De verzameling van de Koran

Hoe de authenticiteit van de Koran  gewaarborgd werd.

Koran oud manuscript kleinSamengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

De verzameling van de Koran (Arabisch: al-Qor-aan) is een uniek fenomeen dat typisch is voor de islamitische geschiedenis, want geen enkel ander religieus boek komt ook maar in de buurt van de authenticiteit van de Qor-aan. Het Nieuwe Testament werd meer dan een eeuw na de dood van ‘Iesaa (Jezus – vrede zij met hem) opgetekend en de schrijvers van het Oude Testament zijn gehuld in een sluier van geheimzinnigheid, zo ook zijn de schrijvers van de Hindoe geschriften. (Khaliefah, p. 9.) Alleen de Qor-aan kan aanspraak maken op het feit dat het bewaard is gebleven in zijn originele vorm.

Dit is een samenvatting over het proces hoe de verzen van de Koran verzameld zijn tussen twee kaften. Voor een gedetailleerde bespreking kan men het volgende boek raadplegen: Een Introductie tot de Wetenschappen Betreffende de Qor-aan, geschreven door Aboe Ammaar Yaasir Qaadhi, vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, binnenkort verkrijgbaar bij Uitgeverij Momtazah, inshaa-a Allaah.

 

Het memoriseren van de Koran

Allah de Verhevene heeft de islamitische gemeenschap een zegen gegeven die Hij aan geen andere gemeenschap heeft gegeven. En wel dat zij het Boek van hun Heer uit hun hoofden kunnen leren. Een van de middelen om het Boek van Allah te beschermen is dat Hij de islamitische gemeenschap het vergemakkelijkt om het Boek van hun Heer uit het hoofd te leren.

Er zijn vele bewijzen uit de Soennah over de voortreffelijkheid van het uit het hoofd leren van de Qor-aan en het reciteren daarvan. (Zie het artikel H’aafidhz al-Qor-aan.) De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) spoorde zijn metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) aan om datgene te leren wat aan hem geopenbaard werd. De metgezellen leerden de aayaat op het moment dat zij dat van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) hoorden. Oemm Haashiem (moge Allah tevreden met haar zijn) verhaalde hoe zij soerat Qaaf had geleerd van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zei: “…ik leerde Qaaf wal-Qor-aanie l-madjied van de mond van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).” (Overgeleverd door Moeslim.)

De bekommerdheid die de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) toonde betreffende het onderwijzen van de Qor-aan, wordt ook aangetoond door de volgende overlevering. ‘Oebaadah ibn as-Saamit (moge Allah tevreden met hem zijn) verhaalde: “Telkens wanneer een persoon naar al-Medienah migreerde, koppelde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) hem aan één van ons zodat wij hem de Qor-aan konden onderwijzen. Uiteindelijk werd de masdjid (moskee) zo lawaaierig vanwege al dit reciteren van de Qor-aan, dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ons opdroeg om zachter te praten om de betekenis niet te vervormen (door al deze verzen te mengen).” (Oebaydaat, p. 120.) Hierdoor garandeerde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat elke nieuwe moslim een leraar had om hem de Qor-aan te leren.

Er was een grote groep metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) die de Qor-aan uit hun hoofd leerde en het is voor ons niet mogelijk om hun aantal te weten te komen omdat zij met zo velen waren. Tot hen behoorden de khoelafaa-e ar-raashiedoen (de vier rechtgeleide leiders), Talh’ah, Sa’d, Ibn Mas’oed, H’oedzayfah ibnoe l-Yamaan, Aboe Moesaa al-Ash’arie, Saaliem de bediende van Aboe H’oedzayfah, ‘Abdoellaah ibn ‘Amr en vele anderen.

En tot de vrouwelijke metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) die de Qor-aan hadden verzameld behoorden o.a. Oemm Waraqah (moge Allah tevreden met haar zijn). De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gebood haar om de bewoners van haar huis voor te leiden. De h’adieth is te vinden in Moesnad Ah’mad.

 

Het opschrijven van de Koran

De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zorgde er ook voor dat zijn metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) de Qor-aan opschreven, als tweede bescherming tegen verlies. Hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gebood in de beginfase om niets anders dan datgene wat hij vertelde van de Qor-aan op te schrijven.

In Sah’ieh’ Moeslim is van Aboe Sa’ied al-Khoedrie (moge Allah tevreden met hem zijn) overgeleverd, dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Schrijf niets op wat ik zeg, en degene die iets anders dan Qor-aan opschrijft dient het weg te vegen.”

An-Nawawie zei: “Hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) was bang dat de Qor-aan gemengd zou worden met andere zaken. Toen hij erop vertrouwde dat het niet fout kon gaan, gaf hij toestemming om andere zaken te schrijven. Ibn H’adjar zei: “Het verbod gold in tijden waarop de Qor-aan neerdaalde, uit vrees om iets anders dan dat op te schrijven.”

Zijn zorg over de Qor-aan ging zover dat wanneer iets van de Qor-aan op hem neerdaalde, hij direct iemand riep en gebood om datgene wat aan hem geopenbaard was op te schrijven. In de h’adieth van Zayd (moge Allah tevreden met hem zijn) wordt overgeleverd dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) voor hem het volgende reciteerde: Laa yastawie l-qaa’iedoena miena l-moe-emienien (niet gelijk zijn de achterblijvers onder de gelovigen)…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 95.] Ibn Maktoem kwam naar hen toe terwijl het gereciteerd werd. (Moettafaqoen ‘alayh.) (Klik op onderstaande afbeelding om het vergroot weer te geven.)

 

Een oud manuscript van de Qor-aan in een vroeg Kufi schrift op perkament. Het bevat aayah 94, 95 en 96, en een deel van aayah 97 van soerat al-Maaidah.

Een oud manuscript van de Qor-aan in een vroeg Kufi schrift op perkament. Het bevat aayah 94, 95 en 96, en een deel van aayah 97 van soerat al-Maa-idah (5).

De metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) gebruikten allerlei middelen om de Qor-aan op te schrijven, wat zij ook maar konden vinden in hun omgeving. Zij gebruikten leer, botten, stenen en dergelijke als schrijfgerei. Al-Baraa-e (moge Allah tevreden met hem zijn) verhaalde: “Toen het volgende geopenbaard werd: Laa yastawie l-qaa’iedoena miena l-moe-emienien, zei de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) (Nederlandstalige interpretatie): ‘Roep Zayd om te komen en laat hem komen met de borden en middelen om te schrijven.’ En hij gebood hem om te schrijven.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

En in de h’adieth van Zayd, toen Aboe Bakr (moge Allah tevreden met hem zijn) hem gebood om de Qor-aan te verzamelen en zei: “Ik verzamelde de Qor-aan van de bladeren van de palmboom, platte stenen, ribben van dieren en de houten stukken van de zadels.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

Deze overleveringen laten ons weten dat de metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) een grote taak hadden in de tijd van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) om de Qor-aan op te schrijven. Zij namen alle moeite en inspanning om de Qor-aan op te schrijven en het te beschermen. De Qor-aan bleef genoteerd op al deze stukken en middelen, beschermd bij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zijn metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn).

Het werd niet in geschriften (masaah’ief) opgenomen tijdens het leven van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Al-Qoestalaanie heeft gezegd: “De Qor-aan was volledig geschreven in de tijd van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) maar was niet gebundeld (tussen twee kaften) en lag niet op één plaats opgeslagen. Het was ook niet geordend in de volgorde van soewar (meervoud van soerah – hoofdstukken uit de Qor-aan). De ziel van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd genomen en de Qor-aan bevond zich nog in deze toestand.”

Mensen zullen zich misschien het volgende afvragen: waarom werd de Qor-aan niet in de tijd van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verzameld als één bundeling (moes-h’af), zoals Aboe Bakr en ‘Oethmaan daarna deden (moge Allah tevreden met hen beide zijn)? Geleerden hebben aangegeven dat de oorzaken hiervan te maken hebben met een aantal kwesties, waaronder:

1.) Er was geen urgente behoefte in de tijd van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en wel in de tijd van Aboe Bakr en ‘Oethmaan (moge Allah tevreden met hen beide zijn).

2.) Tijdens het leven van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd de Qor-aan voortdurend geopenbaard. Daarom was het niet uitvoerbaar om alles in één boek te verzamelen, aangezien het nog niet volledig geopenbaard was. Het laatste vers werd pas negen dagen vóór het overlijden van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) geopenbaard.

3.) De Qor-aan is niet in één keer neergedaald, maar in delen verspreid over een periode van 23 jaar. De volgorde van het neerdalen van de verzen (aayaat) en de soewar zijn niet hetzelfde als de volgorde die nu in de Qor-aan terug te vinden is. Als het toen in één boek verzameld zou zijn, dan zouden verschillende aayaat in een aantal soewar gekomen zijn waar ze niet geplaatst moesten worden.

 

Waarom besloot men om de aayaat te verzamelen in één boek (moes-h’af)?

Na het overlijden van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) kampte de jonge islamitische samenleving met het probleem van afvalligheid (riddah). Sommige ‘moslims’ hadden de Islaam tijdens het leven van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) wegens politieke redenen geaccepteerd, en onmiddellijk na het overlijden van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) weigerden zij loyaliteit te geven aan de nieuwe islamitische staat. Veel van deze ‘moslims’ hadden hun trouw gegeven aan mensen die beweerden profeten te zijn. Een reeks veldslagen volgde, bekend als de “Veldslagen van Afvalligheid” tegen deze mensen om de moslimgemeenschap te stabiliseren.

Tijdens één van deze veldslagen, de veldslag van Yamaamah (12 H.) (een aanval op Moesaylamah de Leugenaar, die beweerde een profeet te zijn), werden ongeveer zeventig metgezellen – die de Qor-aan uit het hoofd geleerd hadden – gedood. De dood van zo’n groot aantal metgezellen verontrustte de nieuwe moslimleiders die vreesden voor het verlies van de Qor-aan.

Men besloot de metgezel Zayd ibn Thaabit (moge Allah tevreden zijn met hem) – die de openbaring voor de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) opschreef en de hele Qor-aan uit zijn hoofd kende – de leiding te geven betreffende het verzamelen van de volledige Qor-aan in één manuscript. (De gebeurtenis van het verzamelen van de Qor-aan is overgeleverd door al-Boekhaarie en anderen.)

Hij begon met het verzamelen van de talrijke fragmenten van de Qor-aan van ‘de stukken hout en de harten van mensen.’ Hij eiste minstens twee mensen (naast zichzelf) die de verzen rechtstreeks van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) hadden geleerd, en minstens één geschreven kopie van het vers geschreven onder toezicht van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), om de acceptatie in zijn uiteindelijke verzameling te verdienen.

De strenge criteria toegepast door Zayd (moge Allah tevreden zijn met hem), garandeerden de authenticiteit van de verzameling. Ook al had Zayd de volledige Qor-aan uit het hoofd geleerd en had hij het uit zijn eigen geheugen op kunnen schrijven, zorgde hij er toch voor dat er nog twee andere personen waren die het vers uit het hoofd geleerd hadden en dat er een geschreven kopie van het vers was, geschreven onder toezicht van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

Nu was de Qor-aan, voor de allereerste keer, verzameld in één boek. Nauwelijks twee jaar na het overlijden van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), toen alle belangrijkste metgezellen nog in leven waren, was de Qor-aan verzameld. De geschreven kopie van de Qor-aan werd een moes-h’af genoemd (letterlijk betekent dit “een verzameling van losse papieren”) en bleef in bewaring bij Aboe Bakr (moge Allah tevreden zijn met hem), en na zijn dood bij ‘Oemar (moge Allah tevreden zijn met hem), vervolgens bij H’afsah (moge Allah tevreden zijn met haar), de dochter van ‘Oemar en een vrouw van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).

 

De volgorde van aayaat en soewar

Een van de zaken die de geleerden hebben onderzocht is de plaatsing van de verzen in de hoofdstukken en de volgorde van de hoofdstukken in de Qor-aan. Er is unanimiteit van de geleerden over de eerste zaak, dat de volgorde van de verzen in de hoofdstukken een bevel was van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), waar de metgezellen zich aan moesten houden, en dat er geen sprake was van eigen inbreng of eigen ideeën en geen enkel persoon van de geleerden had een andere uitspraak dan deze. De bewijzen hierover zijn te veel om op te noemen. Eén van deze bewijzen is de h’adieth (overlevering) van Ibn az-Zoebayr (moge Allah tevreden met hem zijn), waarin hij zei: “Ik zei tegen ‘Oethmaan: ‘De volgende aayah die in al-Baqarah terug komt: wal-ladziena yoetawaffawna mienkoem wa yadzaroena azwaadjan wasieyyatan lie az-waadjiehiem mataa’an iela l-h’awlie ghayra iekhraadj [en degenen onder jullie die overlijden en echtgenotes achterlaten, zij dienen voor hun echtgenotes een levensonderhoud en een verblijfplaats te legateren voor het (eerste) jaar, zonder hen uit te zetten]’ [soerat al-Baqarah (2), aayah 240] is afgeschaft door een ander vers. Waarom schrijf je het op?’ Hij zei: ‘O zoon van mijn broeder! Ik zal geen enkel vers van haar plaats verwijderen.’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

Wat de volgorde van de soewar in de Qor-aan betreft; de meest bekende uitspraak hierover is dat de geleerden hebben gezegd dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) de keuze aan de metgezellen had overgelaten om de soewar in een volgorde te plaatsen.

Dit was in kort bestek de wijze van bewaring en verzameling van de Nobele Qor-aan tijdens het leven van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Dit alles duidt erop dat de Qor-aan tijdens het leven van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) genotuleerd werd en dit is het bewijs tegen degenen die beweren dat de Qor-aan niet in de tijd van de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd opgeschreven.

In feite speelt het opschrijven een minder belangrijke rol bij het bewaren en beschermen van de Qor-aan dan het memoriseren van de Qor-aan door een groot aantal metgezellen (moge Allah tevreden met hem zijn). De Qor-aan heeft ons bereikt door middel van overleveringen die moetawaatir zijn. Moetawaatir betekent dat het op een zodanige manier en door zo veel mensen in elke generatie is doorgegeven dat het onmogelijk is dat er een fout is gemaakt of dat zij allemaal overeenkwamen om het te vervalsen.

Het memoriseren in combinatie met het opschrijven heeft de authenticiteit van de Qor-aan gewaarborgd, onder toeziend Oog van Allah de Verhevene, Die zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Wij zijn het Die ad-Dzikr (de Herinnering, de Vermaning: de Qor-aan) hebben neergezonden. En waarlijk, Wij zijn zeker Wakers daarover.” [Soerat al-H’idjr (15), aayah 9.]

Moge Allah ons laten behoren tot degenen die de Qor-aan leren en het in praktijk brengen. En alle lof is aan Allah, de Heer der werelden.

Relevante artikelen:

De openbaring van de Koran

Artikelen over de Koran