H’adieth 24

Het verbod op het plegen van onrecht (dzoelm).

40 NawawiehOverzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

Aboe Dzarr al-Ghifaariy (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde dat de profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft dat zijn Heer zei (Nederlandstalige interpretatie): “O Mijn dienaren! Ik heb voor Mijzelf onrecht verboden en heb dat onder jullie ook verboden gemaakt. Doe elkaar dan ook geen onrecht aan.

O Mijn dienaren! Jullie zijn allen dwalenden, behalve degene die Ik geleid heb; vraag Mij daarom om geleid te worden en Ik zal jullie leiden. O Mijn dienaren! Jullie lijden allen honger, behalve degene die Ik gevoed heb; vraag Mij daarom om gevoed te worden en Ik zal jullie voeden. O Mijn dienaren! Jullie zijn allen naakt, behalve degene die Ik gekleed heb; vraag Mij daarom om gekleed te worden en Ik zal jullie kleden. O Mijn dienaren! Waarlijk, jullie begaan dag en nacht zonden en Ik vergeef alle zonden; vraag Mij daarom om vergiffenis en Ik zal jullie vergeven.

O Mijn dienaren! Jullie zijn niet in staat om Mij te benadelen met enig nadeel; en jullie zijn niet in staat om Mij te bevoordelen met enig voordeel. O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn net zo godvrezend zijn als de meest godvrezende persoon onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn Heerschappij toevoegen. O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn net zo verdorven zijn als de meest verdorven persoon onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn Heerschappij afdoen. O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn, allemaal op één vlakte staan en Mij vragen, en Ik zou iedereen geven wat hij wenst, dan zou dat niet meer verminderen van wat Ik heb (aan bezit), dan dat wat een naald onttrekt wanneer deze in de zee wordt gedompeld.

O Mijn dienaren! Het zijn uitsluitend jullie daden (waarop jullie afgerekend zullen worden) die Ik voor jullie optel en daarnaar zullen jullie beloond worden. Wie het goede treft (in het Hiernamaals), moet Allah prijzen (al-h’amdoelillaah zeggen). En wie iets anders dan dat treft, laat hem niemand anders dan zichzelf verwijten.” (Overgeleverd door Moeslim.)

 

Uitleg

Deze overlevering wordt een “h’adieth qoedsie” genoemd, want in een dergelijke overlevering verhaalt de profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) op autoriteit van Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij). (Zie het artikel Het verschil tussen de Qor-aan en h’adieth Qoedsie.)

Hij heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “O Mijn dienaren! Ik heb voor Mijzelf onrecht verboden…” In deze overlevering maakt Allah de Verhevene duidelijk dat Hij voor Zichzelf onrecht heeft verboden. Hij doet niemand onrecht aan door hem of haar extra zonden toe te schrijven of door beloningen in mindering te brengen. Zoals Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En wie rechtschapen daden verricht terwijl hij een gelovige is, hij hoeft dan geen onrechtvaardigheid noch vermindering van zijn beloning te vrezen.” [Soerat Taa Haa (20), aayah 112.]

“…en heb dat onder jullie ook verboden gemaakt.” Het is verboden elkaar onrecht (dzoelm) aan te doen, daarom zei Hij (Nederlandstalige interpretatie): “Doe elkaar dan ook geen onrecht aan.”

<<<Noot uwkeuze.net: een belangrijke h’adieth die we nu graag willen aanhalen is de volgende. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei eens tegen zijn metgezellen (Nederlandstalige interpretatie): “Weten jullie wie moeflis (failliet/blut) is?” Zij zeiden: “Onder ons, degene die failliet is, is degene die geen dirhams (geld) en geen goederen heeft.” Hij zei: “Degene die failliet is onder mijn oemmah (gemeenschap) is degene die op de Dag der Opstanding komt met het gebed, vasten en zakaah, maar hij zal komen terwijl hij die-en-die beledigd heeft, die-en-die belasterd heeft, de eigendommen van die-en-die (onrechtmatig) verbruikt heeft, het bloed van die-en-die heeft doen vloeien en die-en-die geslagen heeft. Ieder van hen zal wat van zijn h’asanaat (goede daden) gegeven worden, en als zijn h’asanaat opraken voordat de rekening vereffend is, zullen wat van hun sayyie-aat (zonden) genomen worden en op hem geworpen worden, vervolgens zal hij in de Hel geworpen worden.” (Overgeleverd door Moeslim.)>>>

“O Mijn dienaren! Jullie zijn allen dwalenden, behalve degene die Ik geleid heb; vraag Mij daarom om geleid te worden en Ik zal jullie leiden.” De dienaren zijn allen dwalenden wat betreft hun kennis en daden, behalve degene die door Allah geleid wordt. Daarom dient men leiding te vragen aan Allah, Die zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Vraag Mij daarom om geleid te worden en Ik zal jullie leiden.” Leiding omvat hier leiding tot kennis en succes.

“O Mijn dienaren! Jullie lijden allen honger, behalve degene die Ik gevoed heb; vraag Mij daarom om gevoed te worden en Ik zal jullie voeden.” Hier geldt weer dezelfde uitleg als hiervoor. Allah de Verhevene vraagt van Zijn dienaren dat zij Hem vragen om voedsel en Hij zal hen voeden. Degene Die het weidegras doet groeien en de uiers rijkelijk doet vloeien is Allah de Verhevene, zoals Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Vertel mij over hetgeen jullie omploegen (en zaaien)!? Zijn jullie het die het doen groeien of zijn Wij Degenen Die het laten groeien!?” [Soerat al-Waaqi’ah (56), aayah 63-64.]

En ook de bezittingen waarmee men zaait zijn immers van Allah de Verhevene.

“O Mijn dienaren! Jullie zijn allen naakt…” Met andere woorden, ieders intieme lichaamsdelen zijn onbedekt, behalve van degene die Allah kleedt en het hem mogelijk en gemakkelijk maakt om aan kleding te komen. Daarom zegt Hij (Nederlandstalige interpretatie): “…behalve degene die Ik gekleed heb; vraag Mij daarom om gekleed te worden en Ik zal jullie kleden.” De kleding van de zonen van Adam (d.w.z. de mensen) is iets dat Allah uit de aarde heeft voortgebracht. En als Allah de Verhevene wil, kan Hij dat onmogelijk maken.

“O Mijn dienaren! Waarlijk, jullie begaan dag en nacht zonden.” Deze uitspraak komt overeen met de volgende uitspraak van de profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) (Nederlandstalige interpretatie): “Iedere zoon van Adam (d.w.z. de mens) begaat zonden en de beste zondeplegers zijn zij die berouw tonen.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

De mensen begaan dag en nacht zonden – en dat is in strijd met het bevel van Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) en Zijn profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) – door een verboden zaak te verrichten of door een gebod na te laten. Echter, deze zonden hebben, Allah zij dank, wel een geneesmiddel, namelijk: “Vraag Mij daarom om vergiffenis en Ik zal jullie vergeven.” Vergiffenis, ofwel al-maghfirah, betekent het bedekken en door de vingers zien van de zonde. (Zie o.a. het artikel De boetedoening voor zonden is berouw.)

“O Mijn dienaren! Jullie zijn niet in staat om Mij te benadelen met enig nadeel. En jullie zijn niet in staat om Mij te bevoordelen met enig voordeel.” Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) heeft niemand nodig. Zelfs al zouden alle bewoners van de aarde ongeloof begaan, zij zullen daardoor Allah geen enkel nadeel berokkenen. En zelfs als alle bewoners van de aarde gelovig zouden zijn, zullen zij Allah van geen enkel voordeel kunnen voorzien. Allah – al-Ghaniyy (de Zelfvoorzienende, de Onafhankelijke, de Behoefteloze) – heeft namelijk niemand van Zijn schepselen nodig.

“O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn net zo godvrezend zijn als de meest godvrezende persoon onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn Heerschappij toevoegen.” Het feit dat iemand Allah gehoorzaamt, daar heeft alleen hij zelf baat bij. Allah Zelf heeft daar geen voordeel van, want Hij heeft daar geen behoefte aan. Dus al zouden de mensen allemaal zo godvrezend zijn als de meest godvrezende persoon, dan zou dat niets aan Allah Zijn Heerschappij toevoegen.

“O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn net zo verdorven zijn als de meest verdorven persoon onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn Heerschappij afdoen.” Dit omdat Allah de Verhevene geen behoefte heeft aan ons. Zouden dus alle mensen en djinn (zie het artikel De wereld van de djinn) net zo verdorven zijn als de meest verdorven persoon, dan zou dat niets aan Allah Zijn Heerschappij verminderen.

“O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn, allemaal op één vlakte staan en Mij vragen, en Ik iedereen zou geven wat hij wenst, dan zou dat niet meer verminderen van wat Ik heb (aan bezit), dan dat wat een naald onttrekt, wanneer deze in de zee wordt gedompeld.” Dit vanwege Zijn complete Gulheid en omvangrijke Bezit. Zou Hij dus iedereen geven wat hij wil, dan zal dit niets verminderen aan Zijn Bezit.

En wat betreft de Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “Dan dat wat een naald onttrekt, wanneer deze in de zee wordt gedompeld,” dit benadrukt het feit dat het onmogelijk is dat er maar iets aan Zijn Bezit wordt verminderd. Het is algemeen bekend dat een naald niets van de hoeveelheid zeewater vermindert wanneer deze in de zee wordt gedompeld en vervolgens eruit wordt gehaald. Het vochtig worden van een naald is in feite niets.

“O Mijn dienaren! Het zijn uitsluitend jullie daden (waarop jullie afgerekend zullen worden) die Ik voor jullie optel…” Met andere woorden, Allah de Alwetende houdt alle daden bij en die worden voor de mens opgeschreven.

“…en daarnaar zullen jullie beloond worden. Wie het goede treft (in het Hiernamaals), moet Allah prijzen (al-h’amdoelillaah zeggen). En wie iets anders dan dat treft, laat hem niemand anders dan zichzelf verwijten.” Ondanks dit, vertienvoudigt Allah de Verhevene de beloning van de h’asanah (goede daad) en Hij vermenigvuldigt die tot zevenhonderd en zelfs tot meerdere keren. Daarentegen vergeldt Allah de sayyie-ah (slechte daad) slechts met haar gelijke, of vergeeft Hij deze, mits men niet als polytheïst overlijdt. En Allah weet het beter.

<<<Noot uwkeuze.net: Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam), verhalend over zijn Heer, zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Allah liet (de aangewezen engelen over jullie) de goede daden en de slechte daden opschrijven en Hij verduidelijkte hoe. Als iemand van plan is om een goede daad te verrichten en hij doet het niet (iets verhindert hem), dan zal Allah voor hem een volledige goede daad opschrijven (in zijn verslag bij Hem); en als hij van plan is om een goede daad te verrichten en het werkelijk doet, dan zal Allah schrijven voor hem (in zijn verslag) bij Hem (de beloning gelijk aan) tien tot zevenhonderd keer, tot vele keren meer; en als iemand van plan is om een slechte daad te verrichten en hij doet het niet (hij ziet er zelf van af), dan zal Allah een volledige goede daad opschrijven (in zijn verslag) bij Hem, en als hij van plan is om het (een slechte daad) te verrichten en het werkelijk doet, dan zal Allah één slechte daad opschrijven (in zijn verslag).’” (Sah’ieh’ al-Boekhaarie.)>>>

Deze overlevering van de metgezel Aboe Dzarr al-Ghifaarie (moge Allah tevreden zijn met hem) is heel belangrijk. Hierin verhaalt de profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) op autoriteit van Zijn Heer, Die zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Ik heb voor Mijzelf onrecht verboden.” Deze overlevering is tevens door Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah uitgelegd in een zeer leerzame verhandeling, en ook door Ibn Radjab in zijn uitleg op de veertig overleveringen van an-Nawawie.

 

Wat leert deze overlevering ons?

1.) De overlevering waarin de profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) vertelde op autoriteit van zijn Heer wordt ook wel een h’adieth qoedsie genoemd.

2.) Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) heeft onrecht voor Zichzelf verboden, vanwege Zijn complete Rechtvaardigheid, terwijl Hij bij Machte is om onrecht te begaan, de weldoener zijn beloningen te verminderen, of meer slechte daden te noteren voor de zondaar dan deze werkelijk heeft gepleegd. Allah de Verhevene doet dat echter absoluut niet. Vanwege Zijn complete Rechtvaardigheid, heeft hij dit voor zichzelf verboden. [Tot de Schone Namen van Allah behoort al-‘Adl (de Rechtvaardige).]

3.) Onrecht (dzoelm) onder de mensen is ook verboden. De profeet (sallallaahoe ‘alayhie wa-sallam) heeft duidelijk gemaakt dat het verbod op onrecht van toepassing is op het leven, bezit en eer. Vandaar dat hij tijdens ‘ied oel-adh’aa (het offerfeest) in Minah heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, jullie bloed, bezit en eer is heilig voor jullie, zo heilig als deze dag van jullie, in deze maand (Dzoel H’idjah) van jullie en in dit land van jullie.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

4.) In principe is de mens dwalend en onwetend, dit op basis van de volgende Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “En Allah bracht jullie voort uit de baarmoeders van jullie moeders, terwijl jullie niets wisten…” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 78.]

En de volgende Uitspraak van Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) in deze overlevering wijst erop dat de mens oorspronkelijk misleid en onwetend is (Nederlandstalige interpretatie): “O Mijn dienaren! Jullie zijn allen dwalenden, behalve degene die Ik geleid heb; vraag Mij daarom om geleid te worden en Ik zal jullie leiden.”

5.) De verplichting om leiding te vragen van Allah, dit op basis van de Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “Vraag Mij daarom om geleid te worden en Ik zal jullie leiden.”

6.) De mens en alle dienaren lijden honger en hebben behoefte aan voedsel, behalve degene die Allah gevoed heeft. Tevens komt uit dit leerpunt naar voren dat de mens zijn Heer moet vragen en dat men moet volstaan met het vragen van Allah, waardoor het overbodig wordt om de mensen te vragen. Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Vraag Mij daarom om gevoed te worden en Ik zal jullie voeden.”

7.) De mensen zijn naakt, behalve degene die Allah gekleed heeft en voor wie Hij het mogelijk en gemakkelijk heeft gemaakt om aan kleding te komen, daarom zegt Hij (Nederlandstalige interpretatie): “Vraag Mij daarom om gekleed te worden en Ik zal jullie kleden.” Allah de Verhevene heeft de naaktheid genoemd na het noemen van voedsel, omdat voedsel als gewaad gezien kan worden voor het innerlijk, en kleding een gewaad is voor het uiterlijk.

8.) De kinderen van Aadam (d.w.z. de mensen) plegen allen dag en nacht veelvoudig zonden, maar daartegenover staat de Vergiffenis van Allah de Verhevene. Allah de Meest Barmhartige vergeeft alle zonden, zoals Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Zeg (O Moh’ammed): ‘(Allah zegt:) ‘O Mijn dienaren, degenen die buitensporig zijn geweest jegens zichzelf! Wanhoop niet aan de Barmhartigheid van Allah! Waarlijk, Allah vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is het Die al-Ghafoer (de Vergevensgezinde), ar-Rah’iem (de Meest Genadevolle) is.’’” [Soerat az-Zoemar (39), aayah 53.]

Hieruit vloeit voort dat de mens de waarde van zichzelf moet kennen. Zodra men een zonde begaat, moet men direct vergiffenis vragen aan Allah. Hoeveel de zonden ook mogen zijn, Allah vergeeft ze allemaal, indien men Allah (oprecht) om vergiffenis vraagt. Dit op basis van de volgende Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “En Ik vergeef alle zonden; vraag Mij daarom om vergiffenis en Ik zal jullie vergeven.”

<<<Noot uwkeuze.net: waar berouw dient oprecht omwille van Allah de Verhevene te zijn. Men dient zich tot Allah de Alhorende te richten met een oprecht gevoel van schuld en spijt en een serieuze vastbeslotenheid om de zonde niet te herhalen (zie aayah 20:82). Bovendien dient de zondaar meer goede daden te verrichten zodat Allah daarmee het kwaad dat hij heeft aangericht zal uitwissen (zie aayah 11:114). Onderdeel van oprecht berouw is ook dat als men anderen onrecht heeft aangedaan, men dat recht herstelt door b.v. gestolen goederen terug te geven en vergeving te vragen aan degenen waarover men geroddeld heeft etc.>>>

9.) “O Mijn dienaren! Jullie zijn niet in staat om Mij te benadelen met enig nadeel. En jullie zijn niet in staat om Mij te bevoordelen met enig voordeel.” Dit omdat Allah onafhankelijk is van al Zijn schepselen. Tot de Schone namen van Allah behoort al-‘Aziez (de Almachtige), Die zo Verheven is dat geen enkele vorm van nadeel Hem toekomt. Tevens is Hij al-Ghaniyy (de Zelfvoorzienende, de Onafhankelijke, de Behoefteloze) en al-H’amied (de Prijzenswaardige); daarom hoeft Hij naar niets of niemand te verlangen om Hem te baten. Niemand is in staat om Hem nadeel toe te brengen, dit vanwege Zijn complete Onafhankelijkheid.

10.) “O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn net zo godvrezend zijn als de meest godvrezende persoon onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn Heerschappij toevoegen.” Dit vanwege Zijn complete Onafhankelijkheid. Vandaar dat de gehoorzaamheid van Zijn dienaren geen nut voor Hem heeft en de zonde van de zondaar Hem geen kwaad kan doen. De bedoeling achter deze bovengenoemde zin is het aansporen tot het gehoorzamen van Allah en het uit de buurt blijven van het zondigen tegenover Hem (wat in het voordeel is van de dienaar, niet voor de Heer).

11.) “O Mijn dienaren! Al zouden jullie eerste tot en met jullie laatste, en (alle) mensen en djinn, allemaal op één vlakte staan en Mij vragen, en Ik iedereen zou geven wat hij wenst, dan zou dat niet meer verminderen van wat Ik heb (aan bezit), dan dat wat een naald onttrekt, wanneer deze in de zee wordt gedompeld.” Dit vanwege Zijn complete Onafhankelijkheid en omvangrijk Bezit. Uit deze zin leren wij dat Allah de Verhevene zeer rijk en gul is.

12.) “Dan zou dat niet meer verminderen van wat Ik heb (aan bezit), dan dat wat een naald onttrekt, wanneer deze in de zee wordt gedompeld.” Eerder hebben wij duidelijk gemaakt dat de bedoeling hierachter is: het benadrukken van het feit dat dit niets aan Allah Zijn Bezit vermindert.

13.) “Het zijn uitsluitend jullie daden…” Hieruit leren wij dat men elkaar moet aansporen tot het verrichten van goede daden, zodat men het goede zal treffen op de Dag des Oordeels.

14.) Allah doet de mensen in niets onrecht aan.

15.) De zondaar zal zichzelf verwijten op een Dag wanneer verwijt noch spijt hem zal baten. Dit op basis van de volgende Uitspraak van Allah (Nederlandstalige interpretatie): “En wie iets anders dan dat treft, laat hem niemand anders dan zichzelf verwijten.”

 

Overzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

 

Relevante artikelen:

Wat onderwijst de Islam over rechtvaardigheid?

De rechtvaardigheid van de Islam

Verboden zakelijke transacties