H’adieth 33

De steller bewijst.

40 NawawiehOverzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Als de mensen datgene zouden krijgen waar ze beweren recht op te hebben, dan zouden mensen de bezittingen en het bloed van anderen opeisen, maar de bewijslast rust op de aanklager en de eed dient door de ontkenner te worden afgelegd.” (Een goede overlevering. Overgeleverd door al-Bayhaqie en anderen in deze vorm. Gedeeltelijk terug te vinden in Sah’ieh’ al-Boekhaarie en Sah’ieh’ Moeslim.)

 

Uitleg

“Als de mensen datgene zouden krijgen, waar ze beweren recht op te hebben…” beduidt datgene waarmee zij iets van anderen opeisen.

Het is belangrijk om te weten dat het toekomen van iets, op de volgende verschillende manieren geschiedt:

– Men erkent dat men iets verschuldigd is aan een ander. Een voorbeeld hiervan is wanneer men zegt: “Ik ben die persoon dit en dat verschuldigd.” Hier is sprake van een erkenning.

– Men claimt dat een ander hem iets verschuldigd is. Een voorbeeld hiervan is wanneer men zegt: “Die persoon is mij dit en dat verschuldigd.” Hier is sprake van een claim.

– Men getuigt dat iemand een ander iets verschuldigd is. Een voorbeeld hiervan is wanneer men zegt: “Die is hem dit en dat verschuldigd.” Hier is sprake van getuigenis.

Hier betreft het de claim. Als men iets van een ander claimt, zeggende: “Ik claim honderd dirham van jou,” en men hier vervolgens klakkeloos op zou ingaan, “…dan zouden mensen de bezittingen en het bloed van anderen opeisen.”

Gelijk is het geval wanneer iemand tegen een ander zegt: “Je hebt mijn vader gedood,” zonder hiervoor enige bewijzen aan te voeren. Dan zou hier zijn bloed zonder bewijsgronden worden geclaimd.

Er kan hieruit dus opgemaakt worden dat loze beweringen niet geaccepteerd worden. Daarom heeft de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Maar de bewijslast rust op de aanklager.”

Als iemand dan ook iets van een ander claimt, dan is ons antwoord: “Voer je bewijzen aan.” Onder bewijs verstaan wij al datgene waarmee de waarheid naar boven komt; hetzij getuigen, hetzij bewijsmateriaal enz.

“En de eed dient door de ontkenner te worden afgelegd.” Oftewel, degene die de aanklacht van zijn tegenpartij ontkent, en de tegenpartij geen bewijzen kan aanvoeren.

Zou Zayd bijvoorbeeld tegen ‘Amr zeggen: “Ik claim honderd dirham van jou” en ‘Amr zou ontkennen, dan wordt Zayd gevraagd om bewijzen aan te voeren. Doet hij dit niet, dan zeggen wij tegen ‘Amr: “Zweer (bij Allah) dat zijn claim ongegrond is. Doet hij dit, dan is daarmee zijn onschuld vast komen te staan.

 

Wat leert deze overlevering ons?

1.) De islamitische wetgeving is zeer zorgvuldig in het beschermen van het bezit en bloed van de mensen. Dit op basis van de volgende uitspraak van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) (Nederlandstalige interpretatie): “Als de mensen datgene zouden krijgen, waar ze beweren recht op te hebben, dan zouden mensen de bezittingen en het bloed van anderen opeisen.”

2.) Indien de aanklager bewijzen aanvoert voor zijn aanklacht, wordt hij in het gelijk gesteld inzake datgene wat hij claimt. Dit op basis van de volgende uitspraak van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) (Nederlandstalige interpretatie): “Maar de bewijslast rust op de aanklager.”

Onder bewijs valt al datgene wat duidelijkheid verschaft over de waarheid, zoals reeds is uitgelegd. Bewijs staat niet slechts voor getuigen, maar voor alles dat de waarheid naar boven brengt.

3.) De eed dient door de ontkenner te worden afgelegd. Met de ontkenner wordt gedoeld op degene die de aanklacht tegen hem verwerpt.

4.) Indien de ontkenner de aanklacht verwerpt, maar niet bereid is de eed af te leggen, dan wordt hij schuldig bevonden. De reden hiervoor is namelijk dat wanneer men weigert de eed af te leggen, hij daarmee plichtsverzuim pleegt.

 

Overzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.