor een periode van 10 jaar. Er werd overeengekomen dat geen van beide partijen een hand zou uitsteken naar de ander gedurende die periode.

3.) Elke stam of clan van Arabië had het recht om een overeenkomst aan te gaan met de partij van hun keuze; maar de bondgenoten dienden zich ook naar letter en geest te houden aan de voorwaarden van het verdrag.

4.) Als er iemand van de Qoeraysh naar de profeet r zou overlopen zonder toestemming van zijn beschermer, dan moest hij teruggestuurd worden naar zijn beschermer; maar als er iemand bij de profeet r zou ontsnappen en naar de Qoeraysh zou gaan, dan waren zij niet verplicht om hem terug te sturen.

 

Reactie op de vredesovereenkomst

De metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) ergerden zich enorm aan de vierde voorwaarde van het verdrag. Toen men het verdrag nog aan het schrijven was, kwam Aboe Djandal (moge Allah tevreden over hem zijn), de zoon van Soehayl, uit zijn gevangenschap bij de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Hij was geketend en genadeloos gemarteld in verband met zijn belijdenis van de Islaam. Hij liet verse wonden op zijn lichaam zien en maakte zijn verlangen kenbaar om meegenomen te worden naar al-Medienah. Soehayl schreeuwde van opwinding: “Aboe Djandal dient volgens de voorwaarden van het verdrag aan mij overgedragen te worden.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) probeerde Soehayl nog van gedachten te laten veranderen, maar hij stemde hier niet mee in. Uiteindelijk nam Soehayl Aboe Djandal (moge Allah tevreden over hem zijn) mee terug naar Mekkah en sloeg hem ernstig.

‘Oemar (moge Allah tevreden over hem zijn) was getuige van deze beklagenswaardige gebeurtenis en verloor de controle over zichzelf. Hij verscheen vervolgens bij de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en zei: “O boodschapper van Allah! Bent u niet een ware profeet?” “Natuurlijk! Ik ben een ware profeet,” antwoordde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). “Zijn wij geen gelovigen?” “Natuurlijk! Jullie zijn gelovigen,” antwoordde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hem. ‘Oemar (moge Allah tevreden over hem zijn) vroeg vervolgens: “Zijn zij geen afgodenaanbidders?” “Natuurlijk! Zij zijn afgodenaanbidders,” zei de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). ‘Oemar (moge Allah tevreden over hem zijn) vroeg toen: “Waarom accepteren wij dan zulke schandelijke voorwaarden?” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Ik ben de boodschapper van Allah en kan daarom het Bevel van Allah niet bestrijden, noch kan ik enige breuk van vertrouwen begaan. Hij (Allah de Verhevene) zal me nooit te schande maken.” Toen ‘Oemar (moge Allah tevreden over hem zijn) dit hoorde, kalmeerde zijn woede en toonde hij diep berouw voor zijn brutaliteit tegenover de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Hij bleef Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) om vergiffenis vragen en liet slaven vrij om zijn incorrecte gedrag goed te maken. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

Hoedaybiyyah wp 2

 

Een opmerkelijke overwinning

Nadat het verdrag afgerond was, offerde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en de moslims hun offerdieren bij H’oedaybiyyah, deden hun ih’raam uit en scheerden hun hoofden.

Na dit verdrag vormde de Khoezaa’ah stam een bondgenootschap met de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en vormde de Banoe Bakr stam een bondgenootschap met de Qoeraysh van Mekkah. De Khoezaa’ah en de Banoe Bakr verkeerden sinds behoorlijk lange tijd in onenigheid met elkaar. Omdat elk van hen een bondgenootschap vormde met een andere partij, moesten zij volgens de voorwaarden van het verdrag met elkaar in vrede leven.

Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) uit H’oedaybiyyah terugkeerde naar al-Medienah, werd onderweg soerat al-Fath’ [de Overwinning (48)] geopenbaard. (#4) Wat de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) zagen als een nederlaag, was in feite een opmerkelijke overwinning. Zeer spoedig zagen de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) met hun eigen ogen dat de ogenschijnlijke zwakke voorwaarden voor de moslims zeer sterk en nuttig bleken te zijn.

<<<(#4) Noot vertaler: deze soerah begint met (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Wij hebben jou (o Mohammed) een duidelijke overwinning geschonken.” [Soerat al-Fath’ (48), aayah 1.] Er is overgeleverd dat ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden over hem zijn) en anderen zeiden: “De mensen beschouwen de verovering van Mekkah als de verovering, maar wij beschouwden het bestand van H’oedaybiyyah als de werkelijke overwinning.” (Tefsier Ibn Kethier.) Het was een morele overwinning waardoor de deuren naar de aansluitende triomf van de Islaam op het Arabische schiereiland geopend werden.>>>

De grootste overwinning voor de moslims was de voorwaarde van vrede die door dit bestand veilig gesteld was. Dit maakte de weg vrij om de Islaam zeer snel te verspreiden. Dit zou niet mogelijk geweest zijn in een situatie van oorlog en wanorde. Oorlogen zijn in de Islaam altijd gevochten om vrede te behalen. Het gevolg was dat in slechts twee jaar na de vredesovereenkomst van H’oedaybiyyah het aantal gelovigen was verdubbeld.

 

Gevolgen van de vredesovereenkomst van H’oedaybiyyah

De vierde voorwaarde van het verdrag ergerde de moslims enorm. Deze voorwaarde was weerzinwekkend voor de moslims, maar de Qoeraysh verzochten de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) uiteindelijk om deze voorwaarde – die op het eerste gezicht in hun voordeel leek te zijn – op te heffen. De volgende gebeurtenissen tonen aan wat de oorzaak was van deze verrassende wending.

Een paar dagen na de terugkomst van de moslims in al-Medienah, ontsnapte Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn), die de Islaam in Mekkah had erkend, en hij zocht toevlucht in al-Medienah. De Qoeraysh zonden twee van hun mannen naar al-Medienah om Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) terug naar Mekkah te brengen volgens het recentelijk getekende verdrag. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) stuurde hem terug. Bij Dzoel-H’oelayfah zei hij tegen één van zijn bewakers: “Jouw zwaard lijkt van de hoogste kwaliteit te zijn.” Toen hij dit hoorde, trok de andere bewaker het zwaard van zijn collega uit de schede en begon het te bewonderen. Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “Laat mij het zwaard eens bekijken.” Hij gaf het zonder enige voorzichtigheid aan Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn).

Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) sloeg hem zo hard met het zwaard, dat zijn hoofd er af viel. De andere bewaker vluchtte naar al-Medienah en ging uit vrees de masdjid (moskee) van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) binnen en vertelde het incident aan de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Hij was nog bezig met het vertellen over het incident, toen Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) binnenkwam, hem achtervolgend met het getrokken zwaard. Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) wist dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) het hem kwalijk zou nemen en toen hij inzag dat hij in al-Medienah geen bescherming kon krijgen in verband met het verdrag, zei hij tegen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem): “U heeft uw verplichting vervuld door mij over te dragen aan de afgodenaanbidders. Maar Allah de Almachtige heeft mij in staat gesteld om mijn vrijheid terug te krijgen. Ik zal nu weg gaan, omdat u uw overeenkomst wilt uitvoeren. Geef me weer over aan de afgodenaanbidders.” Toen hij dit gezegd had, verliet hij de plaats. De bewaker van de Qoeraysh keerde terug naar Mekkah en vertelde het incident aan hen.

Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) vluchtte naar de kust. Toen Aboe Djandal ibn Soehayl (moge Allah tevreden over hem zijn) dit te horen kreeg, vluchtte hij ook uit Mekkah en sloot zich aan bij Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn). Vervolgens vluchtte eenieder die de Islaam in Mekkah geaccepteerd had uit Mekkah om zich aan te sluiten bij de groep van Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn). De groep werd zo sterk dat zij de handelskaravanen van Mekkah begonnen te onderscheppen. Deze situatie bracht zoveel problemen voor de Qoeraysh met zich mee, dat zij naar de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) schreven en hem vroegen om de vierde voorwaarde van het verdrag teniet te doen. Zij zouden niet langer de terugkeer eisen van moslims die uit Mekkah ontsnapten en naar hem (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gingen.

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) accepteerde het verzoek van de Qoeraysh en zond een boodschap naar Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) om samen met zijn groep naar al-Medienah te komen. Dit bevel bereikte Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) op het moment dat hij ernstig ziek was en in bed moest blijven. Hij riep Aboe Djandal (moge Allah tevreden over hem zijn) echter bij zich en droeg hem op om het bevel onmiddellijk uit te voeren. Vervolgens stierf Aboe Basir (moge Allah tevreden over hem zijn) en Aboe Djandal (moge Allah tevreden over hem zijn) vertrok met zijn groep naar al-Medienah. Op deze manier werd de verachte vierde voorwaarde van het verdrag opgeheven.

 

De terugkomst van de moslims uit Abessinië

De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) stuurde na zijn terugkomst uit H’oedaybiyyah ‘Amr ibn Oemaayyah Damrie (moge Allah tevreden over hem zijn) met een brief voor Negus, de koning van Abessinië (het huidige Ethiopië), om Dja’far ibn Aboe Taalib (moge Allah tevreden over hem zijn) en alle andere moslimimmigranten terug te halen naar al-Medienah. In dit bericht had de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Negus eveneens uitgenodigd om de Islaam te accepteren, wat hij onmiddellijk deed. Hij zei de moslims vaarwel met vele kostbare geschenken. Vanuit H’oedaybiyyah bereikte de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) al-Medienah in Dzoel-H’iedjah en hij bleef in al-Medienah tot Moeh’arram 7 H. Aan het einde van het jaar 6 H. introduceerde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) bij de moslims de beoefening van het racen met kamelen en paarden. Er is overgeleverd dat de moeder van ‘Aa-ieshah (moge Allah tevreden over haar zijn) in datzelfde jaar overleed en dat Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn) de Islaam omarmde.

En tot Allah keren wij allemaal terug.

Kaft Geschiedenis van de Islaam deel 1 grGenomen uit het 628 pagina’s tellende boek De Geschiedenis van de Islaam (deel 1), geschreven door Akbar Shah Najeebabadi, vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah en te bestellen via onze webshop, en met uw aankoop steunt u de da’wah van www.uwkeuze.net. Dit interessante boek geeft een uitgebreide biografie van de profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en het beschrijft de belangrijkste gebeurtenissen tijdens de regeerperioden van de vier rechtgeleide khaliefen – Aboe Bakr, ‘Oemar, ‘Oethmaan en ‘Alie (moge Allah tevreden over hen zijn).

 

Relevante artikelen:

Geschiedenis (diverse artikelen)