H’adieth 22

Hoe kunnen wij het Paradijs binnentreden?

40 NawawiehOverzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

Aboe ‘Abdoellaah Djaabir ibnoe ‘Abdoellaah al-Ansaarie (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde dat een man de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) vroeg: “Denkt u, dat wanneer ik de voorgeschreven gebeden verricht, de (maand) Ramadhaan vast, mijzelf de toegestane zaken toesta en mijzelf de verboden zaken verbied en verder niets meer doe, ik dan het Paradijs binnentreed?” Hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Ja.” (Overgeleverd door Moeslim.)

An-Nawawie heeft gezegd: “En de betekenis van ‘de verboden zaken verbied’ is het mijden van de h’araam zaken; en ‘mijzelf de toegestane zaken toesta’ betekent: ik verricht de h’alaal (zaken) overtuigd van het feit dat deze toegestaan zijn.

 

Uitleg

“Denkt u, dat wanneer ik de verplichte gebeden verricht” duidt op de vijf dagelijkse gebeden en het vrijdaggebed (salaat oel-Djoemoe’ah). (Zie de rubriek Het gebed voor diverse artikelen over het gebed.)

“De (maand) Ramadhaan vast”: Ramadhaan (Ramadan) is de maand tussen de islamitische maand Sha’baan en Shawwaal. (Zie de rubriek Vasten en de maand Ramadhaan voor diverse artikelen, alsook het artikel Islamitische kalender.)

In deze overlevering worden geen zakaah (verplichte liefdadigheid) en h’adj (bedevaart) genoemd. Hieruit kunnen wij opmaken dat deze zijn inbegrepen in de volgende uitspraak van de man: “…En mijzelf de verboden zaken verbied.” Het niet geven van de zakaah is immers een verboden zaak en ook het niet verrichten van de h’adj is h’araam. (Zie az-Zakaah en H’adj & ‘Oemrah voor diverse artikelen.)

Wat ook mogelijk is met betrekking tot de h’adj is dat deze uitspraak van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) waarschijnlijk werd gedaan voordat de h’adj als verplichting werd opgelegd. En wat betreft de zakaah, de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) wist wellicht dat de man arm was en dus geen zakaah hoefde te betalen. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) paste zijn uitspraak aan de situatie waarin de man verkeerde aan.

 

Wat leert deze overlevering ons?

1.) De gedrevenheid van de metgezellen (moge Allah tevreden zijn met hen) in het stellen van vragen aan de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

2.) Het doel van dit leven is het binnentreden van het Paradijs.

3.) Het belang van de verplichte gebeden (as-salaat), die aanleiding zijn voor het binnentreden van het Paradijs, evenals het belang van de overige zaken die genoemd zijn in deze overlevering.

4.) Het belang van het vasten (as-sawm of as-siyaam).

5.) De verplichting van het h’alaal (halal of halaal) verklaren van de toegestane zaken en het h’araam (haram of haraam) verklaren van de verboden zaken. Met andere woorden: men moet de toegestane zaken verrichten terwijl men ervan overtuigd is dat deze toegestaan zijn. En men moet de verboden zaken mijden omdat men ervan overtuigd is dat deze verboden zijn. Wat betreft de toegestane zaken, men is er vrij in deze wel of niet te verrichten. En wat betreft de verboden zaken, men is verplicht deze te na te laten. Dit moet gepaard gaan met de overtuiging dat dit verboden is.

6.) An-Nawawie heeft gezegd: “En de betekenis van ‘de verboden zaken verbied’ is het mijden van de h’araam zaken.” Wat hier echter wel toegevoegd moet worden is: “Ik heb de verboden zaken vermeden, vanwege de overtuiging dat deze verboden zijn, en Allah weet het het best.”

Zie ook H’adieth 6 – al-h’alaal is duidelijk en al-h’araam is duidelijk, alsook de artikelen De voorwaarden voor acceptabele ‘ibaadah (aanbidding) en Het zuivere hart.

 

Overzicht “De veertig ah’aadieth van an-Nawawie”.

 

(Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)