De ziel (het leven)

 Maak kennis met je ware zelf!

ZielDe fundamentele vergissing van degenen die niet in God geloven is dat zij een onjuiste visie van Hem hebben en ‘het leven’ niet correct begrijpen. Zij hebben ongegronde geloofsovertuigingen over “wat” en “waar” God is. Door een beperkte, onjuiste en materialistische kijk op het leven zijn zij niet op de hoogte van hun ware aard en is het begrip ‘leven’ een raadsel voor hen.

“En zij vragen jou (O Moh’ammed) over de ziel, zeg: ‘De ziel behoort tot mijn Heers zaken (waar Hij alleen kennis over heeft), en er wordt aan jullie (O mensheid) niet van de kennis (over de ziel) gegeven, behalve een beetje.’” [Soerat al-Israa-e (17), aayah 85.]

Vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Alle lof is voor Allah, en Allahs zegeningen en vrede zijn met de boodschapper Moh’ammed, alsook zijn familie, metgezellen en iedereen die hun voorbeeld volgt.

Deze verhandeling bestaat uit volgende twee hoofdstukken:

[Lees ook het artikel De principes van tazkiyah (het reinigen van de ziel).]

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Hij schiep hem (Adam) van aarde, vervolgens zei Hij tot hem: ‘Wees!’ – waarna hij was.” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 59.]

“Geschapen van aarde” wil zeggen uit levenloze onbewuste substanties die gevonden worden in hun elementaire vormen op en in de aarde, zoals koolstof, calcium, natrium en enkele andere vergelijkbare elementen. Door verbindingen van deze elementen is er een wonderbaarlijk wezen voortgebracht, de mens, en in hem zijn enorme vermogens geplaatst, zoals gevoelens, bewustzijn, fantasie, een geweten… Het verwijst ook naar de voortdurende transmutatie van deze substanties – door middel van inname van uit de grond voortkomend en in de grond groeiend voedsel – in reproductieve cellen. Hiermee wordt de nederige oorsprong van de mens benadrukt en dat de mens vandaar dank verschuldigd is aan God omdat Hij hem begiftigd heeft met een denkende ziel. (Uit The Message of the Qur’aan, Moh’ammed Asad.)

 


De ziel in het licht van de wetenschap

De fundamentele fout van degenen die niet in God geloven – of wel in ‘iets’ geloven maar het geen ‘God’ noemen – is dat zij een onjuiste visie van Hem hebben en het leven niet correct begrijpen. Misschien ontkennen zij de tekenen van schepping niet, die overal duidelijk zichtbaar zijn, maar zij hebben ongegronde geloofsovertuigingen over “wat” en “waar” God is (zie de artikelen De Handen van Allah, Wat God niet is en Hoe ziet God er uit?). En door onder andere een materialistische kijk op het leven zijn zij niet op de hoogte van hun ware aard.

Alle informatie die we hebben over de werkelijkheid van de wereld waarin we leven, wordt aan ons bekend gemaakt door onze vijf zintuigen. De wereld die we kennen bestaat uit wat we zien, voelen, ruiken, proeven en horen. Maar deze zintuigen hebben beperkingen, kunnen misleid worden, defect zijn of niet goed gebruikt worden. En hoe verwerken en interpreteren we de informatie die we waarnemen?

Het verwerken en interpreteren van de gegevens is beperkt. Bijvoorbeeld, het is voor de mens zeer moeilijk voor te stellen dat het universum een einde heeft, een soort omhulsel waarachter niets meer is. Ook een oneindig heelal is zeer moeilijk voor te stellen. Het hele begrip “leven” is voor velen een raadsel en menig filosoof heeft er zijn hersens aan gepijnigd.

Dat onze zintuigen misleid kunnen worden blijkt uit onderstaande eenvoudige tekeningen.

 

 

(1) Het linker centrale bolletje lijkt groter dan het rechter centrale bolletje, hoewel ze allebei even groot zijn. (2) De rechter streep lijkt groter dan de linker streep, hoewel ze even lang zijn. (3) De drie mannetjes lijken verschillend in grootte te zijn, hoewel ze alle drie even groot zijn.

(1) Het linker centrale bolletje lijkt groter dan het rechter centrale bolletje, hoewel ze allebei even groot zijn. (2) De drie mannetjes lijken verschillend in grootte te zijn, hoewel ze alle drie even groot zijn. (3) De rechter streep lijkt groter dan de linker streep, hoewel ze even lang zijn.

 

Er zijn veel van dit soort eyetricks. Camouflage in het dierenrijk is hier een goed voorbeeld van en een rood kleurpotlood op een rood tapijt kunnen we wellicht niet zien.

Onze zintuigen hebben beperkingen; bijvoorbeeld, bepaalde geluiden kunnen we niet horen, bepaalde geuren niet ruiken, we voelen niet alle bestaande trillingen en bepaald licht (b.v. UV en röntgenstralen) kunnen we niet zien. De werelden van de djinn en de engelen kunnen we ook niet waarnemen, terwijl je djinn kunt oproepen. Degenen die zich bezig houden met magie en toekomstvoorspelling maken gebruik van djinn om iets gedaan te krijgen of te weten. Ondanks dit alles vertrouwen veel mensen toch volledig op hun zintuigen.

Anderen vertrouwen volledig op de wetenschap. Zij aanbidden wetenschap, maar gaan voorbij aan het feit dat niet alles wat bestaat (direct) meetbaar is en er eens een tijd was dat de meest knappe koppen van die tijd overtuigd waren dat de aarde plat was. Tot aan ± 1920 dachten wetenschappers dat het universum geen begin had en er altijd is geweest, maar geven nu toe dat het universum een begin had. Ook dachten zij dat het universum eeuwig zou blijven bestaan, maar moderne wetenschappelijke bewijzen tonen aan dat het universum stervende is. Nog niet zo heel lang geleden dacht men dat er niets kleiner was dan het atoom, totdat men in staat was het te splitsen en er elektronen, protonen en neutronen tevoorschijn kwamen; waar men nog later van ontdekte dat deze weer zijn opgebouwd uit quarks. Een ander nadeel van wetenschap is dat onderzoeken soms niet correct worden uitgevoerd of dat onderzoeksdata vervalst zijn wegens wereldse belangen. Ook verschillen wetenschappers soms van mening en moeten zij regelmatig hun meningen bijstellen door nieuwe bevindingen. Professor Martijn Katan, emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit in Amsterdam: “Wetenschappelijk onderzoek is verschrikkelijk moeilijk. Tussen de 90 en 99 procent ervan blijkt – na een jaar of tien aan vervolgonderzoek – uiteindelijk fout te zijn.” (http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/meer-groente-en-fruit-echt-veel-gezonder.) Ondanks dit alles nemen zij wetenschap toch als hun god! (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Waarom vindt iemand spruitjes lekker en de ander vindt het verschrikkelijk smaken? Waarom vindt iemand de auto van merk a het mooist en de ander de auto van merk b? Waarom verschillen onze meningen en smaken?

Bepaalde prikkels van een voorwerp worden omgezet in elektrische signalen die een effect in de hersenen teweegbrengen. Wanneer we “zien”, zien we eigenlijk de effecten van deze elektrische signalen in onze hersenen. Wat we ook zien, horen, weten, herkennen of gewend raken in deze wereld tijdens ons leven, is louter opgebouwd uit elektrische signalen die onze zintuigen naar onze hersenen zenden.

Lichtbundels van een voorwerp vallen ondersteboven op het netvlies. Daar wordt het beeld omgezet in elektrische signalen en verzonden naar het centrum van het gezichtsvermogen achter in de hersenen. Aangezien de hersenen afgeschermd zijn van licht, is het onmogelijk dat licht het centrum van het gezichtsvermogen bereikt. Dit betekent dat we een enorme wereld van licht en diepte zien in een klein plekje dat afgeschermd is van licht. Zelfs op het moment dat we het licht en de warmte van een vuur voelen, zijn onze hersenen volledig donker en de temperatuur verandert er nooit.

Slechts weinig mensen denken diep na over hoe het zien werkelijk plaatsvindt. De meeste mensen zullen de vraag ‘hoe wij zien’ beantwoorden door te zeggen: “Met onze ogen natuurlijk!” Maar als we kijken naar de technische uitleg van het proces ‘zien’, dan blijkt dit niet het geval.

Het zien wordt stapsgewijs gerealiseerd. Lichtclusters of lichtbundels (een stroom energiepakketjes – fotonen) reizen van het voorwerp naar het oog en passeren door de lens aan de voorkant van het oog waar ze worden gebroken en ondersteboven op het netvlies vallen aan de achterkant van het oog. Daar worden de gebroken lichtstralen omgezet in elektrische signalen die door zenuwcellen of neuronen worden getransporteerd naar een kleine plek wat men het centrum van het gezichtsvermogen noemt, achter in de hersenen. Het zien vindt feitelijk plaats in deze kleine plek achter in de hersenen, waar het pikdonker is en volledig afgeschermd van licht.

Laat ons nu eens goed nadenken over dit ogenschijnlijke eenvoudige en onopvallende proces. Wanneer we zeggen “we zien”, dan zien we eigenlijk de effecten of prikkels die onze ogen bereiken en die – nadat ze omgezet zijn in elektrische signalen – in onze hersenen verwerkt worden. Dus als we zeggen dat “we zien”, dan nemen we in feite het totaal aan elektrische signalen in onze hersenen waar. Daarom is het zien geen proces dat plaatsvindt en eindigt in het oog; ons oog is slechts een zintuig dat dienst doet als een onderdeel in het proces “zien”. (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Hetzelfde geldt voor alle andere zintuiglijke waarnemingen. Geluid, aanraking, smaak en geur worden allemaal waargenomen als elektrische signalen in de hersenen.

Het horen werkt op een vergelijkbare manier als het zien. De oorschelp vangt geluiden op en leidt ze naar het middenoor. Het middenoor transporteert de geluidstrillingen naar binnen en versterkt ze. Binnen in het oor worden deze trillingen omgezet naar elektrische signalen die naar de hersenen gezonden worden. Net zoals het zien vindt het horen uiteindelijk plaats in het centrum van gehoor in de hersenen.

Het verwerken en interpreteren van de gegevens in de centra van zien, gehoor, geur, smaak en voelen in onze hersenen, is louter een verzameling van elektrische signalen die onze hersenen bereiken. Daarom, zelfs als we spreken over hetzelfde onderwerp, de hersenen van iemand anders kunnen het anders waarnemen dan hoe we het zelf waarnemen.

De reden hiervoor is dat wat waargenomen wordt afhangt van de waarnemer.

Wie is dan de waarnemer?

We zijn nu aangekomen bij de vraag van allergrootst belang. Nemen de hersenen zelf dan al deze waarnemingen waar?

Als we de hersenen analyseren, dan zien we dat het is opgebouwd uit lipiden en eiwitmoleculen die ook aanwezig zijn in andere levende organismen. Zoals algemeen bekend is, bestaan deze eiwitmoleculen, in feite, uit atomen. Dit betekent dat in het stuk vlees wat wij onze “hersenen” noemen, niets aanwezig is dat de beelden, geluiden, smaken, geuren en aanrakingen kan waarnemen, om besef en gevoel te vormen of om het wezen wat we “ik” noemen te scheppen.

Wie is dan de waarnemer? De ogen brengen beelden in de hersenen voort. Een beeld in de hersenen duidt op de nood van enige vorm van inwendig oog om het te zien. Dit ‘inwendige oog’ is de ziel!

Dit punt stelt materialisten – die niets anders dan materie als waar zien – voor een groot dilemma: aan wie behoort “het inwendige oog” dat ziet, dat interpreteert wat het ziet en dat reageert?

Karl Pribram (#1) hield zich ook bezig met deze belangrijke vraag over wie de waarnemer is, in de wereld van wetenschap en filosofie: “Filosofen sinds de Grieken hebben gespeculeerd over de ‘geest’ in de machine, de ‘kleine man in de kleine man’ enzovoort. Waar is de ik-entiteit of het ik-wezen die de hersenen gebruikt? Wie doet het werkelijke weten?” (Ken Wilber, Holographic Paradigm and Other Paradoxes, p. 20.)

<<<(#1) Karl H. Pribram (1919): een Amerikaans (maar in Oostenrijk geboren) professor aan de Georgetown Universiteit, een emeritus professor psychologie en psychiatrie aan de Stanford Universiteit en Radford Universiteit en een neurochirurg.>>> (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Denk nu eens na over het volgende: het beeldscherm waar u nu voor zit, de kamer waar u zich nu in bevindt, kortom, alles wat u ziet wordt gezien in uw hersenen. Zijn het de atomen die deze beelden zien? Blinde, dove, onbewuste atomen? Hoe kunnen levenloze en onbewuste atomen voelen? Hoe kunnen zij zien? Waarom zouden sommige atomen deze eigenschap verworven hebben en anderen niet? Bestaan onze handelingen van denken, begrijpen, onthouden, blij zijn, ongelukkig zijn en al het andere, uit de elektrochemische reacties tussen deze atomen? Nee! De hersenen kunnen niet de wil zijn die dit alles verricht. Daarom, aangezien de hersenen dit niet kunnen, moet er een wil zijn die al deze beelden (maar ook geuren, geluiden, gevoelens en smaken) waarneemt. Dit wezen is de ziel!!!

Het is duidelijk dat het wezen dat ziet, hoort, begrijpt, proeft, ruikt en voelt, een bovennatuurlijk wezen is. Want materie kan niet denken, voelen, gelukkig of verdrietig zijn etc. Het is niet mogelijk om dit alles te doen met het lichaam alleen. Een dood lichaam ziet niets. Daarom is dit wezen noch materie noch beeld, maar het is “levend”.

De ziel is het ware wezen. Materie geeft louter signalen af die door de ziel worden waargenomen. Het intelligente wezen dat deze regels leest is niet slechts een massa atomen en moleculen en de chemische reacties tussen hen, maar een “ziel”.

Hetgeen we hierboven beschreven hebben vormt een enorm probleem voor materialistische wetenschappers en eenieder die het bestaan van God ontkent. Als men een specialist vraagt hoe het oog werkt, kan hij de technische informatie uiterst gedetailleerd uitleggen. Maar hij zal niet toegeven wat vanzelfsprekend is als gevolg van deze technische gegevens; hij zal nooit erkennen dat “ja, het beeld wordt gevormd in de hersenen, dus is het onmogelijk voor mij om een onbetwistbaar idee te hebben over wat er buiten mijn hersenen gebeurd.” Hij wendt onwetendheid voor betreffende dit punt, want dit feit accepteren of het openlijk uiten onthult een ander zeer belangrijk feit voor hem. Omdat alles in de hersenen afgebeeld wordt en aan hem gepresenteerd wordt, dient er een Schepper te zijn Die hem deze beelden laat zien.

Dit onderwerp herinnert mensen aan religie, laat het verstand het bestaan van God beseffen, Zijn eindeloze Macht dat alles domineert en dat Hij de Enige Eigenaar is van alle dingen.

Om deze reden oefent shaytaan (satan) invloed uit op mensen om zich niet met dit onderwerp bezig te houden, zoals aangegeven is in de Qor-aan met een verwijzing naar de mensen van Seba (Nederlandstalige interpretatie): “…En de satan (duivel) maakte hun daden schoonschijnend voor hen, waarna hij hen afhield van de (rechte) weg, dus zij worden niet geleid.” [Soerat an-Naml (27), aayah 24.]

Satan houdt mensen op een afstand van dit feit. Degenen die beïnvloed zijn door satans influisteringen, zijn gedegenereerd, niet in staat om de duidelijke waarheid te zien die recht voor hen is. Het is duidelijk dat de situatie van degenen die trachten te ontsnappen aan dit onderwerp een “zeer extreme toestand van achteloosheid” is. Waarlijk, deze onachtzaamheid komt doordat zij – als ongelovigen – berooft zijn van wijsheid. De Nobele Qor-aan zegt over zulke mensen (Nederlandstalige interpretatie): “…Zij hebben harten waarmee zij niet begrijpen en zij hebben ogen waarmee zij niet zien en zij hebben oren waarmee zij niet horen. (#2) Zij zijn zoals het vee. (#3) Nee! Zij dwalen nog meer. Zij zijn het die de onachtzamen zijn (#4).” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 179.]

<<<(#2) Hoewel mensen en djinn ogenschijnlijk alle vermogens hebben om na te denken en waar te nemen, hebben zij ze dermate verzwakt (door o.a. de voorkeur te geven aan begeerten) dat deze vermogens niet goed werken.>>>

<<<(#3) Wanneer het vee tot iets wordt opgeroepen, voert het een bepaalde opdracht uit, zonder te weten wat de woorden van de oproeper precies inhouden (zij horen immers slechts onbegrijpelijke geluiden). Als men het vee zou oproepen om elkaar b.v. te waarschuwen voor iemand die het naar het slachthuis wil drijven, zou het toch geen gehoor geven. Het vee dat verstandsloos is begrijpt die woorden immers niet.>>>

<<< (#4) Oftewel dat zij geen voordeel halen uit deze zintuigen die Allah de Verhevene maakte voor hen als middelen om leiding te verwerven. >>> (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

De boodschap in dit vers (7:179) is een wonder van de Qor-aan. Allah de Verhevene verwijst hier naar het bestaan van mensen die zeer goed geïnformeerd zijn en die technische onderwerpen kunnen begrijpen, doch vatten zij niet de duidelijke waarheid over de ware aard van materie ondanks dat dit voor hen op verschillende manieren is omschreven. Zo nemen natuurkundigen, scheikundigen, zoölogen, botanisten, biologen, geologen, astronomen, fysiologen, anatomen, historici enzovoort de tekenen van Allah op hoog niveau waar, waardoor hun geest en hart verlicht zouden moeten raken met geloof. Maar zij lijken geen ‘teken’ te zien die hen zou moeten leiden naar de realiteit, enkel omdat zij hun studie begonnen met een vooringenomen geest, louter omwille van materialistische doelen. (Tafheem-ul-Qur’an.)

Een ander vers over dit onderwerp voorspelt hun lot (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, degenen die ongelovig zijn, het is voor hen hetzelfde of jij (O Moh’ammed) hen waarschuwt of jij hen niet waarschuwt, zij zullen niet geloven. Allah heeft hun harten en hun gehoor verzegeld en over hun ogen is een bedekking (waardoor zij onontvankelijk worden voor de waarheid). En voor hen is er een geweldige kwelling.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 6-7.]

Maar de toestand van de gelovige is anders. Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij niet zichzelf, maar een lichaam dat hij van Allah de Verhevene gekregen heeft. De gelovige is dan ook niet trots als dit lichaam er ‘aantrekkelijk’ uit ziet en zal er niet mee te koop lopen en het slechts voor zijn wettige partner reserveren. (Dit is vooral een verwijzing naar de h’idjaab waarmee de vrouw haar schoonheid exclusief reserveert voor haar echtgenoot, maar ook mannen dienen zich niet hoogmoedig te gedragen betreffende hun uiterlijk.) De gelovige beseft heel goed dat alles om hem heen door Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) geschapen is en dat al zijn bezittingen slechts geschenken en gunsten zijn van Allah de Barmhartige die Hij ook elk moment weer kan terugnemen. Dit geldt ook voor een mooie stem of andere talenten.

“Door het besef van de Macht van de Heer (Glorieus is Hij), door te kijken naar Zijn schepping van de hemelen en de aarde, door na te denken over het feit dat hetgeen men denkt te bezitten in werkelijkheid geen eeuwig bezit is waardoor men zijn bezit teruggeeft (d.m.v. zakaat en sadaqah – liefdadigheid – etc.) aan de werkelijke Bezitter Die het hem tot een bepaald tijdstip geleend heeft – door het besef van deze werkelijkheden en gevoelens is het genoeg om de drang tot het verderfelijke en hebzucht, de drang tot gierigheid en vrekkigheid en de drang tot onrechtvaardigheid te bedwingen. Het leidt ook tot tevredenheid en aanvaarding van de voorzieningen die men heeft, vergevensgezindheid en gul te zijn met wat men heeft. Het brengt rust in het hart en het leidt niet naar het jammeren over zaken die verloren zijn, en het hart zal niet branden om te verkrijgen wat men wil bereiken.” (Fie Dhzelaali l-Qor-aan, boek 1, blz. 420-421.)

En Allahs Woorden (Nederlandstalige interpretatie): “En zij (de schepsels) kunnen niets van Zijn (de Schepper) Kennis omvatten, behalve dat wat Hij wil” [soerat al-Baqarah (2), aayah 255] zijn een bevestiging van de omvang van Zijn Kennis die tijd, plaats en alle zaken omvat. Tevens is het een verduidelijking dat de kennis van Zijn schepselen beperkt is en dat zij slechts weten wat Allah de Verhevene hen toegestaan heeft dat zij mogen weten. (Tefsier at-Tabarie, boek 5, blz. 396-397; ar-Rawdah an-Nadiyyah, blz. 64.)

Het geloof van de moslim in deze Eigenschap van Allah de Almachtige en het besef daarvan in zijn hart, leidt hem naar een voortdurend Godsbesef. Deze moslims zullen Allahs grenzen in acht nemen en zich haasten om berouw te tonen wanneer zij een slechte daad begaan. Wanneer men de werkelijkheid begrijpt en beseft welke voorzieningen en gunsten Allah de Verhevene ons gegeven heeft, zal dit een dienaar aansporen tot voortdurende dank aan Allah, ver van arrogantie en hoogmoed.

Het is dus de ziel die alles waarneemt en ervaart. Dit blijkt ook als we dromen in onze slaap. Ondanks dat onze ogen gesloten zijn, zien we in onze dromen volledige landschappen, monsters, bekende mensen en fantasierijke gebeurtenissen. Soms lijken deze dromen zo echt – met beelden, gevoelens etc. – dat we overtuigd zijn dat het geen droom is. Als het dan een enge droom is, zijn we blij dat we wakker worden en denken dan: “Gelukkig, het was maar een droom.”

Omdat de verwerking van externe gegevens in de hersenen plaatsvindt en de ziel – die voor elke persoon anders is – het op zijn eigen manier ervaart en interpreteert, kunnen we nooit met zekerheid zeggen dat wanneer een persoon voedsel proeft, dat hij dezelfde smaak proeft/ervaart dan wanneer een andere persoon hetzelfde voedsel eet. Of wanneer iemand naar iets kijkt dat hij dan exact hetzelfde ziet/ervaart dan wanneer een ander persoon naar hetzelfde voorwerp kijkt. Niemand kan dus weten of een andere persoon de kleur rood of de noot C op exact dezelfde manier waarneemt als dat hij dat zelf waarneemt. Dit verklaart het verschil in smaak aangaande schoonheid en aantrekkelijkheid van mensen en voorwerpen, of het verschil in smaak betreffende voedsel. Daarom vindt iemand spruitjes lekker en de ander krijgt er braakneigingen van, terwijl de groente hetzelfde is. Daarom wordt de een verliefd op persoon a, terwijl iemand anders zich absoluut niet aangetrokken voelt tot die persoon a. Daarom koopt iemand een witte auto van het merk a terwijl iemand anders een zwarte auto koopt van het merk b.

Dit is ook de reden dat de definitie van “waarheid” niet door een willekeurig mens gegeven kan worden. Want mensen verschillen nu eenmaal met betrekking tot het waarnemen van uitwendige prikkels die allemaal omgezet worden in elektrische signalen en die verwerkt worden in de hersenen. Daarom zal de wet in een democratisch systeem – en elk systeem dat afwijkt van Allahs Wetten, de sharie’ah – altijd blijven veranderen en een gevaar vormen voor de mensheid, rechtvaardigheid, gelukzaligheid en veiligheid: wat gisteren ondenkbaar was, is vandaag gek en morgen normaal en overmorgen ouderwets! Als er genoeg pedofielen zijn, dan zal pedofilie legaal worden, net zoals pornografie, alcohol en rente nu toegestaan zijn; er zijn voldoende mensen die dit willen.

Het is maar net welke mensen achter het roer staan omdat de wet wordt aangepast in overeenstemming met de op dat moment overheersende meningen, meningen die afhangen van de interpretaties/kennis/begeerten van mensen die op dat moment aan de macht zijn. (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Bovendien is de ziel geschapen met zijn eigen begeerten en gevoelens, voorkeuren en zwakten. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En werkelijk, Wij schiepen de mens en Wij weten wat zijn ziel hem influistert (alle gedachten die in de mens opkomen, zowel de goede als de slechte)…” [Soerat Qaaf (50), aayah 16.]

“…Waarlijk, het ego spoort aan tot het kwade (#5), behalve degene aan wie mijn Heer Genade schenkt…” [Soerat Yoesoef (12), aayah 53.]

<<<(#5) De Qor-aan noemt drie soorten menselijke zelf: (1) ammaarah (zoals in deze aayah), die geneigd is en aanspoort tot het kwaad en, als het niet gecontroleerd wordt, zal leiden naar verdoemenis; (2) lawwaamah (zie aayah 75:2) die bewust is van het kwaad en zich er tegen verzet en waardoor iemand spijt voelt als hij iets goeds gemist heeft of iets slechts gedaan heeft waarna hij Allah de Verhevene om vergeving vraagt na berouw getoond te hebben – het hoopt op verlossing; (3) moetma-innah (zie aayah 89:27), het hoogste niveau van deze drie, wanneer het volledige rust en tevredenheid bereikt met het volgen van de juiste weg. Het tweede niveau wordt in de moderne terminologie ook wel ‘geweten’ genoemd, maar in het Nederlandstalige gebruik is geweten meer een verstandelijk vermogen en geen niveau in religieuze ontwikkeling. [Uit A. Yusuf Ali Quran Commentary (de herziene versie) en Tefhiem al-Qor-aan van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.]>>>

Zo heeft de ene persoon een zwak voor vrouwen, de andere persoon voor alcohol, gokken, homoseksualiteit etc. etc. De ene vindt het moeilijk om niet te liegen, de ander om niet te roddelen, stelen etc. etc.

Er is verhaald op gezag van Anes ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem), dat hij zei: “Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zeggen (Nederlandstalige interpretatie): ‘Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel is, als jullie zonden zouden plegen die hetgeen tussen de hemelen en de aarde is, zouden vullen, Allah zal jullie vergeven nadat jullie Zijn vergeving gezocht hebben. Bij Hem in Wiens Hand de ziel van Moh’ammed is, als jullie geen zonden zouden plegen, dan zou Allah jullie vervangen door andere mensen die wel zonden zouden plegen. Vervolgens zal Allah hen vergeven nadat zij Zijn vergeving gezocht hebben.’” [Overgeleverd door imaam Ah’mad, van de h’adieth van Anes ibn Maalik (moge Allah tevreden zijn met hem).]

Er is verhaald op gezag van Aboe Ayoeb al-Ansaarie (moge Allah tevreden zijn met hem), dat hij, tijdens zijn sterven, zei: “Ik heb iets niet bekend gemaakt wat ik heb gehoord van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), en dat is: ‘Als jullie geen zonden zouden plegen, zou Allah anderen geschapen hebben die zonden zouden plegen om hen te vergeven.’” (Overgeleverd door Moeslim, Ah’mad en at-Tirmidzie.)

Allah de Verhevene zegt ook in de Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Vervolgens plaatsten Wij jou (O Moh’ammed) op een sharie’ah [juridische weg, regels betreffende h’araam (verboden) en h’alaal (toegestaan)] [zoals de weg die Wij bevolen voor Onze boodschappers vóór jou (d.w.z. wettige manieren en de wetten van het islamitische monotheïsme)]. Dus volg dat (het islamitische monotheïsme en zijn wetten) en volg niet de begeerten van degenen die niet weten.” [Soerat al-Djaatsiyyah (45), aayah 18.]

“Heb jij (#6) hem gezien die zijn eigen (triviale) begeerten neemt als zijn god? (#7) En Allah (hem als zodanig) wetende, liet hem dwalen, en verzegelde zijn oren en zijn hart en plaatste een bedekking over zijn ogen (waardoor hij onontvankelijk wordt voor de waarheid). Wie dan zal hem leiden na Allah (nadat Allah hem heeft doen dwalen)? Laten jullie je dan niet vermanen!?” [Soerat al-Djaatsiyyah (45), aayah 23.] (#8)

<<<(#6) In eerste instantie wordt de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) aangesproken, maar bij uitbreiding ook elk verstandig en nadenkend mens; kijk eens naar de gevolgen van het volgen van de begeerten.>>>

<<<(#7) Door de eigen begeerten/ideeën te prefereren boven Allahs geboden en verboden, kent de mens deelgenoten aan Allah de Verhevene toe.>>>

<<<(#8) In dit edele vers geeft Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) o.a. aan dat sommigen een bedekking over hun ogen hebben waardoor zij de waarheid niet zien. John Ruskin, een beroemd kunst- en maatschappijcriticus, heeft gezegd: “Genialiteit is niets meer dan een superieure vorm van zien.” De meest intelligente persoon komt toch nog wijsheid/genialiteit te kort indien hij beïnvloed wordt door shaytaan en niet ziet – door de bedekking over zijn ogen – dat hij door hem misleid wordt, ondanks dat zijn Schepper hem gewaarschuwd heeft met o.a. (Nederlandstalige interpretatie): “…en volg niet de voetstappen van de satan (de duivel, Iblies); waarlijk, hij is voor jullie een duidelijke vijand.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 168.] Elke daad van ongehoorzaamheid tegenover Allah de Verhevene behoort tot de voetstappen van de shaytaan (satan).>>>

“O degenen die geloven! Plaats jezelf niet (met jullie beslissingen) voor Allah en Zijn boodschapper (Moh’ammed) (#9)…” [Soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 1.]

<<<(#9) Dit vers bevat meerdere betekenissen, waaronder (1) haast je niet met het maken van een beslissing voordat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zijn oordeel gegeven heeft (opdat je niet beslist in tegenspraak met hem), maar volg hem in elke kwestie, (2) kijk naar de Qor-aan en de Soennah van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) voor leiding en verkies niets boven hen, zoals je eigen begeerten en meningen. [Zie Tefsier Ibn Kethier en A. Yusuf Ali Quran Commentary (de herziene versie).]>>>

Na deze wetenschappelijke uiteenzetting van dit onderwerp betreffende de ziel, gaan we nu kijken naar de teksten uit de Qor-aan en Soennah om meer licht te werpen op dit zeer belangrijke punt: je ware zelf. (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 


De ziel in de Qor-aan en Soennah

(Voornamelijk gebaseerd op het werk van sheikh Moh’ammed Saalih’ al-Moenadjid.)

Allah de Verhevene is de Schepper van alle dingen en de ziel is iets dat geschapen is, net zoals alle andere zaken. De kennis over de ware aard van de ziel is iets dat uitsluitend behoort tot de Kennis van Allah, moge Hij verheven en geprezen worden. Allah de Verhevene heeft deze kennis voor Zichzelf gehouden, zoals is aangegeven in de h’adieth van ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “Terwijl ik met de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) op een boerderij was, en hij aan het rusten was op een palmtak die ontdaan was van zijn bladeren, passeerden de joden en enkelen van hen zeiden tegen de anderen: ‘Vraag hem over de ziel.’ Enkele van hen zeiden: ‘Wat drijft jullie tot het hem vragen hierover?’ De anderen zeiden: ‘Vraag hem niet, want het kan zijn dat hij iets zegt waar jullie een afkeer van hebben.’ Maar zij zeiden: ‘Vraag hem,’ dus vroegen zij hem over de ziel. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) bleef zwijgen en reageerde niet op hen, en ik wist dat hij een openbaring ontving, dus ik bleef waar ik was. Toen de openbaring van het vers voltooid was, zei hij (Nederlandstalige interpretatie van de betekenis): “En zij vragen jou (O Moh’ammed) over de ziel, zeg: ‘De ziel behoort tot mijn Heers zaken (d.w.z. waar Hij alleen kennis over heeft), en er wordt aan jullie (O mensheid) niet van de kennis (over de ziel) gegeven, behalve een beetje.’” [Soerat al-Israa-e (17), aayah 85.] – (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

As-Soehayilie vermeldde het meningsverschil onder de geleerden met betrekking tot de vraag of ar-roeh’ (de ziel) hetzelfde is als an-nefs (het ego), of iets anders. Hij gaf aan dat het iets lichts en zachts is, zoals lucht dat door het lichaam stroomt en zoals water door de nerven van een boom. Hij verklaarde dat de roeh’, die de engel in de foetus blaast, de nefs is mits het zich verenigt met het lichaam. Net zoals het water het leven van de boom is, zo is de ziel het leven van het lichaam. Wanneer het water gemengd wordt, wordt het iets anders en is niet meer herkenbaar als water en wordt het derhalve ook niet meer zo genoemd, behalve in een metaforische zin. Zo dienen we ook het verband tussen de nefs en roeh’ te begrijpen. De roeh’ wordt geen nefs genoemd behalve wanneer de roeh’ zich verenigt met het lichaam en hierdoor beïnvloed wordt. We kunnen dus concluderen dat de roeh’ de oorsprong en essentie is, en de nefs bestaat uit de roeh’ en diens verbinding met het lichaam. Dus in één opzicht zijn zij hetzelfde, maar niet in een ander. Dit is een goede uitleg, en Allah weet het beste.

De roeh’ (ziel of geest) is omschreven door Allah de Verhevene in Zijn Boek en door de boodschapper Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in zijn Soennah. Er zijn verschillende werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden gebruikt in combinatie met het woord roeh’, zoals het grijpen dan wel nemen van de roeh’ (bij de dood – zie het artikel De dood), het kan geketend of omhuld worden, het komt en gaat, het gaat naar boven en komt naar beneden en het kan uitgetrokken worden zoals een haar dat uit het deeg getrokken wordt… (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

Het is verplicht – in de Islaam – om te geloven in deze eigenschappen die verhaald zijn in de “twee openbaringen” (d.w.z. de Qor-aan en de Soennah) en ook om je te realiseren dat de ziel niet zoals het lichaam is.

Allah de Verhevene schiep Adam (vrede zij met hem) en blies de ziel in hem, zoals is aangegeven in de Qor-aan en in de h’adieth van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Toen Allah Aadam schiep en de ziel in hem blies, niesde hij en zei: ‘Al-H’amdoelillaah (alle lof is voor Allah).’ Hij prees Allah met Zijn Toestemming. Vervolgens zei zijn Heer tegen hem: ‘Moge Allah jou genadig zijn, O Aadam. Ga naar die engelen, naar een groep van hen die zit, en zeg: ‘As-Salaamoe ‘alaykoem (vrede zij met jullie).’ Zij zeiden: ‘Wa ‘alaykoem as-salaam wa rah’matoellaah (en met jullie zij vrede en de barmhartigheid van Allah).’ Daarna ging hij terug naar zijn Heer, Die zei: ‘Dit is jouw begroeting en de begroeting van jouw nakomelingen onder elkaar.’” [Overgeleverd en als h’asan (goed) geclassificeerd door at-Tirmidzie in Soenan at-Tirmidzie, 3290.]

In de Qor-aan lezen we (Nederlandstalige interpretatie): “En gedenk toen jouw Heer van de kinderen van Adam uit hun lendenen hun nakomelingen voortbracht en hen tegen zichzelf liet getuigen (zeggende): ‘Ben Ik niet jullie Heer?’ Zij zeiden: ‘Jawel! Wij getuigen,’ opdat jullie op de Dag der Opstanding niet zullen zeggen: ‘Waarlijk, wij waren onachtzamen betreffende dit.’” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 172.]

Alle zielen (de hele mensheid) werden in één keer tot bestaan gebracht en tegelijkertijd begiftigd met gezond verstand en in Zijn Aanwezigheid gebracht en gevraagd te getuigen dat Allah hun Heer is. Een overlevering van Oebayy ibn Ka’ab (moge Allah tevreden zijn met hem), ongetwijfeld gebaseerd op de kennis die hij ontving van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), is de beste uitleg van dit vers. Hij zei: “Allah verzamelde de gehele mensheid en rangschikte ze in verschillende groepen in overeenstemming met hun soorten of perioden en gaf hen menselijke vormen en bekwaamheid om te spreken. Vervolgens sloot Hij een verbond met hen (zie aayah 57:8) en liet hen getuigen betreffende zichzelf en vroeg: ‘Ben Ik niet jullie Heer?’ Zij antwoordden: ‘Zeer zeker, U alleen bent onze Heer.’ Allah zei vervolgens: ‘Ik vraag de aarde en de hemelen en jullie vader Adam om te getuigen hieromtrent opdat jullie op de Dag der Opstanding niet zullen zeggen dat jullie hier geen kennis over hadden. Dus neem hier nota van, dat niemand anders dan Ik het waard is om te aanbidden en dat er geen andere heer is dan Ik. Jullie dienen Mij geen enkele deelgenoot toe te kennen. Ik zal Mijn boodschappers naar jullie zenden, die jullie zullen herinneren aan dit verbond dat jullie sluiten met Mij; Ik zal ook Mijn Boek naar jullie zenden.’ Daarop antwoordde de volledige mensheid: ‘Wij getuigen hiervan: U alleen bent onze Heer en onze God, wij hebben geen andere heer of god naast U.’” (Uit Tefhiem al-Qor-aan van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.) Deze hele passage is een verwijzing naar de fitrah, de natuurlijke aanleg (het onderbewustzijn). Iedereen heeft geloof in God en de juiste geloofsleer in zijn hart, maar na de geboorte raken velen beïnvloed door ouders, vrienden, boeken etc. en wordt het geloof bedekt door begeerten en arrogantie.

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Zielen zijn samengebrachte troepen en degene die het goed kon vinden met een ander (in het rijk waar zielen bestonden voordat ze daadwerkelijke lichamen binnengingen in deze wereld) zullen een affiniteit met elkaar hebben (in deze wereld); en degenen die niet met elkaar overweg konden (in het rijk waar de zielen bestonden voordat ze daadwerkelijke lichamen binnengingen in deze wereld) zullen ook niet met elkaar overweg kunnen (in deze wereld).” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, 3158; Moeslim, 2638.) Deze h’adieth geeft aan dat mensen elkaar elders al eens ontmoet hebben voordat zij ter wereld kwamen. Het is duidelijk dat dit niet geschiedde in de baarmoeder, dus betekent dit dat zij reeds bestonden en geschapen zijn voordat zij in hun moeders schoot kwamen.

Alle zielen bestaan dus al en wachten op het moment dat zij naar hun tijdelijke lichaam op aarde gebracht worden. Allah de Verhevene zendt de engel om de ziel in de foetus te blazen, zoals is verhaald door ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), de waarachtige en degene wiens waarachtigheid geloofd wordt, vertelde ons (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, de schepping van eenieder van jullie vindt plaats in de buik van zijn moeder, dit gedurende veertig dagen in de vorm van een noetfah (levenskiem). Daarna is het net zo lang een ‘alaqah (bloedklonter). Vervolgens is het net zo lang een moedghah (een vleeskauwsel). Dan wordt er een engel naar hem gestuurd die in hem de ziel blaast en die belast is met de volgende vier zaken; het opschrijven van zijn levensonderhoud, zijn sterfdag, zijn daden en of hij een ellendeling of gelukzalige zal zijn (in het Hiernamaals).” (Overgeleverd door Moeslim, 1528.)

Tijdens zijn ondermaanse (wereldse) leven wordt de ziel beproefd; dit leven is een testperiode waarin hij keuzes moet maken waarover hij op de Dag des Oordeels verantwoording moet afleggen. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En het (tijdelijke) wereldse leven is slechts spel en vermaak en het Huis van het (eeuwige) Hiernamaals is beter voor degenen die (Allah de Verhevene) vrezen. Begrijpen jullie dan niet!?” [Soerat al-An’aam (6), aayah 32.]

‘Spel en vermaak’ beduidt niet dat dit leven niet serieus is, maar op zichzelf en in verhouding tot het Hiernamaals is het niet belangrijk, dus dienen we ons er niet op blind te staren. Aldus is dit leven een voorbereiding voor het Eeuwige Huis waar we naar toe gaan, wat veel belangrijker is dan de kortstondige genietingen die ons mogelijkerwijs verleiden in dit leven. (A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.) (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

De ziel van de persoon die op het punt staat om te overlijden, wordt genomen vanuit het uiteinde van de tenen richting de bovenkant van het lichaam. En wanneer de ziel de keel bereikt, begint het doodsgerochel en worden zijn ogen glazig en rollen zij naar boven. Oemm Salamah zei: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) begaf zich naar Aboe Salamah (nadat hij overleden was) en zijn ogen waren geopend, dus sloot hij deze en zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Wanneer de ziel genomen wordt, volgen de ogen het.’” (Overgeleverd door Moeslim, 1528.)

De ziel ontmoet de engelen. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “De engelen ontmoetten de ziel van een man van de mensen die voor jullie kwamen, en zij zeiden: ‘Deed jij enig goeds?’ Hij zei: ‘Ik vertelde mijn werknemers om het innen van betalingen uit te stellen of eenieder vrij te stellen die in moeilijkheden verkeerde.’ Aldus werd er gezegd: ‘Excuseer hem.’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, 1935.)

De ziel wordt opgenomen naar de hemel [de hemel dient men niet te verwarren met het Paradijs; er zijn zeven hemelen (kosmische systemen) die het hele universum vormen, daarboven bevindt zich de Troon van Allah – de laagste hemel omvat de aarde] door twee engelen nadat het weggenomen is (d.w.z. nadat de persoon overleden is), zoals overgeleverd is in de h’adieth van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: “Wanneer de ziel van de gelovige weggenomen wordt, ontmoet het twee engelen die het omhoog nemen… (De overleveraar zei: ‘Vervolgens noemde hij de goede geur en de geur van musk.’) De bewoners van de hemel zeggen: ‘Een goede ziel die is gekomen van de aarde, moge Allah jou zegenen alsook het lichaam waarin jij verbleef.’ Dan nemen zij het mee naar zijn Heer, moge Hij geprezen en verheerlijkt worden. Vervolgens zegt Hij: ‘Dool er mee rond tot aan het einde van de wereld.’ Wanneer de ziel van de ongelovige naar buiten komt… (de overleveraar noemde de rotte geur en de vervloekingen), zeggen de bewoners van de hemel: ‘Een slechte ziel die is gekomen van de aarde.’ Vervolgens wordt er gezegd: ‘Dool er mee rond tot aan het einde van de wereld.’” Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) zei verder: “Toen deed de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) een stuk stof over zijn neus, op deze manier.” (Overgeleverd door Moeslim, 5119.)

Meer informatie over hoe de ziel naar buiten komt (wanneer iemand overlijdt) werd overgeleverd in de volgende indrukwekkende h’adieth. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft deze laatste momenten van het leven van de gelovigen en ongelovigen beschreven. Hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Als een gelovige op het punt staat om deze wereld te verlaten, om over te gaan naar de volgende wereld, dan dalen engelen uit de hemelen neer met witte gezichten die stralen alsof hun gezichten de zon zijn, met een doodskleed en h’anoot (een geparfumeerde medische substantie wat gebruikt wordt voor het lichaam alvorens het begraven wordt) uit het Paradijs en zij zitten om hem heen in een menigte zover als het oog reikt. Dan komt de Engel des Doods totdat hij bij zijn hoofd zit en zegt: ‘O goede ziel! Kom naar buiten naar de vergeving en de tevredenheid van Allah!’ En de ziel komt er (gemakkelijk) uit en vloeit zoals een druppel water uit een waterzak stroomt en de engel pakt het vast. Als hij het gepakt heeft, laten de engelen het geen moment in zijn hand. Zij nemen het en plaatsen het in het doodskleed (en zij parfumeren het met die h’anoot) waarin h’anoot is. De geuren die daarvan zullen komen, lijken op de lekkerste geur van musk (de fijnste en beste substantie die gebruikt wordt als parfum) die op aarde gevonden kan worden.

Dan dragen zij de ziel naar boven en telkens als zij langs een groep engelen komen, vragen die: ‘Wie is deze goede ziel?’ De engelen met de ziel antwoorden: ‘Die en die, zoon van die en die,’ en zij gebruiken de mooiste namen waarmee de mensen hem in de wereld hebben genoemd. Zij brengen hem naar de laagste hemel en vragen of er een poort voor hem geopend kan worden. Die wordt voor hem geopend en de engelen van elke hemel, die dichtbij Allah staan, begeleiden hem naar de volgende hemel tot hij de zevende hemel bereikt. Dan zegt Allah de Almachtige: ‘Schrijf het boek van Mijn dienaar in ‘iellieyien (de hemelen en het Paradijs) en breng hem terug naar de aarde. Ik heb hen daaruit geschapen en Ik breng hen daar weer naartoe en Ik breng hen daar weer uit voort.’ Zijn ziel wordt dan weer naar zijn lichaam gebracht en twee engelen komen naar hem toe. Zij laten hem zitten en vragen hem: ‘Wie is jouw Rabb (Heer)?’ Hij antwoordt: ‘Mijn Rabb is Allah.’ Zij vragen hem: ‘Wat is jouw dien (godsdienst)?’ Hij antwoordt: ‘Mijn dien is de Islaam.’

[Alle boodschappers van Allah de Verhevene riepen op tot de Islaam. Jezus (vrede zij met hem) zou gezegd hebben: “Onderwerp je dus aan God (= Islaam) en weersta de duivel (die oproept tot dwaling)…” (Jakobus 4:7.) Jezus (vrede zij met hem) riep dus ook op tot Islaam.]

Zij vragen hem: ‘Wie is deze man die naar jou is gestuurd?’ Hij antwoordt: ‘De boodschapper van Allah.’ Zij vragen hem: ‘Wat is jouw kennis?’ Hij antwoordt: ‘Ik las het Boek van Allah, geloofde erin en verklaarde dat het waar was.’

Een oproeper uit de hemel zal dan roepen: ‘Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken! Voorzie hem daarom met de tapijten (kleden waarop men zit) uit het Paradijs, kleed hem met de kleding van het Paradijs en open een poort voor hem naar het Paradijs!’ Hij ontvangt wat van de frisse lucht en aangename geur ervan en zijn graf breidt zich uit tot zover als het oog reikt. Een man met prachtige kleding en een lekkere geur komt naar hem toe en zegt: ‘Verheug je met dat wat je pleziert, want dit is de dag die je beloofd is.’ Hij vraagt: ‘Wie ben jij? Je hebt een uiterlijk dat veel goeds voorspelt.’ Hij antwoordt: ‘Ik ben je goede daden.’ Dan zegt hij: ‘Mijn Rabb, laat het Uur (de Dag des Oordeels en het Uur van de Wederopstanding) spoedig aanbreken. Mijn Rabb, laat het Uur spoedig slaan, zodat ik naar mijn familie en mijn bezittingen kan terugkeren!’

Als een ongelovige dienaar op het punt staat om deze wereld te verlaten, om naar de volgende wereld over te gaan, dan komen engelen met zwarte gezichten uit de hemel naar beneden en zij hebben al-masooh’ (de lelijkste, vieste, meest stinkende en rottende vodden) bij zich en zitten dan aan het uiteinde van het zicht. Dan komt de Engel des Doods die bij zijn hoofd gaat zitten en zegt: ‘Smerige ziel, kom naar buiten voor de vervloeking en de woede van Allah!’ De ziel verdeelt zich over het hele lichaam en wordt (moeizaam) uit het lichaam getrokken zoals as-saffood (doorns met meerdere haakjes die overvloedig in de woestijn aanwezig zijn, in het bijzonder bekend bij de herders omdat ze verstrikt raken in de wol van schapen) uit natte wol wordt getrokken. Dan neemt de engel hem over. Als hij hem te pakken heeft, laten de andere engelen het geen moment in zijn handen. Zij nemen hem en wikkelen hem in al-masooh’ waar een stank vanaf komt, zoals de ergste stank van een lichaam in de wereld. Dan nemen zij hem naar boven en telkens als zij voorbij een groep engelen komen, vragen deze: ‘Wie is deze smerige ziel?’ De engelen met de ziel antwoorden: ‘Die en die, zoon van die en die,’ en zij gebruiken de ergste benamingen die de mensen hem op deze wereld hebben gegeven. Dan brengen zij hem naar de laagste hemel en vragen zij of de poort voor hem geopend kan worden. Deze gaat niet open.” De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) reciteerde toen: “…voor hen zullen de poorten van de hemel niet geopend worden (#10) en zij zullen het Paradijs niet binnengaan totdat het scheepstouw (of de kameel) door het oog van de naald gaat (wat onmogelijk is)…” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 40.]

<<<(#10) Wanneer iemand komt te overlijden, blijft zijn stoffelijk lichaam in het graf en rot weg, maar zijn ziel zal of in siddjien zijn (de laagste aarde), of in ‘iellieyyien (de zevende hemel), wachtend op de Dag der Opstanding.>>>

“Dan zegt Allah de Almachtige en Majesteitelijke: ‘Schrijf zijn boek in sidjien (de laagste aarde).’ Daarna wordt de ziel naar beneden gegooid.”

Vervolgens reciteerde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “…en wie deelgenoten aan Allah toekent, het is alsof hij uit de hemel viel en de vogels hem uit elkaar rukten, of alsof de wind hem naar een verafgelegen plaats wierp.” (#11) [Soerat al-H’adj (22), aayah 31.]

<<<(#11) In deze gelijkenis staat “hemel” voor de oorspronkelijke menselijke aard (al-fitrah). De mens is van nature de dienaar van Allah de Verhevene en accepteert inherent de doctrine van tawh’ied (de eenheid van God). Daarom zal degene die de leiding van de profeten volgt, standvastig worden in hetgeen wat zijn aard hem ingeeft en hij zal hoger en hoger rijzen. Daarentegen zal degene die Allah de Verhevene verwerpt of deelgenoten aan Hem toekent uit de “hemel” van zijn aard vallen. Vervolgens wordt hij een slachtoffer van satans (duivels) en slechte leiders, zoals de vogels in de parabel die de gevallen mensen wegrukken, of hij wordt een slaaf van zijn eigen begeerten, passies, bevliegingen etc., die vergeleken zijn met de wind in de parabel. Zij laten hem dalen van de ene slechte positie naar de andere totdat hij valt in de diepste afgrond van verloedering. (Tefhiem al-Qor-aan, Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)>>>

“Dan keert zijn ziel terug naar zijn lichaam en twee engelen komen naar hem toe en vragen hem: ‘Wie is jouw Heer?’ Hij antwoordt: ‘Ha, ha, ik weet het niet!’ Zij vragen hem: ‘Wat is jouw religie?’ Hij zegt: ‘Ha, ha, ik weet het niet.’ Zij vragen hem: ‘Wie is die man die naar jou is toegezonden?’ Hij zegt: ‘Ha, ha, ik weet het niet.’ Dan roept een Roeper uit de hemel: ‘Mijn dienaar heeft gelogen, spreidt dus de tapijten (kleden waarop men zit) van het Vuur voor hem uit en open de poort van het Vuur voor hem!’ Daarna komt er een hete wind naar hem toe, zijn graf wordt zo nauw voor hem, dat zijn ribben samengeperst worden. Een man met een afschuwelijk uiterlijk, gekleed in vodden en een vieze lucht komt naar hem toe en zegt: ‘Wees tevreden met het slechte nieuws dat ik voor je heb. Dit is de dag die je beloofd werd.’ Hij vraagt: ‘Wie ben jij? Je hebt een uiterlijk dat kwaad voorspelt.’ Hij antwoordt: ‘Ik ben jouw slechte daden.’ Dan zegt hij: ‘O Rabb! Laat het Laatste Uur niet komen!” (Tot zo ver deze lange en indrukwekkende h’adieth.) [Overgeleverd door Ah’med, Aboe Daawoed, Ibn Khozaymah, al-H’aakim, en authentiek (sah’ieh’) verklaard door sheikh al-Albaanie.]

Kaft Het graf grWat de wijze van de bestraffing en de gunsten in het graf betreft, en de wijze waarop de ziel terugkeert naar het lichaam van de dode (op de Dag der Opstanding); het is niet toegestaan om hier meer over te zeggen dan wat authentiek overgeleverd is van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), zoals de bevestiging van het plaatsvinden van de bestraffing in het graf en de gunsten en ondervraging door de engelen aldaar… etc. Het verstand kan al deze werkelijkheden namelijk niet achterhalen, noch hebben de mensen deze vormen van bestraffing en voorziening meegemaakt waardoor zij er een bepaald beeld bij kunnen voorstellen. (Zie het 82 pagina’s tellende boekje van H’oesayn al-‘Awayishah, al-Qabr – het Graf: Zegeningen en Bestraffingen, vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah en te bestellen via onze webshop.)

Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Elke ziel zal de dood proeven (#12)…” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 185.] Het lichaam sterft wanneer de ziel wordt genomen, en daarna wordt het slechts een verzameling atomen en moleculen: materie. De ziel ervaart en voelt alles wat in bovenstaande h’adieth is beschreven.

<<<(#12) De geschapen ziel sterft niet, maar wanneer de ziel gescheiden wordt van het lichaam dat sterft, ervaart (proeft) de ziel de dood.>>>

Als mensen slapen (en slaap is de “kleine dood”) dan wordt de ziel weggenomen, maar niet volledig, de slapende persoon is dus nog steeds in leven. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Allah neemt de zielen (van degenen) op het moment van hun sterven en (van degenen) die niet sterven in hun slaap. Dan houd Hij (de zielen) voor wie Hij de dood besloten heeft en zend Hij de overigen terug tot een (door Hem) vastgestelde termijn. Waarlijk, daarin zijn zeker tekenen voor een volk dat nadenkt.” [Soerat az-Zoemar (39), aayah 42.]

De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) adviseerde de moslim om te zeggen wanneer hij gaat liggen om te slapen: “Biesmieka rabbie wadha’toe djanbie, wa bieka arfa’oeh, fa-ien amsakta nafsie farh’amhaa, wa ien arsaltaha fah’fadh-ha, biema tah’fadhoe biehie ‘iebaadaka ssaalieh’ieen (in Uw Naam, mijn Rabb, leg ik mijn zijde neer en in Uw Naam hef ik hem op. Als U mijn ziel neemt, heb dan genade met haar. En als U haar (de ziel) terugzendt, behoed haar dan net zoals U Uw rechtschapen dienaren behoedt.)” [Overgeleverd door al-Boekhaarie (11/26) en Moeslim (4/2083).]

Wanneer de moslim wakker wordt, dient hij te zeggen: “Al-h’amdoeliellaah alladzie ah’yaana ba’ada maa amaatana wa ilayhie nnoeshoor (alle lof behoort toe aan Allah Die ons tot leven heeft gebracht nadat Hij ons heeft doen sterven en tot Hem is de terugkeer).” [Overgeleverd door al-Boekhaarie, uit al-‘Asqalaanie, Fat-h’ al-Baarie (11/113), Moeslim (4/2083).]

Of: “Al-h’amdoelillaah alladzie ‘aafaanie fie djasadie wa radda ‘alayya roeh’ie wa adzina lie bie dzikrihie (alle lof behoort toe aan Allah Die aan mij mijn gezondheid heeft teruggegeven en mijn ziel heeft teruggebracht en mij toegestaan heeft om Hem te gedenken).” [Overgeleverd door at-Tirmidzie, 3323. Hij zei dat het een h’asan (goede) h’adieth is.]

Ook al werden de martelaren gedood in dit leven, hun zielen leven en ontvangen voorzieningen in de verblijfplaats van het Eeuwige Leven (d.w.z. het Paradijs), terwijl anderen in hun graven verblijven. Moeslim leverde in zijn Sah’ieh’ over dat Masroeq zei: “Wij vroegen ‘Abdoellaah over deze aayah [“En zeg niet over degenen die gedood zijn op de weg van Allah: ‘Zij zijn dood.’ Nee (integendeel)! Zij leven, maar jullie nemen (dat) niet waar!”soerat al-Baqarah (2), aayah 154], en hij zei: ‘Wij stelden de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dezelfde vraag en hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Hun zielen bevinden zich in de kroppen van groene vogels die rondvliegen in het Paradijs waarheen zij maar willen. Vervolgens keren zij terug naar de kandelaren die onder aan de Troon (van Allah) hangen. Allah kijkt naar hen en zegt: ‘Wensen jullie iets?’ Zij zeiden: ‘O onze Heer! Wat kunnen wij nog meer wensen, terwijl U ons gegeven hebt wat U niet aan anderen van Uw schepselen hebt gegeven?’ Allah stelde hen deze vraag nogmaals, en toen zij beseften dat Hij hen zou blijven vragen totdat zij een antwoord zouden geven, zeiden zei: ‘Wij wensen dat U ons terugbrengt naar het wereldse leven zodat wij voor Uw zaak zullen strijden opdat wij nog een keer voor Uw zaak gedood worden,’ vanwege wat zij zien aan beloning voor het martelaarschap. Vervolgens zegt de Heer (Glorieus en Verheven is Hij): ‘Ik heb voorgeschreven dat zij niet ernaar zullen terugkregen.”” (Er zijn verschillende andere vergelijkbare overleveringen van Anas en Aboe Sa’ied – moge Allah tevreden zijn met hen beide.)

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En werkelijk, Wij schiepen de mens en Wij weten wat zijn ziel hem influistert (alle gedachten die in de mens opkomen, zowel de goede als de slechte)…” [Soerat Qaaf (50), aayah 16.]

Allah de Verhevene zegt ook (Nederlandstalige interpretatie): “…Waarlijk, de ziel spoort aan tot (neigt naar) het kwade, behalve wanneer mijn Heer Zijn Genade schenkt (aan wie Hij wil)…” [Soerat Yoesoef (12), aayah 53.]

Allah ‘Azza wa Djal (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt ook (Nederlandstalige interpretatie): “En elke ziel (mens en djinn) zal volledig ontvangen (beloningen/bestraffingen voor) wat zij gedaan heeft…” [Soerat az-Zoemar (39), aayah 70.]

Met het bovenstaande voor ogen kan men opmaken dat de ziel verantwoordelijk is voor de daden, zowel de goede als de slechte, en dat het lichaam slechts een stoffelijke “behuizing” is, een tijdelijk geschenk.

Als je in de spiegel kijkt, zie je niet je ware zelf, maar slechts een stoffelijk lichaam dat zal vergaan. Maar je ziel – je eigenlijke ik, de ik-entiteit of het ik-wezen – deze blijft bestaan en ervaart hetgeen in het graf zal plaatsvinden.

We dienen dus ook absoluut niet trots te zijn op een “mooi” uiterlijk (en wie bepaalt er eigenlijk wat mooi is!?). Een mooi uiterlijk is een geschenk van Allah de Verhevene waar we zelf maar heel weinig invloed op kunnen uitoefenen. Bovendien zal een mooi uiterlijk vergaan, ofwel door ouderdom, ziekte, ofwel door de dood. Het is juist een teken van schoonheid wanneer je ziel “mooi” is en je inspant om je ziel “mooi” te houden door taqwaa (godsvrees) waardoor je daden van gehoorzaamheid verricht en daden van ongehoorzaamheid mijdt. (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

 

Je ziel spoort aan tot (neigt naar) het kwade, maar door taqwaa biedt je weerstand waardoor je zaken die waadjib (verplicht) zijn verricht – wat een beloning met zich meebrengt – en waardoor je zaken mijdt die h’araam (verboden) zijn – wat ook een beloning met zich meebrengt.

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Waarlijk, de meest edele van jullie bij Allah is degene met de meeste taqwaa (vroomheid, godsvrees)…” [Soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 13.]

Het is overgeleverd door Moeslim op het gezag van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah kijkt niet naar jullie lichamen (uiterlijk) of jullie bezittingen, maar Hij kijkt naar jullie harten en daden.” (Ibn Maadjah leverde deze h’adieth ook over.)

Dus zorg er voor dat hetgeen waar Allah de Verhevene naar kijkt mooi is!

H’amza Maalik schreef in zijn artikel “Het veroordelen van de ziel” onder meer: “Eén van de hoofdredenen waarom moslims het tegenwoordig moeilijk vinden om hun daden te overmeesteren en hun levens onder controle te houden, is omdat ze niet in staat zijn om hun zielen te beheersen en standvastig te blijven op hetgeen zij zichzelf beloven. En dit is het resultaat van het gebrek aan oprecht streven tegen de ziel, al-moedjaahadah. Tegenwoordig zijn we echter overgegaan tot het negeren van moedjaahadah en tot het volledig verwijderen van alle teugels voor de ziel, waardoor het ons leidt en met ons speelt zoals het wenst. Allah de Verhevene heeft onze zielen zo gemaakt dat als er niet tegen gevochten zou worden en het niet in bedwang gehouden zou worden, zij hun eigenaren zouden bevelen om slechte en zedeloze daden te verrichten. [“…Waarlijk, de ziel spoort aan tot (neigt naar) het kwade…”Soerat Yoesoef (12), aayah 53.]

Het is noodzakelijk dat een persoon tegen zijn eigen ziel strijdt (djihaad an-nefs), waarbij alle wapens van al-imaan (het geloof) gebruikt worden, waaronder oprechtheid tegenover Allah de Verhevene, geduld en smeekbeden. Men dient deze wapens te gebruiken totdat hij in staat is om deze ondeugende vijand – de ziel die het slechte beveelt – te verslaan, die in zijn borst is verborgen. Deze strijd kan een persoon helpen om zijn hart te overmeesteren en tot rust te brengen. De Qor-aan leert ons dat het nalaten van het veroordelen van de ziel zou kunnen leiden tot ernstige consequenties, de corruptie van de ziel en het hart.” (Einde citaat.) (Klik op onderstaande afbeeldingen om ze vergroot weer te geven. Gebruik de afbeeldingen voor da’wah.)

 

 

We kunnen dus op twee manieren misleid worden en verleid tot zonden: door de influisteringen van de shaytaan (satan) en onze eigen nefs. Het is onze vrije wil die op basis van kennis (zie Kennis is licht) hier weerstand aan kan bieden.

Imaam Ibn al-Qayyiem al-Djawziyyah schreef in zijn boek ‘Oeddat oes-Saabirien wa Dzakhirat oes-Shaakirien: “Allah heeft engelen geschapen met verstand en geen begeertes, dieren met begeertes en geen verstand, en de mens (alsook de djinn) met zowel verstand als begeertes. Dus als het verstand van een persoon sterker is dan zijn begeertes, is hij (bij wijze van spreken) beter dan een engel. En als zijn begeertes sterker zijn dan zijn verstand, dan is hij (bij wijze van spreken) erger dan een dier…”

De ziel kunnen we – met het bovenstaande in gedachten – aldus beschouwen als het wezen van het onstoffelijke van de mens, een immateriële substantie, onafhankelijk van het lichaam: je ware zelf.

 

Relevante artikelen:

De principes van tazkiyah (het reinigen van de ziel)

De dood

Het doel van de schepping – waarom is de mens geschapen?

Wees in dit leven als een vreemdeling of een reiziger!

De zeven vernietigende zonden

al-Fitrah – de natuurlijke aanleg

De islamitische sharia

Atheïsme (diverse artikelen)