De rechtvaardigheid van de Islam

Elk mens is wat dat betreft gelijk – niemand heeft een streepje voor.

RechtvaardigheidUit At-Tawh’ied – nr. 2, jaargang 32, blz. 2-4, door drs. Jamal El Mourakibi.
Vertaald door Abou Sayfoullah al-Maghriebie – bewerkt door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah.

Zie ook Wat onderwijst de Islam over rechtvaardigheid?

Rechtvaardigheid is één van de fundamenten waarop het bestaan van het universum rust, en het is een aanleiding voor het goede ten aanzien van de dienaren. Daarom heeft de Islam (Arabisch: Islaam) dit sterk aanbevolen en het als basis gesteld voor het regeren (Nederlandstalige interpretatie): “Werkelijk, Wij zonden Onze boodschappers met de duidelijke bewijzen (wonderen) en Wij zonden met (d.m.v.) hen het Boek en de balans [der rechtvaardigheid (#1)] neer om de mensheid met de rechtvaardigheid in orde te brengen (zodat zij rechtvaardig zullen handelen). En Wij hebben het ijzer neergezonden waarin sterke macht (wapens) is alsook (vele andere) voordelen voor de mens (machines, gereedschap etc.) (#2)…” [Soerat al-H’adied (57), aayah 25.]

<<< (#1) Waarmee de mens het goede en het kwade kan afwegen (zie o.a. aayah 42:17).>>>

<<< (#2) Neerzenden van ijzer betekent het scheppen van ijzer in de aarde, net zoals er in 39:6 gezegd wordt: “…Voor jullie heeft Hij, van het vee, acht in paren neergezonden…”. Alles wat bestaat op aarde is er wegens het Bevel van Allah de Almachtige en het is er niet uit zichzelf verschenen. Scheppen wordt in de Qor-aan ook uitgedrukt als neerzenden (anzala). (Dit vers is niet alleen een herinnering aan de enorme zegening van ijzer, maar) de vermelding van “…en Wij hebben het ijzer neergezonden waarin sterke macht is alsook (vele andere) voordelen voor de mens…” onmiddellijk na de verklaring van het doel van de missie van de profeten, beduidt dat met ijzer hier politieke en militaire macht bedoeld wordt. Het vers betekent dus: “Allah zond Zijn profeten niet in de wereld louter om een systeem te verkondigen voor het bewerkstelligen van rechtvaardigheid, maar het was ook een onderdeel van hun missie om te pogen het praktisch uit te voeren, om de noodzakelijke macht te verzamelen om op alle gebieden van het leven rechtvaardigheid te realiseren, om degenen die het ontwrichten te bestraffen en om de macht te breken van degenen die zich er tegen verzetten.” (Tefhiem al-Qor-aan, Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie. Zie ook o.a. Tefsier Ibn Kethier.)>>>

Allah (Glorieus en Verhevene is Hij) is al-‘Adl – de Rechtvaardige. Hij (Glorieus is Hij) regeert alleen met rechtvaardigheid, en spreekt alleen waarheid, en is rechtvaardig in berechting, zoals Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En Allah oordeelt volgens de waarheid…” [Soerat Ghaafir (40), aayah 20.]

Allah de Glorieuze heeft onrechtvaardigheid van Zichzelf ontkend, en heeft het verboden gesteld voor Zijn dienaren. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…En jouw Heer is niet onrechtvaardig jegens de (Zijn) dienaren (want Hij zond Boeken en boodschappers en gaf hen vele kansen om berouw te tonen).” [Soerat Foessilat (41), aayah 46.]

En Hij zegt in een h’adieth Qoedsie (Nederlandstalige interpretatie): “O Mijn dienaren! Ik heb onrechtvaardigheid verboden voor Mijzelf, en Ik heb het voor jullie verboden, wees niet onrechtvaardig tegenover elkaar.” (Overgeleverd door Moeslim, hoofdstuk al-Birr, en as-Silah h’adieth 2577.)

Allah de Verhevene is al-H’akam – de Rechter – Die Zijn schepselen door Zijn universele en specifieke wetten regelgeving kan verplichten. Al Zijn wetten (Glorieus is Hij) zijn rechtvaardig, het goede zal nooit bestaan behalve door het volgen van Zijn wetten en er zal geen rechtvaardigheid geschieden behalve daardoor. Allah de Alwijze zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…Al-H’oekm (het oordeel of besluit, heersen, gezag) behoort slechts toe aan Allah. (#3) Hij beveelt dat jullie niets aanbidden behalve Hem. Dat is de rechte religie, maar de meeste mensen weten het niet.” [Soerat Yoesoef (12), aayah 40.]

<<< (#3) Dit betekent niet dat mensen verboden zijn om een oordeel te vellen, maar dat alle oordelen gebaseerd dienen te zijn op de bevelen van Allah de Verhevene (en bij uitbreiding de bevelen van de profeet Moh’ammed – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Er is geen gehoorzaamheid jegens een schepsel als dat ongehoorzaamheid jegens Allah de Verhevene betekent. In de Islaam kennen we geen democratie waarbij de mens volledige vrijheid heeft om eigen wetten te maken. Democratie is ongetwijfeld een moderne vorm van shirk (polytheïsme) in termen van gehoorzaamheid en volgen, of wetgeving, aangezien het de Soevereiniteit van de Schepper en Zijn absolute recht om wetten uit te vaardigen ontkent, en men dit recht toekent aan menselijke schepsels [zie Mawsoe’at al-Adyaan wa al-Madzaahib al-Moe’aasirah (2/1066, 1067)].

In de Islaam kennen we ook geen autocratie of dictatuur, waarbij de macht in handen is van één persoon. Maar wij volgen de middenweg van shoeraa (overleg, beraadslaging): de handelwijze van moslims is open – d.w.z. op die gebieden waar Allah de Verhevene of Zijn boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) geen beslissingen over genomen hebben – en dit wordt bepaald door onderling overleg (rekening houdend met de islamitische sharie’ah – wetgeving) tussen diegenen die recht hebben om hun stem te laten horen. Bijvoorbeeld in persoonlijke huiselijke kwesties, zoals tussen een echtgenoot en echtgenote, of andere betrokken leden van een gezin; in zakelijke kwesties, zoals tussen zakenpartners of andere belanghebbende partijen; en staatsaangelegenheden, zoals tussen leiders en onderdanen, of zoals tussen verschillende bestuurlijke organen. (A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.)

Rechtvaardigheid eist dat iedereen – om wier belangen het gaat – geraadpleegd wordt. Als het gaat om een groot aantal mensen, dan dienen hun betrouwbare vertegenwoordigers deel te nemen aan de beraadslaging. Het is onrechtvaardigheid als iemand een kwestie besluit volgens zijn persoonlijke mening en anderen negeert wanneer het om de belangen van twee of meer mensen gaat. Het is ook een zeer grote verantwoordelijkheid om beslissingen te nemen in kwesties die betrekking hebben op de rechten en belangen van anderen. Niemand die God vreest en weet hoe groot die verantwoordelijkheid jegens God is, zal deze zware last volledig op zich durven te nemen. Een dergelijke stoutmoedigheid wordt alleen maar getoond door diegenen die God niet vrezen en die achteloos zijn jegens het Hiernamaals. Door een diepe overpeinzing van deze aspecten zal men in staat zijn volledig te begrijpen dat beraadslaging (shoeraa) een noodzakelijke eis is voor de moraliteit die de Islaam de mens onderwijst, en afwijking daarvan is een grote verdorvenheid wat de Islaam niet toestaat. (Zie Tefhiem al-Qor-aan van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie voor meer details.)>>>

De rechtvaardige heerser is hij die de bevelen van Allah naleeft in zijn regeren, door elke zaak een juiste plek te geven, zonder te overdrijven en zonder verwaarlozing en minachting. Elke afwijking van de wetgeving is een afwijking van rechtvaardigheid en een bevestiging van onrechtvaardigheid, welke op de Dag der Opstanding een duisternis zal zijn.

De wetten die de moslims volgen, dragen op tot rechtvaardigheid en ih’saan, en verafschuwen het verwerpelijke en onrechtvaardigheid (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid en goedheid en het geven aan de verwanten en Hij verbiedt gruwelijkheid en het verwerpelijke en onrechtvaardigheid. Hij vermaant jullie opdat jullie er lering uit zullen trekken.” (#4) [Soerat an-Nah’l (16), aayah 90.]

<<< (#4) As-Sha’bie verhaalde dat Shoetayr ibn Shakal zei: “Ik hoorde Ibn Mas’oed zeggen: ‘De meest omvattende aayah in de Qor-aan is in soerat an-Nah’l (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah beveelt rechtvaardigheid (A) en goedheid (B) en het geven aan de verwanten (C) en Hij verbiedt gruwelijkheid (D) en het verwerpelijke (E) en onrechtvaardigheid (F)…”’” (Overgeleverd door Ibn Djarier.) Dit zijn echter veelomvattende termen die enige toelichting behoeven:

(A) Rechtvaardigheid (al-‘adl) beduidt zowel rechtvaardigheid tegenover anderen (wees eerlijk – zie o.a. aayah 4:29, 6:24 en 6:152), jezelf (wees gematigd: niet nalatig en niet extreem – zie o.a. aayah 22:78 en 35:32) en Allah de Verhevene (aanbid niets/niemand naast Hem – zie o.a. aayah 2:54, 5:72 en 31:13).

(B) Goedheid (al-ih’saan) omvat goedheid, vriendelijkheid en welwillendheid: behandel mensen goed, wees vergevensgezind, help anderen. Zie o.a. aayah 3:134, 4:36, 23:96, 41:34 en 42:40. Al-I’hsaan omvat ook perfectie van en geduldig zijn met aanbidding, uitmuntendheid in het geloof: het aanbidden van Allah de Alwetende net alsof je Hem ziet, en als je Hem niet ziet, weet dan dat Hij jou wel ziet.

(C) Het geven aan de verwanten beduidt het geven van geld, voedsel, kleding etc. indien dit nodig is en ook om de familiebanden te versterken, hen bezoeken en aandacht schenken, adviseren en alle vormen van hulp bieden. Zie o.a. aayah 2:27, 13:21-22 en 17:26.

(D) Gruwelijkheid (al-fah’shaa-e): de grote zonden, gruweldaden, d.w.z. de daden en eigenschappen die zeer slecht zijn, zoals onwettige seksuele handelingen, moord, alcohol drinken, vrekkigheid, ongehoorzaamheid tegenover de ouders, liegen, polytheïsme e.d.

(E) Het verwerpelijke (al-moenkar): het afkeurenswaardige, het slechte – koefr (ongeloof), shirk (polytheïsme) en alles wat de Islaam verbiedt.

(F) Onrechtvaardigheid (al-baghy): alle vormen van onrechtvaardigheid, opstandigheid en onderdrukking.>>>

De wetten bevelen de heersers om hetgeen toevertrouwd is aan haar eigenaren te geven en te regeren onder de mensen met rechtvaardigheid. En de wetten sporen het volk aan tot gehoorzaamheid aan de leiders van de moslims (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Allah beveelt jullie de toevertrouwde zaken (#5) te geven aan degenen aan wie het toekomt; en dat wanneer jullie tussen de mensen oordelen (rechtspreken), dat jullie met rechtvaardigheid oordelen. Waarlijk, Allah maant jullie daarmee het voortreffelijke aan. Waarlijk, Allah is Alhorend, Alziend. O degenen die geloven! Gehoorzaam Allah en gehoorzaam de boodschapper (#6) (Moh’ammed) en degenen onder jullie (moslims) met gezag (#7). En als jullie over iets van mening verschillen, leg het dan voor aan (het Boek van) Allah en (de Soennah van) de boodschapper (#8) indien jullie geloven in Allah en de Laatste Dag. Dat is beter en passender voor de uiteindelijke bepaling.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 58-59.]

<<< (#5) Al-Amaanah (ev. van amanaat) is dat wat je aan iemands hoede toevertrouwt, zowel met betrekking tot geld, goederen als informatie, inclusief die gevallen die niet schriftelijk vastgelegd zijn. Maar ook de morele verantwoordelijkheid, eerlijkheid en alle verplichtingen die Allah de Verhevene bevolen heeft, zoals bidden, zakaah, vasten, bestraffingen voor zonden, eden enzovoort. Allah de Alwetende beveelt dat alle soorten vertrouwenskwesties vervult dienen te worden. Degenen die dit bevel niet in dit leven ten uitvoer brengen, het zal afgedwongen worden van hen op de Dag der Opstanding. In de Sah’ieh’ is overgeleverd dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “De rechten zullen teruggegeven worden aan degenen aan wie zij toekomen, en zelfs het hoornloze schaap zal wraak nemen op het gehoornde schaap (dat hem prikte).” (Zie Tefsier Ibn Kethier.) De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei eens tegen zijn metgezellen (Nederlandstalige interpretatie): “Weten jullie wie moeflis (failliet/blut) is?” Zij zeiden: “Onder ons, degene die failliet is, is degene die geen dirhams (geld) en geen goederen heeft.” Hij zei: “Degene die failliet is onder mijn oemmah (gemeenschap) is degene die op de Dag der Opstanding komt met het gebed, vasten en zakaah, maar hij zal komen terwijl hij die-en-die beledigd heeft, die-en-die belasterd heeft, de eigendommen van die-en-die (onrechtmatig) verbruikt heeft, het bloed van die-en-die heeft doen vloeien en die-en-die geslagen heeft. Ieder van hen zal wat van zijn h’asanaat (goede daden) gegeven worden, en als zijn h’asanaat opraken voordat de rekening vereffend is, zullen wat van hun sayyie-aat (zonden) genomen worden en op hem geworpen worden, vervolgens zal hij in de Hel geworpen worden.” (Overgeleverd door Moeslim.)>>>

<<< (#6) Zie o.a. het 225 pagina’s tellende boek van Jamaal al-Din M. Zarabozo, Het Belang en de Autoriteit van de Soennah, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah – www.momtazah.net. Zie ook de artikelen Inleiding tot de Soennah en Het volgen van Allahs boodschapper – d.w.z. de Soennah – is een verplichting.>>>

<<< (#7) Dit zijn de geleerden en/of heersers. (Zie Tefsier al-Qor-aan al-Kariem van Ibn ‘Oethaymien.) Gezaghebbenden onder de moslims dienen gehoorzaamd te worden, maar alleen wat zij bevelen in gehoorzaamheid tegenover Allah de Verhevene en niet wat ongehoorzaamheid jegens Allah de Alwijze met zich meebrengt, want er is geen gehoorzaamheid jegens een schepsel als dat ongehoorzaamheid jegens Allah de Alwetende betekent.>>>

<<< (#8) Dit vers is de basis van het hele religieuze, culturele en politieke systeem van de Islaam en de belangrijkste bepaling van de grondwet van een islamitische staat. (Tefhiem al-Qor-aan, Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)>>>

De wetten sporen aan tot rechtvaardigheid in uitspraak, door rechtvaardig te spreken, en tot rechtvaardigheid in daden, door alleen goede daden te verrichten (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Wees continue sterk in het handhaven van rechtvaardigheid, als getuigen ter wille van Allah, ook al is het tegen jezelf of de ouders en de verwanten. (#9) Ongeacht of het om een rijke of een arme gaat, Allah is dan een betere Beschermer voor hen beiden (en Hij weet wat goed voor hen is). Volg dus niet de begeerte waardoor jullie afstand nemen van rechtvaardigheid. En als jullie de getuigenis verdraaien of het weigeren af te leggen, dan waarlijk, Allah is Khabier (Alwetend omtrent subtiele zaken) aangaande hetgeen jullie doen.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 135.]

<<< (#9) De Islaam bepleit een rechtvaardigheid die noch van liefde noch haat afhankelijk is. Men moet zich niet laten leiden door emoties.>>>

En Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “…En wanneer jullie spreken, wees dan rechtvaardig, ook al is het (in het nadeel van) een familielid; en vervul het verbond met Allah…” [Soerat al-An’aam (6), aayah 152.]

Het handelen naar rechtvaardigheid is verplicht, ook in tijden van beproeving en tijdens strijd tussen de moslims (Nederlandstalige interpretatie): “En indien twee partijen van de gelovigen elkaar bestrijden, sticht dan vrede tussen hen beiden. Als een van hen beiden de ander dan onrecht aandoet (bestrijdt), bestrijd dan (allen) de groep die onrecht aandoet totdat zij terugkeert naar het Bevel van Allah. Als zij dan terugkeert, sticht dan vrede tussen hen beide met onpartijdigheid en wees rechtvaardig. Waarlijk, Allah houdt van de rechtvaardige weldoeners.” [Soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 9.]

<<<Ibn Abie H’aatim verhaalde dat ‘Abdoellaah ibn ‘Amr zei dat de boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, degenen die rechtvaardig zijn in dit leven, zullen op een verhoging zijn gemaakt van parels tegenover ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige – Allah), Glorieus en Verheven is Hij, wegens hun rechtvaardigheid in dit leven.” (Overgeleverd door an-Nasaa-ie.)>>>

De moslims dienen rechtvaardig te zijn, ook tegenover hun vijanden. Hun vijandschap en haat mag hen niet naar onrechtvaardigheid leiden, omdat de moslims de dragers zijn van de goddelijke methodologie die aan Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) geopenbaard is om rechtvaardigheid te vestigen (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Wees continue sterk omwille van Allah (niet omwille van mensen of faam), als getuigen met rechtvaardigheid; en laat haat tegenover een volk jullie niet aanzetten tot het onrechtvaardig zijn (tegenover hen). Wees rechtvaardig (jegens vriend én vijand), dat is dichter bij at-taqwaa (de vroomheid, godsvrees); en vrees Allah. Waarlijk, Allah is Khabier (Alwetend omtrent subtiele zaken) aangaande hetgeen jullie doen.” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 8.]

Toen de moslims zagen wat hen aangedaan werd op de dag van Oeh’oed, toen de vijanden hun doden verminkten, zeiden zei: “Indien wij hen (de vijanden) op een dag te pakken krijgen, dan zullen wij hen erger aandoen.” Toen openbaarde Allah (Nederlandstalige interpretatie): “En als jullie (O gelovigen) straffen, straf dan met het vergelijkbare van hetgeen waarmee jullie gestraft werden. Bij Allah! Als jullie geduldig zijn, dan is dat zeker beter voor de geduldigen (#10).” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 126.] [Overgeleverd door ‘Abdoellaah ibn Ah’mad, at-Tabarie en Ibn H’adjar in al-Fat-h’ en er zijn een aantal zwakke overleveringen over dit hoofdstuk overgeleverd en dit zijn allemaal overleveringen die elkaar aanvullen (boek 7, blz. 430).]

<<< (#10) Indien jullie degenen die jullie onrecht hebben aangedaan straffen, O gelovigen, dan hebben jullie twee opties: (1) dat jullie straffen zoals jullie gestraft zijn en zoals jullie onrecht is aangedaan, (2) dat jullie geduldig zijn en het onrecht tegen jullie over het hoofd zien en hen vergeven, en dat jullie bij Allah de beloning door het onrecht dat jullie bereikt is wensen te verkrijgen en dat jullie jullie zaak aan Allah toevertrouwen en Allah zal de onrechtvaardige bestraffen. Geduld is beter voor de geduldigen dan wraak omdat Allah de onrechtvaardige hard grijpt. (Tefsier H’adaa-ieq ar-Rawh’ wa ar-Rayh’aan fie Rawaabie ‘Oeloemie al-Qor-aan.) Jamaal al-Din M. Zarabozo zei: “Moslims kunnen niet toestaan dat zij door hun emoties overmand worden. Dit is wat hen leidt naar het verrichten van vele daden die, op zijn minst, twijfelachtig zijn in het licht van de sharie’ah. Voorzeker, van hen wordt geëist dat zij handelen in overeenstemming met de sharie’ah en omwille van Allah de Verhevene en niet in overeenstemming met hun begeerten en omwille van het zoeken van wraak, persoonlijke haat enzovoort.”>>>

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft de voortreffelijkheid van rechtvaardigheid en de rechtvaardige heerser in vele ah’aadieth verduidelijkt, waarbij hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): “Zeven (mensen) zullen in de schaduw van Allah zijn, op een Dag dat er geen schaduw zal zijn: …een rechtvaardige heerser (imaam, leider).” (Moettafaqoen ‘alayh.)

En hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “De rechtvaardigen bij Allah zijn op preekstoelen van licht rechts van de Barmhartige, en Zijn beide handen zijn rechts, zij die rechtvaardig zijn in hun oordelen en tegenover hun familieleden en waarvoor zij verantwoordelijk zijn.” (Moeslim 1827.)

En hij (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): “De meest geliefde bij Allah op de Dag der Opstanding en degene die het dichtst naast Hem zit, is een rechtvaardige imaam (leider) en de meest verafschuwde persoon bij Allah op de Dag der Opstanding en degene die het meest bestraft zal worden, is een onrechtvaardige heerser.” (At-Tirmidhzie 1329, al-Baghawie Sharh’ as-Soennah (boek 10, blz. 65) en hij zei dat de h’adieth h’asan gharieb is.)

De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft ‘Abdoellaah ibn Rawaah’ah (moge Allah tevreden zijn met hem) naar de mensen van Khaybar gestuurd om de waarde die voor zakaat uitgegeven moest worden te bepalen voor hun vruchten en plantsoen. Zij wilden hem smartgeld geven, zodat hij mild met hen zou omgaan en hij zei tegen hen: “Bij Allah, ik ben naar jullie gekomen vanuit de meest geliefde van de schepselen, en jullie zijn voor mij meer gehaat dan apen en zwijnen, en hetgeen mij leidt naar zijn liefde (d.w.z. van de profeet) en de haat voor jullie, is dat hij rechtvaardiger is dan jullie.” Zij zeiden: “Hierop zijn de hemelen en de aarde gebaseerd.” (Aboe Daawoed, Ibn Maadjah, met een goede keten, en overgeleverd door Maalik in al-Moewatta-e als moersal.)

Dja’dah ibn Habierah was naar ‘Aliy ibn Abie Taalib (moge Allah tevreden zijn met hem) gekomen en zei: “O leider van de gelovigen! Als twee mannen naar jou komen en één van hen houdt meer van jou dan dat hij van zijn familieleden en eigendommen houdt, en de andere zou jou slachten als hij daartoe in staat zou zijn, aan wie zul je dan het recht geven, aan de ene (waarvan je houdt) of aan de andere? ‘Aliy (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: “Als het aan mij lag, dan had ik dat wel gedaan, maar dit is een zaak die aan Allah behoort.” (Genoemd door Ibn Kethier in al-Biedaayah en an-Nihaayah in de biografie van ‘Aliy, “Boek 8, blz. 6”.)

In de eerste preek van ‘Oemar ibn ‘Abdel-‘Aziez, nadat hij het leiderschap had genomen, prees hij Allah en bedankte Hem en vervolgens zei hij: “Voorts, er is voorwaar geen profeet na jullie profeet (Moh’ammed), en geen ander boek dan het boek dat aan hem neergezonden is (de Qor-aan). Weet dat alles wat Allah toegestaan heeft verklaard, toegestaan zal zijn tot de Dag der Opstanding. Ik ben geen vernieuwer, maar ik ben een opvolger, en er is niemand die in ongehoorzaamheid aan Allah gehoorzaamd mag worden. Ik ben waarlijk niet de beste van jullie, maar ik ben één van jullie. Het is alleen dat Allah mij een zwaardere taak heeft gegeven,” en vervolgens noemde hij de zaken die hij bekend wilde maken. (Ibn Sa’d in at-Tabaqaat, boek 5, blz. 250.)

In deze preek, die als voorbeeld dient voor rechtvaardigheid en als wet tot regeren, zijn fundamenten tot regeren aangegeven, te weten:

1.) Het volgen van de wetgeving van Allah en deze volledig toe te passen.

2.) Het opvolgen van de weg van de leiding en afstand nemen van innovaties.

3.) Er is geen gehoorzaamheid aan een schepsel, als dit leidt naar ongehoorzaamheid aan Allah; gehoorzaamheid geschiedt in het goede.

4.) De leider is niet beter dan degenen waarvoor hij verantwoordelijk is, hij is één van hen en is niet de beste, en het kan zijn dat er onder de burgers zijn, die beter zijn dan hij.

5.) Het geloof van de imaam dat er een grote verantwoordelijkheid op hem rust en hij is als eerste verantwoordelijk daarover tegenover zijn Rabb (Heer) en tegenover de burgers, en dit is allemaal een aanleiding tot bevestiging van rechtvaardigheid en tederheid tegenover de burgers. Handelend naar deze methodologie zei ‘Oemar tegen de mensen: “Ga terug naar de landen waarvan jullie zijn gekomen, want ik gedenk jullie als jullie in jullie verblijfplaatsen zijn en vergeet jullie als jullie bij mij zijn. Voorwaar, ik heb een aantal mannen verantwoordelijk over jullie gesteld en ik kan niet zeggen dat zij de besten onder jullie zijn, maar zij zijn beter dan degenen die slechter zijn dan hen. Als één van deze mensen een ander onrecht aandoet, dan moet men weten dat hij mijn toestemming hiervoor niet gekregen heeft. Bij Allah, als ik dit geld voor mijzelf en mijn familieleden verboden stel en daarmee gierig tegenover jullie zal zijn, dan zal ik iemand zijn waar mensen twijfels over hebben. Bij Allah, als ik een jaar lang een Soennah zou doen herleven of dat ik met rechtvaardigheid zou handelen, dan zal ik geen fawaq (de tijd die nodig is om een vrouwelijke kameel te melken, en er is gezegd dat dit de tijd is tussen twee keer melken) willen leven. (Ibn Sa’d, boek 5, blz. 253.)

De rechtvaardigheid van de leider der gelovigen ‘Oemar ibn ‘Abdel‘Aziez:

‘Oemar ibn ‘Abdel’Aziez (moge Allah hem genadig zijn) vond het altijd van essentieel belang om de bedorven zaken onder de burgers recht te zetten met rechtvaardigheid en met hetgeen de sharie’ah daarvoor aangewezen heeft, en niet door manieren van onderdrukking te gebruiken en anderen onderdanig te laten zijn en het gebruiken van andere wetten dan die van Allah de Verhevene.

As-Soeyoetie heeft geschreven, betreffende de geschiedenis van al-Kholafaa-e van Yah’ya al-Ghassaanie, dat hij zei: “Toen ‘Oemar mij verantwoordelijk stelde over al-Moosel (Moesoel: stad in het huidige Irak), kwam ik daar en vond dat het een gebied was waar het meest gestolen werd. Ik schreef hem om de toestand van dit land te verduidelijken aan hem en om hem te vragen wat ik moest doen. Zal ik de mensen met vermoeden aansprakelijk nemen en zal ik hen slaan door de strafrechtelijke daden die zij treffen, of zal ik hen aanspreken met wat bevestigd is en waarover getuigd wordt volgens de Soennah? Als de waarheid hen niet zal rechtzetten, moge zij dan niet rechtgezet worden?”

Yah’yia zei: “Ik voerde uit wat hij mij zei. Toen ik van al-Moosel wegging was het één van de oprechtste steden geworden en het stelen was zeer afgenomen.

Al-Djarraah’ ibn ‘Abdielleeh schreef naar ‘Oemar ibn ‘Abdel’Aziez: “De bewoners van Khoerasaan zijn bedorven geworden en er is niets dat hen zal rechtzetten behalve het zwaard en de zweep, als de leider der gelovigen hiervoor toestemming geeft om dit toe te passen.”

‘Oemar schreef hem terug en zei: “Voorts, jouw schrift is mij bereikt, waarin je vermeldt dat de bewoners van Khoerasaan bedorven zijn geraakt en dat alleen het zwaard en de zweep dat zal rechtzetten. Je liegt! Rechtvaardigheid en de waarheid zal hen rechtzetten, verspreid dit onder hen, was-salaam.” (Taarikh al-Kholafaa-e door Ibn ‘Asaakier.)

De rechtvaardigheid die wij bedoelen is niet alleen de wettelijke rechtvaardigheid die uitgedrukt wordt in gelijkheid, maar het is de algemene, allesomvattende rechtvaardigheid, die zowel betrekking heeft op de heerser als de geregeerde, volgens dezelfde principes. Het beveelt maatschappelijke en economische rechtvaardigheid en het waarborgen van de rechten van de individuen en hun vrijheden.

Dit is de rechtvaardigheid van de Islaam, die de islamitische wetgeving bevat. Zijn er mensen die zich hierna willen afkeren? “Degenen die, indien Wij hen macht op aarde geven, as-salaah (het gebed) onderhouden en az-zakaah (de verplichte liefdadigheid) geven en al-ma’roef (het goede) bevelen en al-moenkar (het verwerpelijke) verbieden. En aan Allah alleen behoort het goede einde van alle zaken.” [Soerat al-H’addj (22), aayah 41.]

<<< Imaam as-Shanqietie zei in Adhwaa-oe l-Bayaan (7/104-105), dit vers becommentariërend: “De Uitspraak van Allah de Verhevene ‘degenen die, als Wij hen gezag schenken in het land…’ bevat bewijs dat er geen belofte voor de hulp van Allah is, behalve door het onderhouden van as-salaah (het gebed), het betalen van az-zakaah (de verplichte liefdadigheid), het opleggen van wat goed is en het verbieden van wat verwerpelijk is. Zij zijn dus degenen die Allah gezag zal geven op de aarde en door middel van wie Hij Zijn Woord zal versterken. Degenen die as-salaah niet onderhouden, noch de zakaah betalen, noch het goede bevelen, noch het verwerpelijke verbieden, voor hen is er dan geen belofte dat Allah hen zal helpen of de overwinning zal schenken. Zij behoren niet tot Zijn groep, noch zijn zij Zijn vrienden; degenen die de belofte van Zijn hulp en overwinning hebben. Integendeel, zij behoren tot de groep van shaytaan (satan) en zijn vrienden. Dus als zij de hulp van Allah verwachten en de vervulling van Zijn belofte, dan zou hun voorbeeld zijn als die van een werknemer die weigert zijn werk te doen waarvoor hij ingehuurd werd, doch verlangt hij nog steeds beloond te worden. Dus eenieder die is zoals dit, hij heeft dan geen verstand!”

Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie zei in Tefhiem al-Qor-aan bij dit vers: “Hier wordt het werkelijke doel van de islamitische staat en de eigenschappen van degenen die zijn aangelegenheden besturen beknopt maar veelomvattend aangegeven. Degenen die Allah helpen en Zijn steun verdienen gedragen zich rechtschapen, dragen zorg voor het gebed, treffen maatregelen voor het inzamelen van de zakaah en gebruiken hun macht en gezag om het goede te verspreiden en het slechte te beëindigen.”>>>

“Allah beloofde degenen onder jullie die geloven en rechtschapen daden verrichten, dat Hij hen zeker als opvolgers op aarde zal aanstellen, zoals Hij degenen vóór hen als opvolgers heeft aangesteld; en dat Hij voor hen hun religie – welke Hij voor hen verkozen heeft – zeker zal versterken. En Hij zal hen zeker in ruil veiligheid schenken na hun angst, mits zij Mij aanbidden en niets aan Mij toekennen als deelgenoot. En wie daarna ongelovig wordt, zij zijn het die de faasieqoen (de grote zondaren, opstandig jegens Allah) zijn.” [Soerat an-Noer (24), aayah 55.]

<<<Als dit vers geopenbaard is ten tijde van de Slag van de Greppel (Khandaq), ook wel de Slag van de Bondgenoten (Ah’zaab) genoemd, kunnen we ons goed voorstellen wat voor bemoediging het gegeven moest hebben aan de moslims die in al-Medienah belegerd werden door een leger tien keer zo groot als dat van hen. (A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie) Hoe dan ook, de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zijn metgezellen (moge Allah tevreden zijn met hen) bleven zo’n negen jaar in Mekkah waar zij de Islaam niet in vrede konden praktiseren. Vervolgens werden zij opgedragen te emigreren naar al-Medienah waar zij ook niet in vrede leefden wegens de militaire acties van de heidense Mekkanen. Maar Allah de Almachtige maakte Zijn profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zegevierend over het grootste deel van het Arabische schiereiland, waarna een periode van veiligheid en superioriteit aanbrak die bleef voortduren tijdens het bestuur van Aboe Bakr, ‘Oemar en ‘Oethmaan (moge Allah tevreden zijn met hen), die de islamitische staat aanzienlijk uitbreidden (van de Atlantische Oceaan tot aan China). Daarna gebeurde wat er gebeurde – zij veranderden (hun geloof verzwakte), dus veranderde (verslechterde) hun situatie – en er kwam weer angst over hen.>>>

“Wensen zij dan het oordeel (regels en gewoonten) van de (dagen van) djaahiliyyah [onwetendheid (#11)]!? En wie is er beter dan Allah in het oordelen voor een volk dat met zekerheid gelooft?” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 50.]

<<< (#11) Djaahiliyyah: onwetendheid. De term djaahiliyyah verwijst naar de periode van morele onwetendheid van een volk of beschaving, de periode tussen het verdwijnen van het profetisch onderricht en de komst van een andere; en, in het bijzonder, naar de periode van het Arabische heidendom vóór de komst van de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). De term beschrijft, los van deze historische gevoelswaarden, de toestand van morele onwetendheid of onachtzaamheid in algemene zin, ongeacht de tijd of maatschappelijke omgeving. Djaahiliyyah duidt ook op daden en uitspraken die bestonden in of die geërfd werden uit de periode vóór de komst van de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en die tegen de islamitische wetgeving indruisen.>>>

De Dagen van Onwetendheid waren dagen van stamcultuur, vetes en zelfzuchtige benadrukking van verschillen in de mens. Die dagen zijn werkelijk nog niet voorbij (nationalisme, racisme, hebzucht etc.). Het is de missie van de Islaam om ons weg te leiden van deze incorrecte mentale houding, richting de ware houding van eenheid. Als ons geloof met overtuiging is (en niet alleen een kwestie van woorden), dan zal Allah de Almachtige ons leiden naar die eenheid. (Uit A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.)

En onze laatste smeekbede is: alle lof is voor Allah, de Rabb van de werelden.

 

Relevante artikelen:

Wat onderwijst de Islam over rechtvaardigheid?

Religieuze tolerantie in de Islam

Stop terrorisme (diverse artikelen)