H’adieth 34

Het veranderen van iets verwerpelijks.

40 NawawiehOverzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

Aboe Sa’ied al-Khoedrie (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: “Ik heb de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) horen zeggen (Nederlandstalige interpretatie): ‘Wie van jullie iets verwerpelijks ziet, laat hem dat met zijn hand veranderen. Indien hij daartoe niet in staat is, dan met zijn tong. Indien hij daartoe niet in staat is, dan met zijn hart. En dat is de zwakste vorm van het geloof.’” (Overgeleverd door Moeslim.)

 

Uitleg

“Wie” is hier voorwaardelijk bedoeld en algemeen van aard.

Met “ziet” kan zowel het zicht van de ogen bedoeld worden als het ‘zicht’ van het hart, namelijk kennis. En het laatste is omvattender en algemener.

“Iets verwerpelijks” beduidt datgene wat door de islamitische wetgeving verworpen wordt en dat is alles wat Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) of Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hebben verboden.

“Laat hem dat met zijn hand veranderen.” Het betreft hier een bevel, oftewel, het verwerpelijke zodanig veranderen dat dit wordt omgezet in het goede. Dit door het verwerpelijke in zijn geheel tegen te houden, of door de desbetreffende verwerpelijke zaak om te zetten naar iets wat toegestaan is.

“Met zijn hand,” in geval men over het vermogen (of de autoriteit) beschikt om de verwerpelijke zaak met de handen te veranderen. (Noot uwkeuze.net: men dient altijd een inschatting te maken dat men geen groter kwaad teweegbrengt door met de hand in te grijpen.)

“Indien hij daartoe niet in staat is,” oftewel, is hij niet in staat om het verwerpelijke met zijn handen te veranderen (of het kwaad wordt daardoor erger), “dan met zijn tong.” Door bijvoorbeeld tegen de dader te zeggen: “Vrees Allah en laat dat!”

“Indien hij daartoe niet in staat is,” oftewel, niet bij machte is om met zijn tong het verwerpelijke tegen te houden of te veranderen (of het kwaad wordt daardoor erger), omdat hij bang is voor zichzelf, of als men doofstom is en niet kan praten, “dan met zijn hart.” Men kan het verwerpelijke met zijn hart veranderen. Dit gebeurt door deze zaak te verafschuwen (en af te keuren).

“En dat is de zwakste vorm van het geloof.” Met andere woorden, het feit dat men het verwerpelijke slechts met het hart kan veranderen, is de zwakste vorm van het geloof. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

Hand, tong en hart

 

Wat leert deze overlevering ons?

1.) De verplichting om het verwerpelijke te veranderen aan de hand van de hiervoor genoemde niveaus. Allereerst met de hand – en dit is alleen aan de gezaghebber (of personen die daartoe bevoegd zijn) om te doen. Is men hiertoe niet in staat, dan met zijn tong – en dat is aan de verkondigers tot het goede (al-ma’roef) die het verwerpelijke (al-moenkar) aan de mensen verduidelijken. (Zie o.a. het artikel Streven naar perfectie in de da’wah.)

2.) Degene die noch met zijn handen, noch met zijn tong in staat is het verwerpelijke te veranderen, dient dat tenminste met zijn hart te doen (door het te verafschuwen).

3.) De mate van gemak en eenvoud van de islamitische wetgeving, daar deze verplichtingen in volgorde van mogelijkheid zijn geplaatst. De volgende uitspraken duiden hier namelijk op (Nederlandstalige interpretatie): “Indien hij daartoe niet in staat is”“Indien hij daartoe niet in staat is.”

4.) De mate van geloof (imaan) varieert. Zo heeft de ene persoon een zwak geloof en de ander weer een sterk geloof. Dit behoort tot de overtuiging van Ahl oes-Soennah wal-Djamaa’ah. Voor het feit dat iemands geloof fluctueert, zijn voldoende bewijzen te leveren uit de Koran en de Soennah.

5.) Men dient te weten dat er sprake is van een drietal niveaus, namelijk:

a. Vermaning of verkondiging: met vermaning wordt bedoeld dat de uitnodiger tot het goede zich in de moskeeën (masaadjid) begeeft of in plaatsen waar mensen bij elkaar komen om hen het kwade te verduidelijken en hen hiervoor te waarschuwen. En dat zij hen het goede verduidelijken en hen hiernaar doen verlangen.

b. Opdragen: degene die opdraagt tot het goede en van het verwerpelijke weerhoudt. Dit is hij die de mensen het goede opdraagt, zeggende: “Doe dat”, of die hen van het verwerpelijke weerhoudt, zeggende: “Doe dat niet.”

c. Veranderen: degene die verandering aanbrengt is hij die zelf ingrijpt wanneer hij merkt dat de mensen geen gehoor geven aan zijn verkondiging, noch aan zijn bevelen en verboden.

 

Overzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.