Doe’aa-e al-qoenoet

Qoenoet tijdens het gebed.

Doe’aa-e al-qoenoetDoor sheikh Moh’ammed Saalih’ al-Moenadjid (vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah).

Qoenoet is volgens de definitie van de foeqahaa-e (geleerden op het gebied van fiqh -jurisprudentie): “De naam van een doe’aa-e (smeekbede) die verricht wordt tijdens de laatste rak’ah van het gebed op een specifiek punt tijdens het staan.” Het is aanbevolen in de laatste rak’ah van het witr-gebed na de roekoe’ (het buigen), volgens de meest correcte mening.

Het is beter om niet tijdens elk witr-gebed qoenoet te verrichten, maar het dient soms gedaan te worden, omdat er geen bewijs is dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) het elke keer deed.

Als de moslims een calamiteit (naazilah) overkomt, dan is het voorgeschreven om doe’aa-e al-qoenoet te reciteren na het rechtop staan van roekoe’ in de laatste rak’ah van elk van de vijf dagelijks verplichte gebeden, totdat Allah de moslims verlost van die calamiteit. (Zie Tashieh al-Doe’aa-e van sheikh Bakr Aboe Zayd, p. 460.)

Met betrekking tot het zeggen van doe’aa-e al-qoenoet telkens in het fadjr-gebed onder alle omstandigheden, er is geen sah’ieh’ (authentieke) overlevering dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) al-fadjr uitkoos voor qoenoet, of dat hij het altijd reciteerde in het fadjr-gebed. Wat aangetoond is, is dat hij doe’aa-e al-qoenoet zei ten tijde van onheil met woorden die toepasselijk waren voor de situatie. Hij zei doe’aa-e al-qoenoet in het fadjr-gebed en andere gebeden, biddend tegen Ra’l, Dhakwaan en ‘Oesayyah voor het vermoorden van de Qor-aan-lezers die de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) naar hen toe had gezonden om hen hun religie te onderwijzen. En het is aangetoond dat hij in het fadjr-gebed en andere gebeden bad voor de zwakke en onderdrukte gelovigen, dat Allah hen zou redden van hun vijanden. Maar hij deed dit niet altijd. De rechtgeleide khaliefen na hem volgden dezelfde gewoonte. Het is beter voor de imaam om qoenoet te beperken tot tijden van rampspoeden, het voorbeeld volgend van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), omdat is bewezen dat Aboe Maalik al-Ash’aarie zei: “Ik zei tegen mijn vader: ‘O vader! U bad achter de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en achter Aboe Bakr, ‘Oemar, ‘Oethmaan en ‘Aliy (moge Allah tevreden zijn met hen). Zeiden zij doe’aa-e al-qoenoet in salaat al-fadjr?’ Hij zei: ‘O mijn zoon! ‘Dit is een onlangs verzonnen kwestie (een bid’ah).’” [Overgeleverd door de vijf (#1), behalve Aboe Daawoed; als sah’ieh’ geclassificeerd door sheikh al-Albaanie in al-Irwaa-e, 435.] De beste leiding is de leiding van Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). [Zie het artikel Het verbod op innovaties (bid’ah).]

<<< (#1) Al-Khamsah: letterlijk betekent dit ‘de vijf’, dit is een verwijzing naar de vijf samenstellers van ah’aadieth-verzamelingen, namelijk Aboe Daawoed, an-Nasaa-ie, at-Tirmidzie, Ibn Maadjah en Ah’mad.>>>

En Allah is de Bron van kracht. Moge Allah zegeningen en vrede zenden op onze profeet Moh’ammed en op zijn familie en metgezellen. (al-Ladjnah al-Daa’imah li’l-Boehooth al-‘Ilmiyyah wa’l-Iftaa’, 7/47.)

Elke keer qoenoet reciteren in de laatste rak’ah van het fadjr-gebed, zoals sommigen van de maalikies en shaafa’ies doen, is in tegenstelling tot de Soennah omdat er geen bewijs is dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat deed. Er is een h’adieth van Anas ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem), waarin hij zegt: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) stopte niet met het verrichten van de qoenoet doe’aa-e tijdens het ochtend (fadjr) gebed totdat hij deze wereld verliet.” Overgeleverd door Ah’mad, al-Bazzar, ad-Daraqoetnie, al-Bayhaqie en al-Hakim. Maar deze h’adieth is niet van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) overgeleverd via een sah’ieh’ isnaad (authentieke keten van overleveraars). Het heeft drie sanad (meervoud van isnaad) van Anas en allen zijn dha’ief (zwak).

Sheikh Ibn ‘Oethaymien (moge Allah hem genadig zijn) werd gevraagd: wij hebben een imaam die elke keer qoenoet in salaat al-fadjr reciteert, moeten wij hem volgen? Dienen wij amien te zeggen op zijn doe’aa-e?

Hij antwoordde: “Eenieder die achter een imaam bidt die qoenoet in het fadjr-gebed reciteert, laat hem de imaam volgen in qoenoet in het fadjr-gebed en zeg amien op zijn smeekbeden. Dit werd aangegeven door imaam Ah’mad (moge Allah hem genadig zijn). (Madjmoe’ Fataawaa Ibn ‘Oethaymien, 14/177.)

Als men vraagt of er een specifieke bewoording is voor qoenoet tijdens het witr-gebed, of qoenoet op momenten van calamiteit, dan is het antwoord: er zijn een aantal bewoordingen voor doe’aa-e al-qoenoet in het witr-gebed overgeleverd, waaronder:

De versie die de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) onderwees aan al-H’asan ibn ‘Aliy (moge Allah tevreden zijn met hem), welke is:

 

Qoenoet 1

 

Allaahoemma ihdienie fieman hadayt, wa ‘aafienie fieman ‘aafayt, wa tawallanie fiemen tawallayt, wa baariek lie fiema a’tayt, wa qienie sharra maa qadayt, fa iennaka taqdhie walaa yoqdhaa ‘alayk, iennahoe laa yadzielloe men waalayt, [wa laa ya’iezzoe men ‘aadayt], tabaarakta rabbanaa wa ta’aalayt – O Allah, leid me samen met degenen die U heeft geleid en geef me gezondheid, samen met degenen die U gezondheid heeft geschonken. Neem me onder Uw hoede, samen met degenen die U onder Uw hoede heeft genomen. Zegen hetgeen U mij heeft gegeven. Bescherm me tegen het kwaad dat U heeft bestemd. U oordeelt en niemand oordeelt U. En iedereen die U als bondgenoot neemt, hij zal niet geminacht worden [en iedereen die U als vijand neemt, zal nooit de smaak van glorie proeven]. U bent gezegend, onze Rabb, de Verhevene.” (Overgeleverd door Aboe Daawoed, at-Tirmidzie en an-Nasaa-ie; als sah’ieh’ geclassificeerd door sheikh al-Albaanie in al-Irwaa-e, 429.)

Vervolgens dient men de zegeningen op de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) te zenden. Zie al-Sharh’ al-Moemti’ van Ibn ‘Oethaymien (4/14-52).

Er is overgeleverd van ‘Aliy ibn Abie Taalib (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gewoonlijk zei aan het eind van witr:

 

Qoenoet 2

 

Allaahoemma iennie a’dzoe bieriedhaaka mien sakhatik, wa biemoe’aafaatieka mien ‘oeqoobatiek, wa a’oedzoe bieka mienka laa oh’sie thanaa-an ‘alayk, anta kamaa athnayta ‘ala nafsiek – O Allah, ik zoek mijn toevlucht in Uw tevredenheid tegen Uw toorn. Ik zoek toevlucht in Uw vergiffenis tegen Uw bestraffing. Ik zoek toevlucht bij U en in U. Ik kan Uw lofprijzing niet tellen. U bent zoals U Uzelf prijst.” (Overgeleverd door at-Tirmidzie, 1727; als sah’ieh’ geclassificeerd door sheikh al-Albaanie in al-Irwaa-e, 430.)

Vervolgens dient men de zegeningen te zenden op de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) omdat is overgeleverd dat sommige van de sah’aabah (moge Allah tevreden zijn met hen) – waaronder Oebayy ibn Ka’b en Moe’aadz al-Ansaarie (moge Allah tevreden zijn met hen) – dat deden aan het einde van qoenoet al-witr. (Zie Tashieh al-Doe’aa-e van sheikh Bakr Aboe Zayd, p. 460.)

Qoenoet ten tijde van onheil (qoenoet al-naazilah): wanneer men qoenoet verricht op momenten van calamiteiten, dan dient men smeekbeden te verrichten die van toepassing zijn op de situatie, omdat is overgeleverd dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) sommige Arabische stammen vervloekte die zijn metgezellen hadden bedrogen en gedood, en hij bad voor de zwakke en onderdrukte gelovigen in Mekkah, dat Allah hen zou redden van hen.

Het is overgeleverd dat ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem) qoenoet bad met de volgende woorden: “Allaahoemma inna nasta’ienoeka wa noe’minoe bika, wa natawakkaloe ‘alayka wa noethni ‘alayka al-khayr, wa laa nakfoeroeka. Allaahoemma iyyaaka na’boedoe wa laka noesallie wa nasjdoedoe, wa ielayka nas’aa wa nahfid. Nardjoe rah’mataka wa nakhsha ‘adhaabaka, inna ‘adhaabaka al-djadd bil koeffaarie moelhaq. Allaahoemma ‘adhdhib il-kafarata ahl al-kitaab alladziena yasoeddoena ‘an sabielika – O Allah, waarlijk, wij zoeken Uw hulp, wij geloven in U, wij vertrouwen op U en wij prijzen U en wij zijn niet ondankbaar tegenover U. O Allah, U alleen aanbidden wij en tot U bidden wij en knielen neer, omwille van U spannen wij ons in. Wij hopen op Uw genade en vrezen Uw bestraffing, want Uw bestraffing zal zeker de ongelovigen bereiken. O Allah, bestraf de ongelovigen van de Mensen van het Boek die anderen tegenhouden om Uw weg te volgen.” [Overgeleverd door al-Bayhaqie, 2/210; als sah’ieh’ geclassificeerd door al-Albaanie in al-Irwaa-e, 2/170. Sheikh al-Albaanie zei: “Dit werd overgeleverd van ‘Oemar betreffende qoenoet in fadjr, en het lijkt dat deze qoenoet qoenoet al-naazilah is (qoenoet ten tijde van calamiteiten) zoals wordt aangeduid door zijn smeekbede tegen de koeffaar (ongelovigen).]

Als men vraagt of we doe’aa-e kunnen maken met andere woorden dan deze die genoemd zijn, dan is het antwoord: ja, dat is toegestaan. Al-Nawawie zei in al-Madjmoe’ (3/497): “De correcte mening welke uitdrukkelijk is aangegeven door de meerderheid van de geleerden is dat er geen specifieke woorden zijn, maar elke doe’aa-e kan gezegd worden.”

De verzie overgeleverd van ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem) is niet iets wat wij dienen te volgen en de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) bad niet met deze woorden, dus er is niets mis met het toevoegen hieraan. Sheikh al-Albaanie (moge Allah hem genadig zijn) zei: “Er is niets verkeerd aan het toevoegen hieraan, het vervloeken van de ongelovigen en het zenden van zegeningen op de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en bidden voor de moslims.” (Qiyaam Ramadhaan van al-Albaanie, 31.)

Er is nog een belangrijke vraag, en die is: dient doe’aa-e al-qoenoet vóór of na de roekoe’ (het buigen) gezegd te worden?

Het antwoord is: de meeste ah’aadieth en de mening van de meeste geleerden geven aan dat qoenoet na de roekoe’ plaatsvindt, maar als men zegt dat de qoenoet vóór de roekoe’ komt dan is dat acceptabel. Dus men heeft de keuze om roekoe’ te verrichten nadat men klaar is met het reciteren van de Qor-aan, vervolgens weer rechtop staan en zeggen “Rabbana wa laka al-h’amd”, dan de qoenoet… of de qoenoet na het beëindigen van de Qor-aanrecitatie, dan zeggen “Allaahoe akbar” en buigen. Beide zijn overgeleverd in de Soennah. [Sheikh Moh’ammad ibn ‘Oethaymien (moge Allah hem genadig zijn), al-Sharh al-Moemti’, 4/64.]

Shaykh al-Islaam (d.w.z. Ibn Taymiyyah) zei in Madjmoe’ al-Fataawaa (23/100): “Met betrekking tot qoenoet: er zijn twee extreme meningen en een middel (of gematigde) mening. Sommigen zeggen dat qoenoet alleen vóór het buigen gezegd dient te worden en sommigen zeggen dat het alleen na het buigen gereciteerd moet worden. De foeqahaa-e onder de geleerden van h’adieth, zoals Ah’mad en anderen, zeggen dat beide toegestaan zijn omdat beide zijn genoemd in de sah’ieh’ Soennah, maar zij gaven de voorkeur om qoenoet na het buigen te reciteren omdat dit vaker genoemd is.”

Het opheffen van de handen tijdens qoenoet is genoemd in een sah’ieh’ verslag van ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem), zoals is overgeleverd door al-Bayhaqie in een overlevering die hij sah’ieh’ classificeerde (2/210).

De aanbidder dient zijn handen op borsthoogte op te heffen en niet meer dan dat, omdat deze doe’aa-e geen doe’aa-e van smeekbede is waarin een persoon zijn handen hoog op dient te heffen. Het is eerder een doe’aa-e van hoop waarin de persoon zijn handpalmen richting de hemel uitsteekt… De ogenschijnlijke mening van de woorden van de geleerden is dat de gelovige zijn handen dicht bij elkaar houdt als een bedelaar die iemand anders vraagt om hem iets te geven. Wat betreft het houden van de handen ver uit elkaar, er is hier geen basis voor in de Soennah of in de woorden van de geleerden. (Zie al-Sharh’ al-Moemti’ door Ibn ‘Oethaymien, 4/25.)

Het is aanbevolen om amien te zeggen tijdens de doe’aa-e al-qoenoet, en wanneer de imaam Allah prijst is het voldoende om stil te blijven, maar als men zegt Soebh’aanaka (Glorie is voor U) of Soebh’aanahoe (Glorie is voor Hem) dan is dat oké. (al-Ladjnah al-Daa’imah li’l-Boehoeth al-‘Ilmiyyah wa’l-Iftaa, 7/53.)

Opmerking: sommigen hebben het idee dat het beste gebed het gebed is met de langere qoenoet. Misschien verwijzen zij naar de h’adieth overgeleverd door Moeslim (1257) van Djaabir (moge Allah tevreden zijn met hem), waarin de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Het beste gebed is toel al-qoenoet (het langste in staan).”

Al-Nawawie zei: “Wat hier met qoenoet bedoeld wordt is het staan, volgens de consensus (al-idjmaa’) van de geleerden, zo ver ik weet.”

Dus de h’adieth verwijst niet naar qoenoet in de zin van de doe’aa-e welke gezegd wordt na het rechtop staan vanuit de roekoe’, maar het verwijst naar het staan gedurende lange tijd.

En Allah weet het beste.

 

Relevante artikelen:

Het gebed (diverse artikelen)

Smeekbeden – doe’aa-e

Waarom onze smeekbeden niet verhoord worden

Waarom smeekbeden niet meteen beantwoord worden (de wijsheden en verborgen gunsten die schuilen achter het uitstel in het beantwoorden van de doe’aa-e)