De realiteit van soefisme

In het licht van de Qor-aan en Soennah.

Alle lof is voor Allah, Heer der werelden. Vrede en zegeningen zijn met de profeet Moh’ammed, zijn familie, zijn metgezellen en iedereen die hun voetstappen volgt tot aan de Laatste Dag.

DEZE VERHANDELING WERD ALS VIERDELIGE SERIE gepubliceerd in het maandblad Wij Moslims van Uitgeverij Momtazah, namelijk in de edities augustus 2008, oktober 2008, december 2008 en januari 2009. Het werd vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, onder eindredactie van Abou Sayfoullah al-Maghriebie, Abou Abdullah en Abou AlMontasir.

Het werd in Wij Moslims opgenomen als een nederige poging om aan de Nederlandstalige lezers de afwijkingen van de soefi’s bekend te maken, zowel in hun geloofsovertuigingen als hun handelingen. We hopen dat deze wetenschappelijke kritiek zal helpen om de onjuiste ideeën weg te nemen die zijn genomen van andere religies en religies waarvan mensen hebben geprobeerd om deze te introduceren in naam van de Islam (al-Islaam).

We bidden tot Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) dat Hij Zijn dienaren door middel van deze serie weg zal leiden van de innovaties van soefisme en hen het rechte pad zal tonen – aamien.

Deze verhandeling bevat de volgende hoofdstukken:

Inleiding
De uitmuntende eigenschappen van de Geredde Groep
De definitie van soefisme
De eerste verschijning van soefisme
Hoe soefisme begon
Filosofische scholen (denkwijze) onder de soefi’s
Verering van de sheikhs onder de soefi’s
Het verschil tussen zoehd (ascetisme) en soefisme
Voorbeelden van de onrechtvaardigheid van de extreme soefi’s
De eenheid van religies volgens Ibn ‘Arabie
De ‘wonderen’ van de soefi’s
Slotwoord
Samenvatting van enkele afwijkingen van de soefi’s (toegevoegd door de vertaler)

 


Inleiding

Alle lof en dankbetuigingen zijn voor Allah alleen, en moge de vrede en zegeningen zijn met degene na wie er geen andere profeet meer is, voorts:

Dit is een voordracht die ik gaf aan de studenten van Daaroe l-H’adieth in Mekkah in het jaar 1401 H. (1981 n.C.) met de titel De Realiteit van Soefisme in het Licht van de Qor-aan en Soennah. Vervolgens verzochten enkele oprechte personen die het goede willen, of deze voordracht gedrukt en uitgegeven kon worden ten gunste voor de mensen in het algemeen. Ik stemde met het voorstel in ondanks tijdbeperkingen. Tijdens de voorbereidingen ervan hield ik het niveau van de studenten aan wie de voordracht was gegeven in gedachte. Daarom is het (boekje) gemakkelijk te begrijpen, terwijl de verschillende aspecten van het onderwerp behandeld worden, en alle lof is voor Allah. Ik vraag Allah, de Allerhoogste, om dit ten gunste te laten zijn voor elke zoeker naar de waarheid, en Allah is op de hoogte van onze intenties.

Allah, Verheven en Geprezen is Hij, schiep ons en plaatste ons in dit leven voor een zeer groot en wijs doel waar Hij van houdt en waarmee Hij tevreden is. Dit doel is het aanbidden van Hem alleen, zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen. Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie):

“En Ik (Allah) schiep de djinn en de mensheid enkel om Mij te aanbidden.” [Soerat ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.]

[Zie de artikelen Het doel van de schepping en De wereld van de djinn.]

Vervolgens onderscheidde Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) de mensheid van de rest van de schepping omdat Hij hen zegende met intellect waardoor zij in staat zijn om hun Heer te kennen, alsook in staat zijn om onderscheid te maken tussen hetgeen hen zal baten en wat hen zal schaden. Bovendien, door Zijn Genade voor Zijn dienaren, liet Hij – Degene Die vrij en ver verwijderd is van alle onvolmaaktheden – hen niet in een toestand waarbij zij zich enkel moeten beroepen op het intellect om goed en kwaad te onderscheiden. In plaats daarvan zond Hij de boodschappers en openbaarde Hij hen de Boeken met daarin hetgeen Allah beveelt, verbiedt of voorschrijft, met daarin het succes en welzijn voor de mens in deze wereld en het Hiernamaals.

Na het zenden van de boodschappers (vrede zij met hen allen) bleef er aldus geen verontschuldiging of excuus over voor degene (die zich bevindt op het pad) van misleiding of voor degene die afwijkt van de weg van Allah. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“Boodschappers als brengers van goede tijdingen alsook van waarschuwing zodat de mensheid geen verontschuldiging tegenover Allah zal hebben na (de komst van) de boodschappers…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 165.]

Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) beëindigde en volmaakte de opeenvolging van boodschappers met onze profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellemvrede en zegeningen van Allah zijn met hem). Hij is dus de laatste en de beste der boodschappers, en Hij zond eveneens het beste der geopenbaarde Boeken op hem neer. Daarom is zijn sharie’ah (sharia) de meest complete en veelomvattende geopenbaarde weg. [Zie het artikel De islamitische sharia.] Vervolgens overleed hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) niet om zich te voegen bij het beste gezelschap van engelen totdat Allah Ta’aalaa de religie voltooide en Zijn gunst vervolmaakte, zoals Allah, de Allerhoogste, zegt in de aayah welke vlak voor zijn overlijden geopenbaard werd, en dat was op de Dag van ‘Arafah toen hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) op de plaats van staan (de vlakte van ‘Arafah) was tijdens de afscheidsbedevaart (Nederlandstalige interpretatie):

“…Vandaag heb Ik jullie religie vervolmaakt voor jullie, Mijn gunsten voor jullie volledig gemaakt en de islam voor jullie als religie gekozen…” [Soerat al-Maa-idah (5), aayah 3.]

Aldus bleef er voor niemand ruimte over, ongeacht wie hij is, om iets nieuws in de religie te introduceren, noch om er iets van weg te nemen. [Zie het artikel Het verbod op innovaties (bid’ah).] Bovendien was tawh’ied (het aanbidden van Allah alleen, islamitisch monotheïsme) het allereerste waar de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) toe opriep, wat geuit wordt door de getuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah en dat Moh’ammed de boodschapper is van Allah. Hij besteedde dertien jaar in Mekkah om tot deze verklaring uit te nodigen en om je op niets anders dan dit te beroepen. Ook alle voorgaande boodschappers riepen op tot deze verklaring en er was er niet één van hen of hij nodigde zijn volk uit door te zeggen (Nederlandstalige interpretatie):

“…Aanbid Allah! Er is voor jullie geen andere God dan Hij…” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 59.]

[Zie de rubriek Monotheïsme – tawh’ied voor diverse artikelen en een gratis e-boek.]

Dus tawh’ied is de kern waar alle boodschappers mee kwamen, het doel van hen allen, het centrale principe van alles waartoe zij uitnodigden, hetgeen waarop zij gefundeerd waren en waarvoor zij gezonden werden. Het bewijs hiervoor kan in vele verzen gevonden worden, waaronder (Nederlandstalige interpretatie):

“En bij Allah! Wij zonden werkelijk naar elke gemeenschap een boodschapper (die verkondigde): ‘Aanbid Allah en mijd at-taaghoet [alles wat onterecht aanbeden wordt met diens tevredenheid (#1)].’ En onder hen zijn er die Allah leidde, en onder hen zijn er voor wie de dwaling gerechtvaardigd was. Dus reis rond op aarde en zie hoe het einde was van degenen die loochenden.” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 36.]

[(#1) Zie het artikel Uitleg van ‘De betekenis van taaghoet.]

En de Woorden van Allah Ta’aalaa (Nederlandstalige interpretatie):

“Bij Allah, Wij zonden werkelijk Noah naar zijn volk en hij zei: ‘O mijn volk! Aanbid Allah! Er is voor jullie geen andere God dan Hij. Waarlijk, ik vrees voor jullie de kwelling van een geweldige Dag!’” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 59.]

En Allahs Uitspraak (Nederlandstalige interpretatie):

“En naar (het volk) ‘Aad zonden Wij hun broeder Eber (Hoed). Hij zei: ‘O mijn volk! Aanbid Allah! Er is voor jullie geen andere God dan Hij. Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen (#2)!?’” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 65.]

[(#2) Zie het artikel Taqwaa (Godvrezendheid), dat moet je hebben.]

Tot de bewijzen behoren ook de Woorden van Allah Ta’aalaa (Nederlandstalige interpretatie):

“En naar (het volk) Thamoed zonden Wij hun broeder Saalih’ (Shelah). Hij zei: ‘O mijn volk! Aanbid Allah, er is voor jullie geen andere God dan Hij! Hij heeft jullie uit de aarde geschapen (#3)…’” [Soerat Hoed (11), aayah 61.]

[(#3) Zie het artikel De schepping van Adam van aarde.]

En ook de Uitspraak van Allah, de Allerhoogste (Nederlandstalige interpretatie):

“En naar (het volk) Midjan zonden Wij hun broeder Shoe’ayb (Jetro). Hij zei: ‘O mijn volk! Aanbid Allah, er is voor jullie geen andere God dan Hij!…’” [Soerat Hoed (11), aayah 84.]

Er zijn vele andere aayaat (verzen) die aangeven dat tawh’ied de eerste kwestie was waar de boodschappers hun volken toe opriepen, aangezien tawh’ied het fundament van de Islaam is en wat op zijn beurt weer de religie van alle boodschappers en profeten is. Als vervolgens het fundament tot stand gebracht is, worden de overige daden van aanbidding en regelgevingen hierop gebouwd. Dit betekent niet dat de uitnodiger de andere takken van de Islaam slechts lichtjes dient te behandelen, maar er is een overeenstemming (idjmaa’) dat geen daad correct zal zijn, noch zal het geaccepteerd worden, als de ‘aqiedah (geloofsleer) van de persoon die het verricht niet goed en correct is. [Zie het artikel De voorwaarden voor acceptabele ‘ibaadah (aanbidding).] Net zoals het voor ons niet correct is om een huis te bouwen totdat de fundamenten ervan stevig zijn: als dit niet gebeurd, dan zal het snel instorten en vallen. Deze realiteit wordt benadrukt door het feit dat shirk (polytheïsme, afgoderij – enig deel of vorm van aanbidding, of iets dat het recht van Allah is, richten tot iemand anders dan Allah: zie het artikel Vormen van koefr en shirk), wat het tegenovergestelde is van tawh’ied, een grotere zonde en misdaad is dan enig andere zonde. [Zie het artikel Het grootste onrecht is shirk.] Daarom informeert Allah Ta’aalaa ons dat Hij iemand die overlijdt op shirk niet zal vergeven. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“Waarlijk, Allah vergeeft niet dat er deelgenoten aan Hem toegekend worden [tenzij men vóór de dood er berouw voor toont (#4)], maar Hij vergeeft alles behalve dat aan wie Hij wil. En wie deelgenoten aan Allah toekent, hij is dan werkelijk ver afgedwaald (van het rechte pad).” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 116.]

[(#4) Zie het artikel De boetedoening voor zonden is berouw (tawbah).]

Dus voor elke zonde die een persoon kan begaan, (elke zonde die niet het niveau bereikt van) het toekennen van deelgenoten aan Allah (oftewel shirk) en ongeloof (oftewel koefr), (voor deze) persoon is er hoop dat Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) die zonde zal vergeven en hem het Paradijs binnen zal laten gaan. [Zie het artikel Zonden heroverwegen: zijn kleine zonden echt klein?] Dit zolang hij (dus) vrij is van de smet van shirk. Iemand die echter overlijdt op shirk, ook al beweert hij moslim te zijn, zijn bestemming is voorzeker het Hellevuur, moge Allah ons hiervan redden.

Het is daarom essentieel dat we ons bewust zijn van deze enorme belangrijke kwestie, zodat we de mensen uitnodigen naar tawh’ied en hen waarschuwen voor het associëren van anderen in aanbidding met Allah (shirk), en dat we dit boven aan de lijst plaatsen van (de zaken) waartoe we oproepen.

Toen de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) Moe’aadz (moge Allah tevreden over hem zijn) naar Jemen zond om de mensen daar tot Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) uit te nodigen, onderwees hij hem hoe hij zijn oproep moest beginnen. Hij onderwees hem om te beginnen met hetgeen het meest belangrijk was en het op te volgen met hetgeen daarna komt qua belangrijkheid. Ibn ‘Abbaas (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde: “Toen de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) Moe’aadz naar Jemen zond, zei hij tegen hem (Nederlandstalige interpretatie): ‘Jij gaat naar een volk van de Mensen van het Boek (joden en christenen), dus laat de getuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah de eerste kwestie zijn waartoe jij hen oproept. Als zij jou daarin gehoorzamen, breng hen dan op de hoogte dat Allah hen vijf gebeden elke dag en nacht opgelegd heeft. Als zij jou daarin gehoorzamen, breng hen dan op de hoogte dat Allah hen een liefdadigheid opgelegd heeft (az-zakaah) wat genomen dient te worden van hun rijken en gegeven (dient te worden) aan hun armen. Als zij jou daarin gehoorzamen, pas dan op voor het nemen van het beste deel van hun bezittingen, en pas op voor de smeekbeden van de onderdrukten, aangezien er geen afscherming is tussen het en Allah (d.w.z. de smeekbede van iemand die onderdrukt wordt, wordt verhoord).’” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

Aldus is het bewijs hiervoor (gevonden) in de h’adieth, (namelijk) dat hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hem onderwees hoe hij da’wah (uitnodigen tot de Islaam) moest verrichten en dat hij moest beginnen met het oproepen tot tawh’ied vóór iets anders. Als zij de tawh’ied accepteerden, dan diende hij hen op te roepen tot de andere voorgeschreven daden, beginnend met het gebed (as-salaah) wat de belangrijkste is van alle daden van aanbidding. Elke uitnodiger tot Allah dient de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dus als zijn voorbeeld te nemen.

 


De uitmuntende eigenschappen van de Geredde Groep

O broeders, wanneer dit bekend is, wees je dan ook bewust dat er een aantal vernietigende oproepen bestaan die zijn gevestigd onder de gelederen van de moslims en die de geloofsovertuigingen in hun harten hebben doen schudden en beschadigd. Zij hebben de pure islamitische ‘aqiedah (geloofsleer) vervuild en zijn stap voor stap gegroeid om een dermate gevaarlijk niveau te bereiken (waarbij het zelfs) geleid heeft tot het verdelen van de moslims in sekten en groepen, waarover de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie):

“Voorwaar, degenen die er vóór jou waren, van de Mensen van het Boek (joden en christenen), splitsten zich in 72 sekten, en deze religie zal zich splitsen in 73; 72 ervan zijn in het Vuur en één in het Paradijs, en dat is de djamaa’ah (#5).” [Overgeleverd door Ah’mad en Aboe Daawoed, en als h’asan (goed) verklaard door al-Haafidhz (Ibn H’adjar).]

[(#5) Zie de uitgebreide verhandeling Samenvatting van de fundamentele principes van de mensen van de Soennah en de Djamaa’ah aangaande de geloofsleer. Zie ook onze rubriek Sekten in de islam voor informatie over de uitmuntende eigenschappen van de Geredde Groep en informatie over diverse sekten.]

Er bestaat geen twijfel (over het feit) dat elk van deze sekten over zichzelf beweert dat zij de geredde groep zijn, dat zij correct zijn en dat alleen zij de boodschapper (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) volgen. Maar de weg van de waarheid is slechts één enkele weg, en het is de weg die leidt naar verlossing, en elke andere weg is één van de wegen van misleiding die leidt naar vernietiging, zoals voorkomt in de h’adieth (overlevering) van Ibn Mas’oed (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei: “De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) trok een lijn met zijn hand (in het zand) en zei (Nederlandstalige interpretatie):

‘Dit is het rechte pad van Allah.’ Vervolgens trok hij lijnen naar de rechterkant en de linkerkant en zei: ‘Dit zijn de (andere) paden, er is geen enkel pad van hen of er bevindt zich een duivel op die ernaar uitnodigt.’ Vervolgens reciteerde hij (Nederlandstalige interpretatie): ‘En waarlijk, dit is mijn pad dat recht is, dus volg het en volg geen andere paden, waardoor jullie van Zijn pad afgesplitst zullen worden…’ [soerat al-An’aam (6), aayah 153].” [Sah’ieh’ (authentiek): overgeleverd door Ah’mad en an-Nasaa-ie.]

[Zie de artikelen Het volgen van Allahs boodschapper ﷺ is een verplichting en De vallen van Iblies (satan).]

Dus de weg van de waarheid is het vasthouden aan het Boek van Allah Ta’aalaa en de Soennah van Allahs boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), zoals voorkomt in de h’adieth (Nederlandstalige interpretatie):

“Ik heb twee dingen onder jullie achtergelaten waarmee jullie niet zullen afdwalen: het Boek van Allah en mijn Soennah, en zij zullen niet gescheiden worden totdat zij tot mij komen bij al-H’awdh (de bron van de profeet in het Hiernamaals).” (Sah’ieh’: overgeleverd door al-Haakim.)

De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gaf ons ook het goede nieuws dat een groep van zijn oemmah (gemeenschap) op de waarheid zal blijven tot aan de Dag der Opstanding. Djaabir ibn ‘Abdoellaah verhaalde dat hij de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft horen zeggen (Nederlandstalige interpretatie): “Een groep van mijn oemmah zal zegevierend blijven strijden op de waarheid tot aan de Dag der Opstanding.’” (Overgeleverd door Moeslim.)

Mijn broeder, dit is een introductie voor het onderwerp dat ik zal behandelen en dat is: de realiteit van soefisme in het licht van de Qor-aan en Soennah. Dit is omdat soefisme de levens van vele moslims enorm heeft beïnvloed vanaf de derde eeuw na de hidjrah tot aan de tegenwoordige tijd, en het heeft zijn toppunt bereikt in de laatste eeuwen. Het heeft de geloofsovertuigingen van vele moslims enorm beïnvloed en heeft ze afgeleid van de correcte koers welke bepaald is door de Nobele Koran (Qor-aan) en de pure Soennah. Dit is het meest gevaarlijke aspect van het soefisme, omdat de soefi-denkwijze verenigd is geraakt met de aanbidding van de vrome mensen en shoeyoekh (sheikhs), en overdrijving betreffende de aanbidding/verering van de doden, net zoals het verenigd is geraakt met het zeggen dat alles wat bestaat in werkelijkheid Allah is (wah’datoe l-woedjoed) (zie de verhandeling Waar is Allah?), om maar te zwijgen over de andere aspecten van de Islaam die door het soefisme zijn aangetast. Dit, aangezien de volgelingen ervan (van het soefisme) gekenmerkt worden door het vertrouwen op anderen, terwijl zij valselijk beweren te vertrouwen op Allah, alsook hun monnikenleven. Evenzo hebben zij de zin van djihaad (jihad) – wat (in werkelijkheid) het vechten op de weg van Allah is – vervangen door hetgeen waarvan zij beweren dat het de grotere djihaad is, namelijk het inspannen tegen je eigen ziel (djihaadoe n-nefs). Zij baseren dit op de uitspraak: “We zijn teruggekeerd van de kleinere djihaad naar de grotere djihaad: het inspannen tegen je eigen ziel,” terwijl dit een zwakke h’adieth is. (#6) Tevens heeft deze denkwijze in de voorgaande twee eeuwen de mogelijkheid verschaft aan koloniale machten om grote delen van moslimlanden te bezetten: en soefisme hield niet op met het opslaan van zijn tenten in alle gebieden van de landen van de moslims (oftewel, het bleef zich verspreiden).

[(#6) Noot van de vertaler: in het artikel Jihad in de islam – waarin ook aangegeven wordt dat de h’adieth hierboven niet sah’ieh’ (authentiek) is – staat onder andere: “Ongetwijfeld komt de djihaad tegen het ego (djihaadoe n-nefs) voor de djihaad tegen de koeffaar (ongelovigen), want men kan zich pas inspannen tegen de koeffaar nadat men zich tegen het eigen ego ingespannen heeft, omdat vechten iets is waar het ego niet van houdt. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): ‘De strijd is jullie voorgeschreven, terwijl jullie er een afkeer van hebben. En het kan zijn dat jullie een afkeer hebben van iets, terwijl het goed is voor jullie; en het kan zijn dat jullie van iets houden, terwijl het slecht is voor jullie. En Allah weet (wat nu of uiteindelijk goed/slecht is voor jullie), terwijl jullie niet weten.’ [Soerat al-Baqarah (2), aayah 216.] Het punt is dat djihaad tegen de vijand niet kan plaatsvinden totdat men hiernaar streeft en zichzelf dwingt om dit te doen, totdat men zich hieraan overgeeft en het accepteert.” (Einde citaat, Fataawa Manaar al-Islaam van sheikh Ibn ‘Oethaymien, 2/421.)]

(Lees verder onder de afbeelding. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 


De definitie van soefisme

Waarom heeft het deze naam? Het woord soefisme (الصوفيةas-soefiyyah) is genomen van het Griekse woord sophia, dat wijsheid betekent. Er wordt ook gezegd dat het een woord is dat verwijst naar het dragen van kleding van wol (soefالصوف), en dit is het meest aannemelijk omdat het dragen van wollen kleding een teken was van zoehd (ascese, soberheid, afstand nemen van het wereldse leven). Er is gezegd dat dit gedaan werd om op ‘Iesaa ibn Maryam (Jezus zoon van Maria – vrede zij met hem) te lijken. Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (rah’imahoellaah – moge Allah hem genadig zijn) vermeldde in al-Fataawaa (11/7) van Moh’ammed ibn Sierien dat hem te oren is gekomen dat bepaalde mensen begonnen waren met het dragen van wollen kleding om te lijken op ‘Iesaa ibn Maryam (vrede zij met hem), dus zei hij:

“Er zijn mensen die hebben gekozen en de voorkeur hebben gegeven om wollen kleding te dragen, bewerend dat zij willen lijken op al-Masieh’ (de Messias) ibn Maryam. Maar de manier van onze profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) is meer geliefd bij ons, en de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) droeg katoenen kleding en andere kledingstukken.”

 


De eerste verschijning van soefisme

Met betrekking tot de eerste verschijning van soefisme kan gezegd worden dat het woord ‘soefisme’ niet bekend was in de tijd van de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn), noch was het bekend in de eerste en beste drie eeuwen (die van de selef as-saalih’ – de vrome voorgangers). Het werd pas bekend na de eerste drie eeuwen.

Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (rah’imahoellaah) vermeldde dat de eerste verschijning van soefisme in (de stad) Basrah in Irak was, waar sommige mensen naar het extreme gingen betreffende aanbidding en het mijden van het wereldse leven, wat nog niet eerder in andere landen was gezien. [Al-Fataawaa (11/6).]

 


Hoe soefisme begon

Toen soefisme voor het eerst begon, was het niet iets dat volledig apart en afzonderlijk was, maar het was louter het gaan naar het extreme in het mijden van het wereldse leven en het volharden in dzikr (het gedenken van Allah Ta’aalaa) en het ervaren van zulke enorme angst tijdens het gedenken van Allah Ta’aalaa dat het soms leidde tot het bewusteloos vallen van een persoon wanneer hij een aayah hoorde die een bedreiging van bestraffing noemt. Dit wordt onder andere gezien in het verhaal van Zoeraarah ibn Awfaa, de rechter van Basrah, die tijdens het fadjr-gebed “wanneer op de bazuin geblazen wordt” [Nederlandstalige interpretatie van soerat al-Moeddathir (74), aayah 8] reciteerde en dood neerviel. Evenzo het verhaal van Aboe Djahr, de blinde man, toen Saalih’ al-Moerrie voor hem reciteerde en hij dood neerviel. Anderen van hen waren met stomheid geslagen wanneer zij hoorden dat de Qor-aan gereciteerd werd. Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah zei, commentaar gevend hierop:

“Dit werd niet gezien onder de metgezellen. Dus toen een groep van de metgezellen en de taabi’ien (volgelingen), zoals Asmaa-e bint Abie Bakr en ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr en Moh’ammed ibn Sierien, dit te horen kregen, bekritiseerden zij dit omdat zij zagen dat dit een innovatie (bid’ah) is en strijdig met wat zij wisten van de manieren van de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn).” [Al-Fataawaa (11/6).]

Ook zegt Ibnoe l-Djawzie in Talbies Iblies:

“Soefisme is een weg waarvan het begin volledige mijding van de aangelegenheden van het wereldse leven inhield. Vervolgens werden degenen die zich hieraan vasthielden nalatig betreffende het toestaan van zingen en dansen. Daarom voelden de zoekers naar het Hiernamaals onder het gewone volk zich tot hen aangetrokken vanwege het mijden van het wereldse leven wat zij vertoonden, en de zoekers naar deze wereld voelden zich ook tot hen aangetrokken vanwege het leven van gemak en lichtzinnigheid dat zij ogenschijnlijk leden.

Sheikh Aboe Zahrah (rah’imahoellaah) zei, betreffende de reden voor het verschijnen van soefisme en de bronnen waaruit het voortkwam:

1.) De eerste bron: enkele gelovigen onder de moslims richtten al hun aandacht op het mijden van het wereldse leven en het afzonderen om te aanbidden. Dit begon als eerste tijdens het leven van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), toen sommige metgezellen besloten om de nacht biddend door te brengen en om niet te slapen. Anderen besloten om stellig elke dag te vasten. Anderen besloten te stoppen met het hebben van echtelijke relaties met vrouwen. Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dit te horen kreeg, zei hij (Nederlandstalige interpretatie):

“Wat is er mis met mensen die dit-en-dat zeggen. Ik vast en ik stop met vasten, ik bid en ik slaap, en ik huw vrouwen. Dus eenieder die zich afkeert van mijn Soennah, hij behoort niet tot mij.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

Daarnaast is de innovatie om te leven als monniken (het kloosterleven) verboden in de Qor-aan. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“…En het monnikschap hebben zij zelf bedacht…” [Soerat al-H’adied (57), aayah 27.]

Maar toen de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) overleed om zich te voegen in het gezelschap van de hoogste engelen, en vele mensen van de vorige religies de Islaam aanvaardden, toen groeide het aantal van degenen die naar het extreme gingen met betrekking tot het mijden van het wereldse leven en zijn zegeningen, en soefisme nestelde zich in de harten van deze mensen aangezien het een vruchtbare grond aantrof.

2.) De tweede kwestie die de zielen van mensen aantrok was iets dat onder de moslims verscheen in de vorm van twee ideologieën. Een van hen was filosofisch en de andere kwam van de vorige religies. Met betrekking tot de eerste, dit was de opvatting van de verlichtende denkwijze van filosofen die menen dat kennis en bewustzijn in de ziel teweeggebracht wordt door spirituele oefeningen en reiniging van de ziel. Met betrekking tot de tweede ideologie, dat was het geloof dat de Godheid in de menselijke zielen verblijft, of dat de Godheid geïncarneerd is in de mensheid. Dit idee begon in de vroegere tijden een plaats te krijgen onder die sekten die zichzelf incorrect tot de Islaam toeschreven, toen de moslims gemengd werden met de christenen. Dit idee verscheen onder de Sabiërs of Vromen (Sabi’ien/Sabi’oen) en enkele van de Kaysaamiyyah, vervolgens de Qaraamiyyah, daarna onder de Baatiniyyah, en het verscheen in zijn uiteindelijke vorm onder enkele van de soefi’s…

3.) Er is een andere bron waarvan het nam en wat de uitingen van soefi-neigingen veroorzaakte: namelijk het idee dat de teksten van het Boek en de Soennah een uitwendige en duidelijke betekenis hebben alsook een inwendige en verborgen betekenis… het lijkt duidelijk dat zij dit idee namen van de Baatinies.” (Uit het boek Ibn Taymiyyah van Aboe Zahrah, p. 197-198.)

Dus al deze ideeën raakten gemengd, van het overdrijven in het mijden van het wereldse leven tot het openen van de deur naar ideeën dat de Godheid in de schepping geïncarneerd is, tot het idee dat de hele schepping één enkele realiteit is, wat Allah is (wah’datoe l-woedjoed). Soefisme ontstond door het mengen van al deze denkwijzen, wat binnen de Islaam leek. Het werd ernstiger in de vierde en vijfde eeuw (na de hidjrah) en bereikte daarna zijn hoogtepunt, zo ver als mogelijk verwijderd van de leiding van de Nobele Qor-aan en de pure Soennah. Het bereikte het punt dat de volgelingen van soefisme iedereen die de Qor-aan en de Soennah volgden “mensen van de sharie’ah” en “mensen van wat duidelijk is” (ahloe d-dzaahir) noemden, terwijl zij zichzelf “mensen van verborgen kennis” (ahloe l-baatin) noemden.

 


Filosofische scholen (denkwijze) onder de soefi’s

Het is mogelijk om de ideologieën van de extreme soefi’s in drie categorieën te verdelen.

1.) De eerste categorie: volgelingen van de verlichtende denkwijze van filosofie. Zij zijn degenen die de filosofische ideeën grotere waarde toekennen dan het mijden van het wereldse leven. Wat bedoeld wordt met ‘verlichtende’ is dat de ziel verlicht wordt door licht dat zich verspreid in het hart en het resultaat is van spirituele oefeningen, trainen van de ziel en het bestraffen van het lichaam om de geest te verbeteren en te reinigen. Dit is iets wat een eigenschap van alle soefi’s kan zijn, behalve dat de mensen van deze categorie de grens hier trekken en niet terechtkomen in dat waar degenen die beweren dat Allah in Zijn schepping verblijft, of dat alles Allah is, in verzeild raken. Maar deze weg van hen is strijdig met de leringen van de Islaam en is genomen van de afgeweken religies zoals Boeddhisme en soortgelijke. (Zie het artikel Waar is Allah?)

2.) De tweede ideologie is die van degenen die geloven in h’oeloel, degenen die zeggen dat Allah Ta’aalaa in de mensen verblijft en in hen is geïncarneerd – Verheven is Allah boven wat ze Hem toeschrijven. Hier werd openlijk toe opgeroepen door sommige van de extreme soefi’s, zoals al-H’oesayn ibn Mansoer al-Hallaadj, die door de geleerden als ongelovige verklaard is. Zij droegen op dat hij geëxecuteerd moest worden en hij werd gekruisigd in het jaar 309 H. (circa 920 n.C.). De volgende uitspraak wordt aan hem toegeschreven:

“Eer aan Hem Die Zijn menselijke aard zichtbaar gemaakt heeft, de doordringende helderheid van zijn goddelijkheid verbergend: totdat Zijn schepping Hem openlijk zag, in de vorm van iemand die at en dronk.” (Toegeschreven door al-Wakiel aan het boek at-Tawaasien van al-Hallaadj, p. 130.)

En zijn uitspraak:

“Ik ben degene die lief heeft en Degene waarvan gehouden wordt ben ik, Wij zijn twee geesten die in één enkel lichaam verblijven. Dus wanneer jullie mij zien, dan zien jullie Hem, en wanneer jullie Hem zien dan zien jullie ons beide.”

Aldus geloofde al-Hallaadj in h’oeloel en hij geloofde in de tweeledigheid van de goddelijke aard en dat de Godheid zowel een goddelijke als een menselijke aard had. Aldus wordt het goddelijke geïncarneerd in de mens, zodat de menselijke geest de goddelijke aard van de Godheid is en het lichaam is de menselijke vorm.

Ondanks het feit dat hij gedood werd voor zijn kwaadaardige afvalligheid en hoewel sommige van de soefi’s afstand van hem namen, zien anderen hem als een soefi, beschouwen zijn geloofsovertuigingen als correct en schrijven zijn woorden op. Tot hen behoort ‘Abdoel-‘Abbaas ibn ‘Ataa al-Baghdaadie, Moh’ammed ibn Khalief as-Shieraazie en Ibraahiem an-Nasraabaadhie, zoals overgeleverd is door al-Khatieb al-Baghdaadie.

3.) De derde ideologie is die van wah’datoe l-woedjoed, oftewel dat alles wat bestaat één enkele werkelijkheid is en dat alles wat we zien slechts aspecten zijn van het Wezen (de Geest) van Allah. De belangrijkste verkondiger van deze geloofsovertuiging was Ibn ‘Arabie al-Haatimie at-Taa-ie, die in Damascus begraven werd nadat hij in het jaar 638 H. (circa 1240 n.C.) overleed. Hij zelf zei in zijn boek al-Fatoehaatoe l-Makkiyyah over deze geloofsovertuiging:

“De dienaar is de Heer en de Heer is de dienaar. Ik wens dat ik wist wie degene is die de vereiste taken dient uit te voeren. Als ik zeg dat het een Heer is, dan is dat de dienaar. Als ik zeg dat het een dienaar is, dan is hij een Heer. En indien ik zeg dat het een Heer is, hoe kan hij dan de vereiste taken uitvoeren.” (Al-Fatoehaatoe l-Makkiyyah, zoals dat is toeschreven door Dr. Taqiyoeddien al-Hilaalie in zijn boek al-Hadiyaatoe l-Haadiyah, p. 43.)

Hij zegt ook in al-Fatoehaat:

“Degenen die het kalf aanbaden, aanbaden niets behalve Allah.” [Geciteerd als de uitspraak van Ibn ‘Arabie door Ibn Taymiyyah in al-Fataawaa (vol. 11) die het toeschrijft aan het boek al-Fatoehaat.]

Ibn ‘Arabie wordt door de soefi’s al-‘aarif billaah (degene met grote kennis over Allah) genoemd, en ook al-qoetoeboe l-akbar (de grote spil: oftewel centrale figuur), al-miskoe l-adhfar (de zoetst ruikende muskus), al-kibrietoe l-ah’mar (de meest rode zwavel), ondanks zijn geloof in wah’datoe l-woedjoed en andere rampzalige uitspraken. Hij prees waarlijk Fir’awn (de Egyptische farao) en verklaarde dat hij overleed op imaan (geloof)! Daarnaast sprak hij tegen Haaroen (Aäron, de broer van Mozes – vrede zij met hen beide) vanwege zijn kritiek dat zijn mensen het kalf aanbaden, waardoor hij de tekst van de Qor-aan direct tegenspreekt. Hij meende ook dat christenen alleen ongelovigen waren vanwege het feit dat zij goddelijkheid alleen aan ‘Iesaa (Jezus – vrede zij met hem) toeschreven, terwijl als zij het algemeen hadden gemaakt, dan zouden zij geen ongelovigen geweest zijn.

[Noot: ondanks alle afschuwelijke afwijkingen van Ibn ‘Arabie en het feit dat de ‘oelamaa-e (geleerden) hem een ongelovige hebben verklaard, wordt hij zeer gerespecteerd door de soefi’s en anderen die geen onderscheid maken tussen de waarheid en valsheid, en degenen die zich afkeren van het accepteren van de waarheid, zelfs al is het zo duidelijk als de zon (op een heldere zomerdag). Maar zijn boeken, die gevuld zijn met duidelijke afvalligheid, zoals al-Fatoehaatoe l-Makkiyyah en Foesoesoe l-Hikam, zijn nog steeds in omloop. Hij heeft zelfs een tefsier (#7) die hij at-Tefsieroe l-Baatin noemde, aangezien hij meent dat er voor elke aayah (vers) een duidelijke en een verborgen betekenis is, aldus is de uiterlijke betekenis voor de mensen van ta-wiel (realiteit, interpretatie).]

[(#7) Noot van de vertaler: zijn vorm van “tefsier” wordt tefsier al-ishaarie genoemd, een vorm van tefsier waarbij aangenomen wordt dat elk vers in de Qor-aan een bepaalde verborgen betekenis heeft, en deze betekenis kan niet begrepen worden behalve door enkele uitverkoren mensen. Deze soort van tefsier was gangbaar onder de soefies. Het is overbodig om te zeggen dat zulke tefasier bekend waren wegens de extreem fantasierijke interpretaties, waarvan de meerderheid geen basis had in enig vers! Het is om deze reden dat vele geleerden zeiden: “Deze vorm van tefsier wordt niet beschouwd als tefsier!” (Az-Zarkashie, v. 2, p. 170.) Genomen uit het boek Een Introductie tot de Wetenschappen Betreffende de Qor-aan, van Abu Ammaar Yasir Qadhi, hoofdstuk 15: “De interpretatie van de Qor-aan”, paragraaf: “VI. De soorten tefsier – E. Tefsier gebaseerd op verborgen betekenissen”, vertaald door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah, uitgegeven door Uitgeverij Momtazah. Dit waardevolle boek zal binnenkort gedrukt worden, in shaa-a Allaah. Zie onze webshop of het boek inmiddels al verkrijgbaar is.]

Van deze groep kwam Ibn Bashiesh, die zei: “O Allah! Red mij van het moeras van tawh’ied, en laat mij verdrinken in het midden van de zee van eenheid, en meng mij in de toestand van harmonie en eenheid totdat ik niet spreek, noch hoor, noch waarneem behalve hierdoor.”

 


Verering van de sheikhs onder de soefi’s

Dus, o beste broeders, dit zijn de filosofische denkwijzen van soefisme. De minst erge van hen is die van het monnikendom (rahbaaniyyah) wat verboden is in de Islaam, en het meest afschuwelijke is het zeggen dat Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) verblijft en geïncarneerd is in Zijn schepping (h’oeloel) en het zeggen dat alles wat bestaat in werkelijkheid Allah is (wah’datoe l-woedjoed). Vervolgens is het een feit dat alle sekten van de soefi’s de grenzen hebben overschreden betreffende het vereren van hun sheikhs en betreffende het volledig onderwerpen van de volgeling (moeried) tegenover zijn leraar (sheikh); dermate dat de volgeling volledige en onbeperkte gehoorzaamheid geeft aan zijn sheikh, niet de minste weerstand tonend, zodat hij wordt als een dood lichaam onder de hand van de persoon die het wast.

[Noot van de vertaler: een bekeerde zuster schreef in haar bekeringsverhaal het volgende over hoe zij in haar beginperiode in de Islaam in aanraking kwam met soefisme, waarna ze berouw heeft getoond en de correcte Islaam is gaan volgen, al-h’amdoelillaah: “Ook had ik steeds meer moeite met ‘onze sheikh’. Want hoewel ik veel goede dingen van hem had geleerd, kon mijn verstand en hart het niet meer aan om (volgens hun begrippen) ‘goedgelovig’ te zijn. Ik wilde en kon hem niet aanbidden zoals iedereen in de groep dit deed. Deze soefigroep waar ik bij zat, deed dzikhr met mannen en vrouwen samen, licht uit en in trance raken om zo dicht bij Allah te komen. Vanwege vorderingen met de dzhikr, zoals zij toen zeiden, gingen sommige zelfs draaien en ook vrouwen deden dit in bijzijn van mannen. Dit terwijl de profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) dit nooit zo gedaan heeft! Wisten zij het dan beter dan de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem)!? “…Vandaag heb Ik jullie religie vervolmaakt voor jullie, Mijn gunsten voor jullie volledig gemaakt…” [Nederlandstalige interpretatie van soerat al-Maa-idah (5), aayah 3.] De voeten van de sheikh kussen was erg aanbevolen voor mannen en vrouwen, als je je trots kon inslikken (je nefs onderdrukken), en zijn hand kussen werd ook gedaan door mannen en vrouwen (#8). Ik had niet genoeg kennis, maar het voelde niet goed en weer had ik het gevoel dat ik mijn natuurlijke instincten (fitrah) aan het onderdrukken was. Hij was verantwoordelijk voor ons, zei iedereen, en dus was voor alles wat je besloot te doen zijn toestemming nodig.” (Einde citaat.)

[(#8) Noot van de vertaler: dit terwijl de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Als één van jullie met een ijzeren naald in het hoofd zou worden gestoken, zou dat beter voor hem zijn dan het aanraken van een vrouw die voor hem geen mah’ram is.” (Overgeleverd door at-Tabaraanie, 20/212; zie ook Sah’ieh’ al-Djaamie’, 4921.) Zie het artikel De handdruk. (Einde noot).]

Moh’ammed ‘Oethmaan as-Soefie, de auteur van al-Habaatoe l-Moeqtabisah, zegt terwijl hij de manieren passend voor de volgeling bespreekt:

“Tot hen behoort dat hij in zijn aanwezigheid zit zoals hij zit in het gebed, en dat hij volledig in zichzelf opgaat in zijn aanwezigheid, en dat hij niet boven zijn mat zit, noch woedhoe-e verricht met zijn pot, noch leunt op zijn stok. Luister naar wat iemand van de pure mensen zei: ‘Eenieder die tegen zijn leraar ‘waarom?’ zegt, zal nooit succes hebben.’”

Moestafa al-Bakrie schreef deze manieren in poëtische vorm in Boelghatoe l-Moeried, zeggende:

“Leg de kwestie aan hem voor en betwijfel niet. Zelfs niet als hij met iets zondigs komt als dat mogelijk is. Wees in zijn aanwezigheid als een dode persoon, aangezien ik bij iemand ben die mij wast om het vuil van mij te verwijderen. Stap niet op zijn mat, noch slaap op zijn kussen.” (Toegeschreven door al-Wakiel aan Boelghatoe l-Moeried.)

De soefi’s maken het voor de volgeling verplicht om qua geest en lichaam een slaaf te zijn tegenover zijn sheikh, ontnomen van alle wil als een overleden persoon bij degene die hem wast. Ook al ziet hij hem een zonde begaan of iets in tegenspraak met de sharie’ah, dan nog is het niet toegestaan voor hem om te vragen naar de reden daarvoor. Als hij dat zou doen, dan zal hem de genade van zijn sheikh geweigerd worden en zal hij nooit succes hebben. Dit is een van de redenen voor de extreme afwijking van de soefi’s. Zij hebben een einde gemaakt aan het verbieden van het kwaad zodat slechte daden goed voor hen geworden zijn, zelfs rechtschapen daden geworden zijn en wonderbaarlijke daden in hun ogen. Maar in de correcte leerstellingen van de Islaam is het niet toegestaan om iemand te gehoorzamen in iets zondigs, zoals de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie):

“Er is geen gehoorzaamheid tegenover de schepping in ongehoorzaamheid tegenover de Schepper.” (Sah’ieh’, overgeleverd door Ah’mad. Zie Sah’ieh’oe l-Djaami’.)

Zelfs met betrekking tot de ouders, die een groter recht hebben dan alle andere mensen, toch is het niet toegestaan om hen te gehoorzamen in ongehoorzaamheid tegenover Allah Ta’aalaa, zoals Allah zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En als zij ernaar streven om jou deelgenoten toe te laten kennen aan Mij, waarover jij geen kennis hebt, gehoorzaam hen dan niet, en vergezel hen beiden met goedheid in deze wereld…” [Soerat Loeqmaan (31), aayah 15.]

 


Het verschil tussen zoehd (ascetisme) en soefisme

Broeders en zusters, de religie van Islaam schrijft correct gebalanceerd en gematigd gedrag voor in alle aangelegenheden. Men dient dus niet naar het extreme te gaan noch dient men tekort te schieten in hetgeen vereist wordt. Ditzelfde geldt voor het mijden van het wereldse leven, waar de Islaam ook een middenweg neemt tussen de hebzucht, gierigheid en extreme liefde voor dit wereldse leven van de joden (en materialisten) enerzijds, en de monniken onder de christenen die volledig afstand nemen van het zoeken naar de correcte middelen van bestaan en het nalaten om te werken en de kost te verdienen anderzijds.

Als het mijden van het volledig in beslag genomen zijn met dit leven gedaan wordt binnen de grenzen, zoals zijn voorgeschreven door de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem), dan is dit iets prijzenswaardigs in de Islaam, omdat de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) de eerste en meest toonaangevende persoon was die zich afzijdig hield van het volledig in beslag genomen zijn door dit leven, en ook Aboe Bakr en ‘Oemar en vele andere metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn). Maar hun afzien van het volledig in beslag genomen zijn door dit leven bracht geen verlating van de kost verdienen en het verblijven in een kluizenaarshut met zich mee, afwachtend wat mensen wel of niet naar hen toe zouden brengen. In plaats daarvan kwam de wereld naar hen toe en gaven zij dit uit in liefdadigheid. Noch namen zij afstand van goede en reine dingen, tenzij deze moeilijk te verkrijgen waren. Maar wanneer zij deze dingen vonden, dan haalden zij hun voordeel hieruit. Waarlijk, de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hield van vrouwen en parfum en hij at vlees. Soms vastte hij en soms vastte hij niet. Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) bad een deel van de nacht maar sliep ook. Hij werkte, vocht, oordeelde tussen de moslims en onderwees hen de Qor-aan en wat goed is.

Vervolgens bevonden zich er onder de geleerden enkelen die zich afzijdig hielden van het bezig zijn met wereldse aangelegenheden op de manier zoals dat door de boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) verricht was. Maar dit afzijdig houden van wereldse aangelegenheden zoals dat door de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gepraktiseerd werd, is niet iets dat verplicht is voor de moslims, aangezien het niet bevolen is in de Qor-aan noch in de Soennah. Bovendien waren er onder de metgezellen enkelen die zich bezighielden met handel en het verwerven van grote rijkdommen. Onder hen waren ‘Oethmaan ibn ‘Affaan, ‘Abdoer-Rah’maan ibn ‘Awf en az-Zoebayr ibn al-‘Awaam (moge Allah tevreden over hen zijn). Ook de ansaar waren in het bezit van twee grote tuinen waarin zij werkten, en de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) belette hen hier niet van. Integendeel, we vinden in de h’adieth (Nederlandstalige interpretatie): “Hoe voortreffelijk is eerlijke rijkdom voor een rechtschapen persoon.” [Sah’ieh’ (authentiek), overgeleverd door Ah’mad.] Hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) maakte een smeekbede voor zijn dienaar Anas ibn Maalik (moge Allah tevreden over hem zijn) en eindigde zijn smeekbede door te zeggen (Nederlandstalige interpretatie): “O Allah, schenk hem een toename in bezittingen en kinderen en zegen hem daarin.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie.)

[Noot van de vertaler: de Islam (al-Islaam) moedigt mensen aan om te werken. Al-Miqdaam (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Niemand eet ooit beter voedsel dan dat wat hij met zijn eigen handen verdiend heeft. De profeet van Allah Daawoed (David – vrede zij met hem) at dat wat hij met zijn eigen handen verdiende.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, 1966). Al-Zoebayr ibn al-‘Awwaam (moge Allah tevreden over hem zijn) verhaalde dat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) gezegd heeft (Nederlandstalige interpretatie): “Als iemand van jullie een touw zou nemen en brandhout zou brengen op zijn rug en het verkopen, aldus zijn waardigheid beschermend, dat is beter voor hem dan het vragen aan mensen die mogelijkerwijs geven aan hem of niet geven aan hem.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie, 1402.) Zie het artikel Verboden zakelijke transacties.]

Wat betreft de zoehd (soberheid, het afstand nemen van het wereldse leven) van de soefi’s, dit is de verlating van toegestane verdiensten en nuttige werken en het zitten in afzondering, wachtend op hetgeen door de mensen naar hen toe wordt gebracht. Het is bedelen, vragen om liefdadigheid, en het regelmatig bezoeken van leiders en handelaren om hen geld afhandig te maken en om hen te prijzen en vleien om de kruimels van hun tafels te verkrijgen. Het is het valselijk vertonen van armoedigheid in hun kleding, dus dragen zij oude en versleten kleren om te laten zien dat zij zich onthouden van het wereldse leven en dat zij vrome en rechtschapen mensen zijn die bij Allah Ta’aalaa geliefd zijn. Sommige van hen kunnen oprecht zijn in hun uithoudingsvermogen wat betreft de ontbering die zij zichzelf opleggen, vele dagen zonder te eten overlevend, of alleen droog brood met zout etend, terwijl zij in staat zijn goed en lekker eten te nuttigen. Dit is echter in tegenstrijd met de Soennah van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), die zei (Nederlandstalige interpretatie):

“Eenieder die zich afkeert van mijn Soennah behoort niet tot mij.” (Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

Waarlijk, de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) at vlees en hij hield ervan om het vlees van het schouderblad van schapen te eten. Dit terwijl sommige soefi’s naar zulke extremen gaan door ervoor te kiezen om te eten wat schadelijk voor hen is. Sommigen van hen eten aarde en zand en kiezen ervoor om troebel water te drinken. Zij mijden zuiver en koel water, omdat zij [volgens hun overtuiging] niet in staat zouden zijn om de gepaste dankbaarheid te tonen. Dit is in feite een nietig excuus, want tonen zij, door het mijden van koel water dan wel de gepaste dankbaarheid tegenover Allah Ta’aalaa voor de rest van Zijn zegeningen op hen, zoals (de zegeningen van) het zien, horen, goede gezondheid enzovoort?

Integendeel, iemand die dit doet is zondig omdat hij schade aan zijn lichaam zal veroorzaken door hetgeen hij doet, en dit kan leiden tot zijn vernietiging. Allah de Meest Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“…En dood jullie zelf niet. Waarlijk, Allah is Barmhartig met jullie.” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 29.]

[Zie het artikel Te veel eten, schadelijk eten en eten weggooien.]

En Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“…Allah wil het gemakkelijke voor jullie en Hij wil niet het moeilijke voor jullie…” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 185.]

Ook is het toegestaan gemaakt voor een moslim om niet te vasten in Ramadhaan wanneer hij een reiziger is of als hij ziek is, dit als een genade voor ons, dus alle lof en dank is voor Allah, voor Zijn gunsten.

Dit uithoudingsvermogen betreffende de ontbering die zij zichzelf oplegden (in zijn algemeenheid) werd gevonden onder de eerste soefi’s, maar met betrekking tot de latere soefi’s had dit enkel betrekking op het eten en drinken. Ibnoe l-Djawzie zei in Talbies Iblies, na het bekritiseren van de soefi’s voor hun oplegging van ontbering op zichzelf en dat zij de grenzen overschrijden in soberheid tot op het punt van zelfmarteling:

“Aldus is deze onthouding, wat de grenzen overschrijdt en wat verboden is voor ons, veranderd door de soefi’s van onze tijd, d.w.z. de zesde eeuw, zodat zij zo verlangend naar voedsel zijn geworden als hun voorgangers naar honger. En zij (de soefi’s in de zesde eeuw) genieten van ochtendmaaltijden, avondmaaltijden en zoete lekkernijen, die zij allemaal, of de meeste ervan, verkrijgen door middel van onzuivere bezittingen. Zij hebben wettige verdiensten verlaten, zich afgekeerd van aanbidding en tapijten uitgespreid waarop zij lui liggen. De meeste van hen hebben geen verlangen behalve naar voedsel, dranken en onnozele activiteiten.”

Wat Ibnoe l-Djawzie verhaalt is ook de toestand van de soefi’s van onze tijd. Waarlijk, zij zijn vele malen erger. O broeders en zusters! Helaas is er te weinig tijd om voorbeelden van deze praktijken van de soefi’s op dit punt te noemen.

 


Voorbeelden van de onrechtvaardigheid van de extreme soefi’s

O broeders en zusters! Onze intentie bij het uitleggen van de toestand van de soefi’s is niet om ons te verkneukelen in hun fouten noch om met hen de spot te drijven. Wat we in de zin hebben is het waarschuwen van elke moslim opdat hij niet bedrogen wordt door hun valsheid en niet misleid wordt door hun truckjes en listen.

Waarlijk, onze geleerden uit het verleden en heden hebben boeken geschreven in antwoord op de misleiding van de soefi’s. Tot deze boeken behoort het boek Talbies Iblies van al-H’aafidhz Ibn al-Djawzie, die overleed in het jaar 597 H. Hij schreef het grootste gedeelte van de driehonderd pagina’s om in het bijzonder antwoord te geven op de ideeën van de soefi’s, hun geloofsovertuigingen, handelingen, kleding, hun goedkeuring van muziekinstrumenten, zingen en dansen en hun genieten van het gezelschap van jeugd en jonge jongens enzovoort. Bovendien werd er grote aandacht gegeven aan het beantwoorden van hen (d.w.z. hun twijfelachtige zaken) en waarlijk bestrijden van hen door Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn). Zij martelden hem om die reden en zetten hem gevangen totdat hij overleed (moge Allah hem genadig zijn). [Zie het artikel De brief van Ibn Taymiyyah vanuit de gevangenis.] Ook de geleerde Boerhaanoeddien al-Baqaa-ie, die overleed in het jaar 885 H., schreef boeken in antwoord op de soefi’s, namelijk:

1) Tanbiehoe l-Ghabiyy ilaa Takfier Ibn ‘Arabie (Een waarschuwing voor de onwetende betreffende het ongeloof van Ibn ‘Arabie).
2) Tah’dzieroe l-‘Ibaad min Ahlie l-‘Inaad bie bid’atie l-Ittih’aad (Een waarschuwing voor de dienaren van het koppige volk tegen de innovatie van het zeggen dat alles wat bestaat, Allah is).

Beide boeken zijn samen in één bundel uitgegeven, samen met de controle van sheikh ‘Abdoer-Rah’maan al-Wakiel (moge Allah hem genadig zijn), en hij noemde het: Masra-ie s-Soefiyyah (De fatale klap voor soefisme). Al-Baqaa-ie noteerde in deze boeken de uitspraken van de geleerden die Ibn ‘Arabie en Ibnoe l-Faarid ongelovig verklaarden en hij citeerde hun eigen uitspraken en gedichten ten gevolge waarvan de geleerden hen als ongelovigen verklaarden. O broeders en zusters! De geleerde Boerhaanoeddien al-Baqaa-ie zei, de geloofsovertuigingen van Ibn ‘Arabie uitleggend aan het begin van zijn boek Tanbiehoe l-Ghabiyy:

“Ten eerste dient men te weten dat zijn spraak, d.w.z. van Ibn ‘Arabie, draait om onbeperkte eenheid van alles wat bestaat, (oftewel) dat er niets is naast deze wereld en dat de Godheid een samengesteld geheel is dat niet bestaat behalve in de onderdelen ervan.”

Lees vervolgens de uitspraak van Ibn ‘Arabie met betrekking tot de betekenis van Allahs naam al-‘Aliyy (de Allerhoogste). Hij zegt:

“Tot Zijn perfecte Namen behoort ‘de Allerhoogste’, boven wie? Er bestaat niets behalve Hij… dus Zijn Hoogheid is met betrekking tot Zichzelf, en betreffende het bestaan is Hij de absolute essentie van die dingen die bestaan.” Totdat hij zei: “Dus Hij is dat wat zichtbaar is en dat wat verborgen is wanneer Hij zichtbaar is. Dan is er niemand daar om Hem te zien behalve Hijzelf. Dan is er niemand verborgen voor Hem, aangezien Hij zichtbaar is voor Zichzelf, verborgen voor hem, en hij is iemand met de naam Aboe Sa’ied al-Kharraaz. En evenzo met betrekking tot de namen van andere nieuwe dingen.” [Al-Baqaa-ie citeerde het (p. 63-64) en het is door al-Wakiel toegeschreven aan al-Foesoes (p. 76-77) van Ibn ‘Arabie.]

Dus volgens Ibn ‘Arabie is alles Allah, en hij verklaarde duidelijk dat Allah Aboe Sa’ied al-Kharraaz is. Aboe Sa’ied al-Kharraaz was een soefi uit Bagdad die overleed in 277 H. (circa 892 n.C.). O broeders en zusters! Is deze uitspraak niet erger dan die van de christenen over Allah!? Verheven is Allah boven wat zij Hem toeschrijven.

Imaam Zaynoeddien al-‘Iraaqie zei in antwoord op iemand die hem vroeg over Ibn ‘Arabie:

“Met betrekking tot zijn uitspraak dat Hij alles is wat zichtbaar is en alles wat verborgen is, dit is een verderfelijke uitspraak van onbeperkte eenheid en dat alle schepsels die bestaan Hem zijn. Het feit dat dit is wat hij bedoeld, wordt aangetoond door wat hij daarna duidelijk verklaart, namelijk dat Hij Degene is met de naam Aboe Sa’ied al-Kharraaz, en de andere namen van nieuwe dingen. Degene die dit zegt en degene die het gelooft is een ongelovige (kaafir) door consensus (idjmaa’) van de geleerden.” (Al-Baqaa-ie’s boek, p. 66.)

 


De eenheid van religies volgens Ibn ‘Arabie

Ibn ‘Arabie meent dat alle heidenen en afgodaanbidders op de waarheid waren, omdat alles – volgens zijn (dwalende) mening – Allah is. Daarom, eenieder die een afgodsbeeld, een steen, of een boom, of een mens, of een ster aanbad, heeft Allah aanbeden. Hij zegt hierover:

“De persoon met volledig begrip is degene die elk voorwerp van aanbidding ziet als een manifestatie van de waarheid die zich daarin bevindt waarvoor het aanbeden wordt. Daarom noemen zij het een god, samen met zijn bijzondere naam, of het nu een steen is, een boom, een dier, een persoon, een ster, of een engel.” [Al-Foesoes (1/195), al-Wakiel: Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 38).]

Aldus verklaart Ibn ‘Arabie hun afgodaanbidding als correct, omdat alles wat zij aanbidden slechts de Heer is in de vorm van een mens, een boom een steen enzovoort.

O broeders en zusters! Als de Sabiërs ongelovigen waren omdat zij de sterren aanbaden, en de joden ongelovigen waren omdat zij het kalf aanbaden, en de christenen ongelovigen omdat zij ‘Iesaa (Jezus – vrede zij met hem) aanbaden, alsook Qoeraysh vóór de Islaam omdat zij afgodsbeelden aanbaden… hoe kan dan degene die oproept tot de aanbidding van al deze dingen (tegelijk) geen ongelovige zijn!? (Zie Hadzihie Hiyas-Soefiyyah, p. 38.)

Ibn ‘Arabie geeft zelfs zijn geloof dat alle religies één zijn toe en dat zijn hart bereid is om elke sekte en religie te aanvaarden. Hij zegt in zijn boek Dzakhaairoe l-A’laaq Sharh’ Tardjoemaani l-Ashwaaq:

“Vóór vandaag bekritiseerde ik mijn metgezel als mijn religie niet de religie was die hij volgde. Maar mijn hart veranderde om elk beeld te accepteren, dus weilanden voor de onbekommerde liefhebbers en kloosters voor de monniken. Een huis van afgodsbeelden en het afgodshuis in Taa-if, de tabletten van de Thora en de moes-h’af van de Qor-aan: ik volg de religie van liefde, waar het mij ook heen neemt; alle religies zijn dus mijn religie en mijn geloofsovertuiging.” [Al-Wakiel, Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 93), en hij schrijft het toe aan pagina 93 van Dzakhaairoe l-A’laaq.]

Daarnaast waarschuwde Ibn ‘Arabie zijn volgelingen voor het geloven in één bepaalde religie en het niet geloven in de anderen. Hij zei in al-Foesoes:

“Pas op dat je jezelf niet beperkt tot één bepaalde geloofsovertuiging, en ongeloof in al het andere, waardoor je grote goedheid misloopt. Waarlijk, men zal de verwerving van kennis mislopen betreffende de kwestie in de vorm die hij volgt. Wees in plaats daarvan bereid om alle vormen van geloof te accepteren, omdat Allah groter is dan omvat te worden door één geloof met uitzondering van anderen. In plaats daarvan zijn ze allemaal correct, en eenieder die correct is ontvangt beloning, en eenieder die beloond wordt is gelukkig, en eenieder die gelukkig is, is iemand waarmee Hij tevreden is.” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 94), en hij schrijft het toe aan al-Foesoes (p. 191).]

Daarom verklaarde Ibn ‘Arabie dat de Farao in de tijd van Moesaa (Mozes – vrede zij met hem) gered was en hij zegt, commentaar gevend op de woorden van Allah de Meest Verhevene (Nederlandstalige interpretatie): “…een verrukking voor het oog, voor mij en voor jou…” [Soerat al-Qasas (28), aayah 9.]

“Dus door middel daarvan werd het een verrukking voor haar oog, d.w.z. die van de vrouw van Farao, vanwege de perfectie die haar werd geschonken, en het plezier voor het oog van de Farao was vanwege het geloof (imaan) dat Allah hem gaf toen hij verdronk. Dus nam Hij zijn ziel die puur en gereinigd was en die geen verontreiniging bevatte.” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 95), en hij schrijft het toe aan al-Foesoes (p. 201).]

Hij verklaarde openlijk dat Farao een gelovige was, in tegenspraak met de tekst van de Nobele Qor-aan in vele aayaat, waaronder het vers van Allah Ta’aalaa (Nederlandstalige interpretatie):

“Daaropvolgend greep Allah hem met een bestraffing wegens de laatste en de eerste (#9).” [Soerat an-Nazi’aat (79), aayah 25.]

[(#9) Noot van de vertaler: “De eerste” is een verwijzing naar zijn uitspraak: “Ik ken voor jullie geen andere god dan mijzelf!” (V. 28:38.) “De laatste” is een verwijzing naar zijn uitspraak: “Ik ben jullie heer, de hoogste.” (V. 79:24.) (Tefsier at-Tabarie.)]

Ook ‘Abdoel-Kariem al-Djielie, die overleed in het jaar 830 H. (circa 1427 n.C.), zegt in zijn boek al-Insaanoe l-Kaamil (De Perfecte Mens), zijn geloof uitleggend dat alle religies één zijn:

“Dus geef ik mijzelf over aan alles waar mijn begeerten mij aan laten overgeven. Hoe kan ik redetwisten met het oordeel van degene van wie je houdt? Soms zien jullie mij buigen in de moskeeën en andere tijden zal ik in kerken in aanbidding aangetroffen worden. Hoewel ik volgens het oordeel van de sharie’ah een zondaar ben doch met betrekking tot de kennis van de realiteit ben ik gehoorzaam.” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 96), en hij schrijft het toe aan al-Foesoes (1/69).]

Daarom is er, volgens al-Djielie, geen verschil tussen de moskee en de kerk. En ook al was hij volgens de uitwendige en duidelijke sharie’ah zondig en ongehoorzaam tegenover de bevelen van Allah Ta’aalaa, zoals hij beweerde, toch was hij inwendig gehoorzaam tegenover Allah Ta’aalaa omdat hij gehoorzaam was tegenover Allahs Wil.

Lees ook de bewering van Ibnoe l-Faarid dat Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) feitelijk in Zijn schepping is, en Verheven is Allah boven wat ze Hem toeschrijven. Hij zei:

“Ik ga voorwaarts naar de ware realiteit, en de mensheid was achter mij. Waar ik mij ook naartoe wendde, daar was het. Het was geen wonder dat de mensen baden totdat mijn hart onveranderlijk werd en het is de richting van gebed en aspiratie voor mij. Ten gunste hiervan zijn al mijn gebeden die ik verricht op de plaats van het staan, en ik getuig hierover dat het bad voor mij. En al het andere bad tot mij en mijn gebed was niet tot iemand behalve tot mij in elke rak’ah.”

Ibnoe l-Faarid schreef ook een volledig gedicht waarin hij Allah aanspreekt in vrouwelijke vorm. O broeders en zusters! De ruimte staat ons wederom niet toe om andere voorbeelden aan te halen van het geloof van de meeste soefi’s ten aanzien van de eenheid van alle religies, van de woorden van hun belangrijkste leiders zoals Ibnoe l-Faarid, al-Djielie, Ibn ‘Adjiebah, H’asan Ridwaan, Ibn Bashiesh en ad-Dimardaash en anderen. En eenieder die deze dingen wil zien kan het boek Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (Dit is Soefisme) van ‘Abdoer-Rah’maan al-Wakiel (moge Allah hem genadig zijn) raadplegen.

 


De ‘wonderen’ van de soefi’s

De soefi’s gaan naar het extreme in het vereren van hun sheikhs, zozeer dat zij denken dat alles wat van de sheikh afkomstig is waar en correct is, en dat het zelfs een teken van zijn uitmuntendheid is en een wonder. De ‘wonderen’ van hun sheikhs worden in hun boeken genoteerd. Deze wonderen bestaan uit verschillende soorten en zij bereiken zelfs het niveau dat zij beweren dat zij leven aan de doden kunnen geven. Weer andere ‘wonderen’ zijn zo onbelangrijk dat zij niet eens de moeite waard zijn om hier te vermelden.

Lees de verschillende soorten wonderen die bijvoorbeeld door ‘Abdoer-Ra-oef al-Manaawie zijn genoemd:

“De eerste soort: het geven van leven aan de doden, en dit is het hoogste niveau. Hiertoe behoort dat Aboe ‘Oebayd al-Yoesrie vocht in een veldslag, en hij was samen met een rijdier dat stierf. Hij vroeg Allah daarom om het terug tot leven te brengen, waarna het weer opstond en zijn oren schudde… En dat er een geroosterde vogel werd gebracht bij Moefarridj ad-Damaamienie en hij zei: ‘Vlieg met de Toestemming van Allah, de Meest Verhevene.’ Aldus vloog het… En al-Kaylaanie plaatste zijn hand op een bot van een kip, welke hij had gegeten, en zei: ‘Sta op met de Toestemming van Allah,’ aldus stond het op… En een zoon van een van de studenten van Aboe Yoesoef ad-Dahmaanie overleed, hij treurde daarom om hem, en daarom zei de sheikh: ‘Sta op met de Toestemming van Allah,’ aldus stond hij op en leefde hij een lange tijd.” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 116), en al-Kawaakiboe d-Doerriyyah van ‘Abdoer-Ra-oef al-Manaawie (p. 11).]

Deze wonderen zijn niet gelijkwaardig aan de wonderen zoals die van de profeet ‘Iesaa (Jezus – vrede zij met hem).

As-Sha’raanie verhaalde over de wonderen van al-‘Adjamie, zeggende:

“Zijn blik viel op een hond, dus alle andere honden onderwierpen zich aan die ene en namen hem als hun leider. Vervolgens kwamen mensen naar hem (de hond) voor de vervulling van hun behoeften. Toen die hond vervolgens ziek werd, verzamelden alle andere honden zich huilend rondom hem; en toen hij stierf weenden zij openlijk en huilden hun geweeklaag. Dus Allah, de Meest Verhevene, inspireerde in sommige mensen dat zij hem moesten begraven. Daaropvolgend bezochten de honden het graf totdat zij stierven. Aldus was dit wat één blik deed met een hond. Beeld je eens in, wat als zijn blik was gevallen op een persoon.” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 113), at-Tabaqaat (2/61) in de biografie van al-‘Adjamie.]

As-Sha’raanie beweerde ook dat zijn leider Ah’mad al-Badawie vanuit zijn graf de controle over het universum heeft. Hij zei:

“Mijn sheikh nam de eed van mij in de graftombe, terwijl ik richting Ah’mad al-Badawie stond en hij liet mij de hand met hem schudden. De edele hand kwam toen uit de graftombe en pakte de mijne vast. Mijn leider as-Shanaawie zei: ‘Laat jouw gedachte op hem geconcentreerd zijn en laat hem in jouw blik zijn.’ Ik hoorde mijn leider Ah’mad al-Badawie vanuit zijn graf zeggen: ‘Ja.’” Vervolgens zei hij: “En ik was afwezig bij het verjaardagsfeest en er was een van de awliyaa-e [heiligen] aanwezig, dus hij bracht mij op de hoogte dat Ah’mad al-Badawie op die dag de bedekking van zijn graftombe verwijderde en zei: ‘‘Abdoel-Wahhaab is achtergebleven en niet gekomen.’” [Hadzihie Hiyas-Soefiyyah (p. 113).]

Zal een persoon met een gerstekorrel gevoel aan schaamte zich niet schamen om de ‘wonderen’ of misdaden van de soefi’s te vertellen ten aanzien van hun openlijke geslachtsgemeenschap met dieren op straat, alsook andere verdorvenheden en hun bewering dat het tot hun ‘wonderen’ behoort!? We zullen hier het ‘wonder’ van sheikh Ibraahiem al-‘Oerayaan citeren. As-Sha’raanie zei:

“Tot hen behoort sheikh Ibraahiem al-‘Oerayaan die de preekstoel beklom en hen naakt toesprak… en de mensen waren zeer tevreden met wat zij hoorden.”

Zelfs diefstal wordt beschouwd als een wonderbaarlijke gave aan de soefi’s… lees wat ad-Dibaagh, een van de toonaangevende leiders onder de soefi’s, zei:

“Een walie is iemand die controle over de aangelegenheden heeft, hij mag zijn hand uitstrekken naar de zak van eenieder die hij wil, en er zo veel dirhams [Arabisch muntgeld] nemen als hij wil, terwijl de eigenaar zich van niets bewust is.” [Hadzihie Hiya s-Soefiyyah (p. 124), al-Ibriez van ad-Debaagh (2/12).]

Hier is een soefi die beweert dat het zien van zijn sheikh hem meer voordeel brengt dan het zien van Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke). Aboe Toeraab zei op een dag tegen zijn vriend:

“Als jij Aboe Yazied al-Boestaamie maar eens zou zien.” Dus zei hij: “Sinds ik Allah gezien heb, word ik hierdoor volledig in beslag genomen en dat zorgde ervoor dat ik Aboe Yazied niet nodig heb.” Aboe Toeraab zei: “Wee jij, jij bent trots vanwege Allah, de Verhevene en Majesteitelijke. Als jij Aboe Yazied één enkele keer zou hebben gezien, dan zou dat zelfs beter voor jou geweest zijn dan het zeventig keer zien van Allah.” [Ingekort van Ih’yaa ‘Oeloemoe d-Dien van al-Ghazzaalie (4/356).] Al-Ghazzaalie voegde eraan toe: “Overleveringen zoals deze dienen niet ontkend te worden door de gelovige.”

O broeders en zusters! Deze overleveringen tonen ons dat de leiders van de soefi’s niet alleen tevreden zijn met het toestaan van wat Allah Ta’aalaa verboden heeft met betrekking tot diefstal, verdorvenheden en dergelijke, maar daarnaast verklaren zij ook dat deze dingen wonderbaarlijke gebeurtenissen zijn en een teken dat een persoon behoort tot de awliyaa-e (heiligen). Dit is duidelijk in tegenspraak en conflict met de leringen van de Islaam en het is duidelijk ongeloof (koefr) in de teksten van de Nobele Qor-aan en de pure Soennah. De geleerden van de Islaam zijn het erover eens dat eenieder die iets wettig verklaart wat onvermijdelijk bekend is als verboden in de Islaam, dat hij een ongelovige is… wat dan bij een persoon die meent dat het begaan van grote zonden een teken is dat een persoon behoort tot de awliyaa-e en dat het een wonder is!?

Een zeer gevaarlijke manifestatie van het soefisme is het aanroepen van anderen naast Allah… het aanroepen van en smeekbeden richten tot de doden. Dit is grote shirk waarvoor gewaarschuwd is in de Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie):

“En roep naast Allah niet aan wat jou niet baat noch schaadt. Als jij dat toch doet, dan zul jij waarlijk tot de onrechtplegers behoren.” [Soerat Yoenoes (10), aayah 106.] [Met andere woorden: (als jij dat zou doen) dan zou jij tot de afgodenaanbidders behoren.]

Al-Boesayrie, de poëet van de soefi’s, zei, sprekend tot de boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem):

“O meest edele der schepselen! Ik heb niemand van wie ik meer plezier verkrijg dan u op het moment dat algemene rampspoed plaatsvindt. Ik ben nooit getroffen door enige schade of ik zocht zijn bescherming, waarna ik bescherming kreeg tegen al het kwaad.”

 


Slotwoord

O broeders en zusters! Iemand kan zeggen: waarom besteden jullie zo veel aandacht aan het soefisme en waarom citeren jullie de uitspraken van Ibn ‘Arabie, Ibnoe l-Faarid en anderen die al honderden jaren geleden zijn overleden? Het zou passender zijn om een sterk weerwoord te geven op de communisten, de atheïsten en degenen die oordelen volgens door de mens gemaakte wetten (democratie) en die de sharie’ah van Allah Ta’aalaa verlaten. En waarom spreken jullie niet over de afgeweken sekten zoals de Qadiyaanies (of Ahmadiyya), de Baha-is en de Noesayries?

Ik zeg als reactie hierop:

Het is verplicht voor elke moslim, in het bijzonder de studenten van kennis en de uitnodigers tot Allah, dat zij zich enorm inspannen ten aanzien van het weerleggen van eenieder die in strijd is met de sharie’ah van de Islaam, of zij nu communisten, atheïsten, grafaanbidders of soefi’s zijn. Ik zie dat veel van de uitnodigers tot de Islaam, die zich op dit gebied hebben ingespannen, reeds aandacht hebben geschonken aan enkele kwesties, maar andere kwesties hebben overgeslagen. Waarlijk, zij lijken deze kwestie te zijn vergeten aangezien we slechts weinig mensen zien die aandacht schenken aan het waarschuwen van de moslims tegen de misleiding van de soefi’s en hun valsheid. Sommige mensen worden tot razernij gebracht door degenen die oproepen tot de correctie van de ‘aqiedah (geloofsleer) en die waarschuwen tegen degenen die oproepen tot overmatige verering van de doden, omdat zij beweren dat dit verdeeldheid onder de moslims veroorzaakt. Waarlijk, we zien tegenwoordig ook verschillende schrijvers die oproepen tot het volgen van soefisme.

Over de wonderen van de soefi’s, in het bijzonder de volgelingen van de Rifa’i orde, zijn er verschillende citaten te melden.

Enige informatie over de Rifa’i orde

Rifa’i (ar-Rifaa’ie of Rifa’iyya): een soefi orde welke voornamelijk in Egypte en Syrië voorkomt, maar speelt ook een zichtbare rol in Kosovo en Albanië. In 1925 werd deze, naast andere soefi ordes, in Turkije verboden. De Rifa’i orde werd gesticht in 1183, als een zijtak van de Qadiriya, na de dood van Ah’mad ar-Rifa’i uit Basra (Irak). De Rifa’i orde heeft altijd de belangrijkheid van een ascetische levensstijl benadrukt. Armoede, onthouding en zelfkastijding zijn centrale deugdzaamheden. Ah’mad ar-Rifa’i promootte ook de doctrine van het niet doden van het kleinste levende schepsel. Ook wanneer een persoon ziek was of in problemen verkeerde, geloofde hij dat hij zijn situatie moest bevechten. De Rifa’i dzikr brengt extreme handelingen met zich mee. Deze handelingen werden niet door Ah’mad ar-Rifa’i zelf gedefinieerd, maar lijken geïntroduceerd te zijn na de periode van de Mongoolse invasie in Irak in het midden van de 13de eeuw. De extreme handelingen omvatten gevaarlijke daden als het eten van glas, het aangeraakt te worden door hete ijzers, het doorboren van het lichaam met scherpe voorwerpen en het slikken van zwaarden. Oorspronkelijk reed men ook op leeuwen. Het centrale deel van dzikr omvat het dansen van de leden in cirkels, hun lichamen heen en weer gooiend totdat extase bereikt wordt. Leden vallen op de grond waar gevaarlijke voorwerpen, zoals zwaarden en slangen, geplaatst zijn. Er is ook bericht dat de Rifa’i zich bezighouden met magische praktijken (sih’r). In Syrië zijn de Rifa’i bekend als Sa’diyya. Zij splitsten zich in de 14de eeuw af van de hoofdstroom van Rifa’i. Zij kenmerken zich door een speciale vorm van dzikr-beweging, waarbij extase bereikt wordt door op de rechter hak rond te draaien. Nadat de leden op de grond zijn gevallen, rijdt de sheikh met een paard over hun lichamen heen.

 

Sa’ied Hawwa zei in een van zijn boeken: “Het ontkennen van het principe van de wonderbaarlijke gebeurtenissen onder de soefi’s is daarom een ontkenning die niet gebaseerd is op kennis en (is daarmee dus) incorrect. De meest belangrijke daad die bekritiseerd wordt, is wat er gebeurd met de Rifa’i orde ten aanzien van het vuur dat hen niet schaadt, en het zichzelf treffen met kogels en zwaarden zonder dat zij geschaad worden. Dit is een wijdverspreide en bekende daad waarvan mensen getuige waren. Velen van degenen die het ontkenden, onderzochten het en trokken vervolgens hun ontkenning terug. Wat van hen gezien wordt kan geen magie zijn, aangezien magie deel uitmaakt van de wereld van dingen die een oorzaak hebben en dat is hier niet van toepassing. Noch kan het verricht worden door middel van spirituele oefeningen, aangezien het zelfs plaatsvindt bij individuen van hen zonder dat zij enige spirituele oefeningen hebben verricht… louter doordat hij trouw aan de sheikh gezworen heeft. Een christen heeft mij eens verteld wat hem persoonlijk overkomen is en het is een beroemde en algemeen bekende gebeurtenis. En Allah heeft ervoor gezorgd dat ik de persoon in kwestie ontmoette nadat ik erover hoorde van iemand anders. Hij zei tegen mij dat hij aanwezig was bij een dzikr-sessie en een persoon die dzikr verrichtte doorboorde zijn rug met een spies en drukte het door zijn borst totdat hij het vast pakte. Vervolgens trok hij het terug zonder dat het enig teken of wond achterliet.”

De schrijver neemt voorzorgsmaatregelen bij het beantwoorden van de beschuldiging dat deze dingen gewoonlijk gebeuren bij mensen die duidelijk zondig en niet vroom zijn, dus hoe kan deze gave van wonderbaarlijke gebeurtenissen dan toegeschreven worden aan iemand die niet vroom is? Hij zegt: “Het voornaamste bewijs voor degenen die dit ontkennen is dat deze wonderen plaatsvinden vanwege zowel goddeloze als rechtschapen mensen, en dit is correct. Maar de uitleg hiervan is dat het wonder niet van hen is, maar voor de oorspronkelijke sheikh aan wie Allah, de Almachtige en Majesteitelijke, dit wonder geschonken heeft. En Hij zorgde er vervolgens voor dat het onder zijn volgelingen voortduurde.”

Is het niet verbazingwekkend hoe een persoon met kennis voor de gek gehouden kan worden door deze truckjes van de satan opdat hij ze gelooft, terwijl hij gerekend wordt tot een van de belangrijkere uitnodigers!? Hij is het eens dat de ‘wonderen’ van de soefi’s waarachtig zijn en door niemand ontkend kunnen worden… terwijl wij tegen hem zeggen, wat voorkomt is dat deze wonderen verricht worden door middel van het gebruik van tovenarij (sih’r) of door enige manier van misleiding/bedrog, zoals vermeld is door Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (rah’imahoellaah), toen hij door enkele volgelingen van een soefi-orde uitgedaagd werd. Zij beweerden valselijk dat zij veilig over vuur konden lopen, dus verzocht hij hen om eerst hun lichamen te wassen met azijn en warm water voordat zij over het vuur zouden lopen. Zij weigerden uit angst omdat hij hun list had ontmaskerd. Zij smeerden hun lichamen namelijk in met het vet van kikkers en met de binnenkant van de schil van bittere sinaasappels en talkpoeder, en andere truckjes die bij hen algemeen bekend waren. Shaykhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (rah’imahoellaah) zei:

“Het kan ook iets zijn wat gedaan wordt met behulp van hun duivels (onder de djinn) omdat zij mensen zijn die nauw vergezeld worden door duivels alsof zij bij hun eigen broeders zijn. Als zij samenkomen om te fluiten en klappen, dan worden zij overmand door een staat waarin zij gaan ijlen en heen en weer bewegen precies zoals degenen die door demonen bezeten zijn, en zij spreken dan woorden die zij noch de aanwezigen kunnen begrijpen. Dit zijn hun duivels die spreken door gebruik te maken van hun tongen op het moment dat zij hun besef verliezen, net zoals de djinn spreekt met de tong van degene die hij beheerst. Mensen die kennissen hebben die bezeten zijn, betalen hen om te komen; zij slaan dan op de doeff (trommel) en andere muziekinstrumenten en ontsteken een groot vuur. Vervolgens plaatsen zij er een groot stuk ijzer op en zetten zij speren met metalen punten omhoog. Daarna klimt iemand van hen omhoog en zit in de aanwezigheid van de mensen op deze scherpe punten. Hij neemt het verhitte ijzer en strijkt ermee over zijn arm enzovoort. De mensen zullen ook stenen zien vliegen zonder dat zij iemand zien die ze gooit. Dit komt allemaal van hun duivels, zij nemen hen naar de toppen van deze scherpe punten. Zij zijn degenen die in direct contact staan met het vuur. Het kan ook zo zijn dat de mensen in kwestie (die op de speren zitten etc.) niets voelen net zoals degene die bezeten is niets voelt op het moment dat hij geslagen wordt omdat het enkel de djinn treft. Vergelijkbaar is het geval van degenen die betrokken zijn bij satanische gebeurtenissen. Hoe meer een persoon is als de djinn en de duivels in hun daden, des te krachtiger zal hetgeen zijn dat plaatsvindt. Deze zaken geschieden bovendien enkel in de aanwezigheid van de oproeper van de duivel en zijn voordracht. Zijn oproeper is de fluit en muziekinstrumenten, en zijn voordracht is zingen. Dit zal niet plaatsvinden voor hen tijdens het gebed, het gedenken van Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij), tijdens smeekbeden en terwijl de Qor-aan gereciteerd wordt. Deze ervaringen van hen brengen daarom geen enkel voordeel in de religie, noch in het wereldse leven. Deze mensen die deze satanische gebeurtenissen ervaren, bevinden zich onder een grote misleiding en waanvoorstelling, in hun dwaasheid worden zij beroofd van alle zegeningen, zij verteren de bezittingen van de mensen in futiele daden, zij bevelen niet het goede, noch verbieden zij het slechte, en zij verrichten de djihaad omwille van Allah niet.” [Ibn Taymiyyah, al-Fataawaa (11/495-496).]

O broeders en zusters! Opscheppen over wonderbaarlijke daden behoort niet tot de kenmerken van de vromen onder de metgezellen (moge Allah tevreden over hen zijn) en de taabi’ien (volgelingen), noch de a-immah (imams) van de moslims en de ‘oelamaa-e (geleerden) die na hen kwamen. Wij horen niets over welke metgezel dan ook, noch over de grote taabi’ien, of de vier beroemde a-immah: Maalik, Aboe H’aniefah, as-Shaafa’ie en Ibn H’anbal (moge Allah hen genadig zijn). Wij horen niet dat zulke dingen bij één van hen heeft plaatsgevonden. Noch ging één van hen een vuur binnen of doorboorde zichzelf met een spies of een zwaard en deed hij zichzelf of de persoon in kwestie vervolgens herleven. Dit wordt tevens niet gepraktiseerd door een van de geleerden uit het heden. Deze praktijken worden slechts aangetroffen, in het verleden en het heden, bij de soefi’s. Er bestaat geen twijfel over het feit dat dit het grootste bewijs is dat dit satanische gebeurtenissen zijn en geen gezonden wonderen van de Meest Barmhartige.

Veel uitnodigers zijn onachtzaam ten aanzien van de meest belangrijke aspecten van de Islaam, namelijk de oproep tot het aanbidden van Allah Ta’aalaa alleen met de gehele tawh’ied en de correctie en zuivering van de ‘aqiedah (geloofsleer) van alle shirk die de vorm aanneemt van het aanbidden van de doden, gehechtheid aan de graven en het aanroepen van de doden en de afwezigen. Tevens blijven zij zwijgen over de andere afwijkingen van de hedendaagse soefi-ordes die wijdverspreid zijn in de landen van de moslims. We zien duidelijk de overhand die de soefi-ordes hebben over de gedachten van de moslims in verschillende landen zoals in Egypte, Syrië, Marokko, Afrika en India en tegenwoordig ook in Europa en Amerika. Of het nu de Rifa’i orde is, of de Tidjanies, of de Ahmadiyyah, of de Qaadiriyyah, of de Boerhaamiyyah, of de Shaadhiliyyah, of de Khattaaniyyah, of de Darqaawies, of de Naqshabandies, of welke van de grote aantal soefi-ordes ook… Toen ik dit zag, wilde ik mijzelf eraan herinneren, evenzo wilde ik mijn broeders en zusters voorzien van enige kennis om zich te beschermen tegen de ziektes van soefisme. Net zoals er ziektes zijn die het lichaam beïnvloeden, zo zijn er ook ziektes die de zielen en de harten beïnvloeden. Daarom dienen de geleerden en de uitnodigers aandacht te schenken aan het verschaffen van bescherming voor de harten, net zoals doktoren aandacht schenken aan de bescherming van de lichamen…

Moge Allah zegeningen schenken aan Moh’ammed en aan zijn familie en volgelingen, en zijn metgezellen.

 


Samenvatting van enkele afwijkingen van de soefi’s

[Toegevoegd door de vertaler. Bron: https://islamqa.info/en/4983 (Engels) / https://islamqa.info/ar/4983 (Arabisch).]

Het woord “soefisme” was niet bekend in de tijd van de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellemvrede en zegeningen van Allah zijn met hem) of de sah’aabah (metgezellen – moge Allah tevreden over hen zijn) of de taabi’ien (volgelingen – moge Allah hen genadig zijn). Het ontstond in een tijd toen een groep asceten verscheen die wol (soefالصوف) droegen, en deze naam werd aan hen gegeven. Er is ook gezegd dat deze naam afgeleid werd van het woord “soefiyaa” (صوفيا), van het Griekse woord “sophia” dat “wijsheid” betekent. Het woord is niet afgeleid van as-safaa-e (الصفاء – “zuiverheid”) zoals sommige van hen beweren, want het adjectief afgeleid van safaa-e is safaa-ie (صفائي) en niet soefie (صوفي). Het ontstaan van deze nieuwe naam en de groep waarop het betrekking heeft verergerde de verdeling onder moslims. De eerste soefi’s verschilden van de latere soefi’s die op grotere schaal bid’ah (innovatie) introduceerden en shirk (polytheïsme), in zowel kleine als grote vorm, gewoon maakten onder de mensen, alsook vernieuwingen (in de religie) waar de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) voor waarschuwde toen hij zei (Nederlandstalige interpretatie):

“Pas op voor nieuwe verzonnen zaken, want elke nieuwe verzonnen zaak is een innovatie en elke innovatie is een misleiding.” (Overgeleverd door at-Tirmidzie, die zij dat het sah’ieh’ h’asan is.)

Het volgende is een vergelijking tussen de geloofsovertuigingen en rituelen van soefisme en de Islaam die gebaseerd is op de Qor-aan en Soennah.

Soefisme heeft vele ordes of tarieqahs, zoals de Tiedjaniyyah, Qaadiriyyah, Naqshbandiyyah, Shaadhiliyyah, Rifaa’iyyah enzovoort, wier volgelingen allemaal beweren dat hun specifieke tarieqah op het pad der waarheid is, terwijl de anderen valsheid volgen. De Islaam verbiedt dergelijk sektarisme. Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) zegt in Zijn Nobele Koran (Nederlandstalige interpretatie):

“…en behoor niet tot de polytheïsten (afgodenaanbidders). Degenen die hun religie opsplitsten en sekten werden, elke groepering is verheugd over hetgeen zij hebben.” [Soerat ar-Roem (30), aayah 31-32.]

De soefi’s aanbidden anderen dan Allah Ta’aalaa, zoals profeten en “awliyaa-e” (“heiligen”), levend of dood. Zij zeggen: “Yaa Djielaanie,” “yaa Rifaa’ie,” (hiermee roepen zij hun awliyaa-e aan), of “o boodschapper van Allah, help en red ons,” of “o boodschapper van Allah, ons vertrouwen is op u” enzovoort.

Maar Allah Ta’aalaa verbiedt ons om iemand anders dan Hem aan te roepen met betrekking tot zaken die buiten hun vermogen liggen. Als iemand dit doet, dan zal Allah Ta’aalaa hem rekenen tot de moeshrikien (polytheïsten), zoals Hij zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En roep naast Allah niet aan wat jou niet baat noch schaadt. Als jij dat toch doet, dan zul jij waarlijk tot de onrechtplegers behoren.” [Soerat Yoenoes (10), aayah 106.]

De soefi’s geloven dat er abdaal, aqtaab en awliyaa-e (soorten “heiligen”) zijn aan wie Allah Ta’aalaa de macht gegeven heeft om de aangelegenheden van het universum te regelen. Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt over de polytheïsten (Nederlandstalige interpretatie):

“Zeg (o Mohammed): … ‘En wie bepaalt de ordening (van alle zaken)!?’ Zij zullen dan zeggen: ‘Allah.’…” [Soerat Yoenoes (10), aayah 31.]

De polytheïstische Arabieren wisten meer over Allah Ta’aalaa dan deze soefi’s!!

De soefi’s richten zich tot anderen dan Allah Ta’aalaa wanneer er zich calamiteiten voordoen. Maar Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En als Allah jou met tegenspoed treft, dan kan niemand die wegnemen behalve Hij. En als Hij jou met voorspoed treft, Hij is over alle zaken Almachtig.” [Soerat al-An’aam (6), aayah 17.]

Sommige soefi’s geloven in wah’datoe l-woedjoed (وحدة الوجود – eenheid in bestaan, dat alles wat bestaat in werkelijkheid Allah is). Zij kennen niet het begrip van Schepper en Zijn schepping. In plaats daarvan zeggen zij dat alles schepping is en alles is god. (Zie de verhandeling Waar is Allah?)

De soefi’s bepleiten extreem ascetisme in dit leven en geloven niet in het nemen van noodzakelijke maatregelen noch in djihaad (jihad). Maar Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En streef met wat Allah jou heeft gegeven naar het Huis van het Hiernamaals (#10), en vergeet jouw deel van het wereldse niet (#11)…” [Soerat al-Qasas (28), aayah 77.]

[(#10) Noot van de vertaler: gebruik hetgeen waarmee Allah Ta’aalaa jou gezegend heeft aan bezit en gunsten, om jouw Heer gehoorzaam te zijn en om toenadering tot Hem te zoeken door verschillende goede daden te verrichten, waardoor je beloning verdient in deze wereld en het Hiernamaals. (Tefsier Ibn Kethier.)]

[(#11) Noot van de vertaler: dat wat Allah Ta’aalaa toegestaan heeft aan eten, drinken, kleding, woning en vrouwen. Je hebt verplichtingen tegenover jouw Heer, jezelf, je familie en je gasten. Dus geef ieder van hen waar zij recht op hebben. (Tefsier Ibn Kethier.)]

“En tref voorbereiding tegen hen wat betreft hetgeen in jullie vermogen ligt aan kracht…” [Soerat al-Anfaal (8), aayah 60.]

[Noot van de vertaler: op een dag merkte de profeet Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) een bedoeïen op die zijn kameel liet zonder het vast te binden en hij vroeg de bedoeïen (Nederlandstalige interpretatie): “Waarom bind jij jouw kameel niet vast?” De bedoeïen antwoordde: “Ik vertrouw op Allah.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zei toen: “Bind eerst jouw kameel vast en vertrouw dan op Allah.” (At-Tirmidzie en Ibn Maadjah.)]

(Lees verder onder de afbeelding. Gebruik de afbeelding voor da’wah.)

 

De soefi’s passen het idee van ih’saan toe op hun sheikhs en zeggen tegen hun volgelingen om een beeld van hun sheikh in gedachten te hebben wanneer zij Allah gedenken en zelfs wanneer zij bidden. Sommigen van hen plaatsen zelfs een foto van hun sheikh voor zich wanneer zij bidden. De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie):

Ih’saan is wanneer je Allah aanbidt alsof je Hem kunt zien, en hoewel je Hem niet kunt zien, Hij ziet jou.” (Overgeleverd door Moeslim.)

[Zie het artikel Ih’saan – de kern van de Islaam.]

De soefi’s staan dansen, trommels en muziekinstrumenten goed, alsook het verheffen van de stem wanneer men dzikr verricht. Maar Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“De gelovigen zijn slechts degenen wier harten door angst bevangen worden wanneer Allah genoemd wordt…” [Soerat al-Anfaal (8), aayah 2.]

Bovendien zie je sommigen van hen dzikr verrichten door alleen de Naam van Allah te zeggen: “Allaah, Allaah, Allaah.” Dit is bid’ah (een innovatie) en heeft geen waarde in de Islaam. Zij gaan zelfs naar het extreme door te zeggen: “Ah, ah” of “hu, hu.” Het is voor een moslim soennah (aanbevolen) om zijn Heer te gedenken met woorden die een ware betekenis hebben, waarvoor hij beloond zal worden, zoals het zeggen van “Soebh’aan Allaah wa l-h’amdoelillaah wa laa ilaaha ill-Allaah wa Allaahoe Akbar” enzovoort. (Zie het artikel Als je wilt dat…)

De soefi’s reciteren tijdens hun dzikr-bijeenkomsten liefdesgedichten waarin zij de namen van vrouwen en jongens noemen, en zij herhalen woorden als “liefde,” “passie,” “verlangen” enzovoort, alsof zij in een bijeenkomst zijn waar mensen dansen en wijn drinken en klappen en schreeuwen. Dit alles heeft te maken met de daden van aanbidding van de moeshrikien (polytheïsten). Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En hun gebed bij het Huis (de Kaäba in Mekka) was niets behalve gefluit en handgeklap…” [Soerat al-Anfaal (8), aayah 35.]

Sommige soefi’s doorboren zichzelf met ijzeren naalden, zeggende: “O mijn grootvader!” Aldus komen de shayaatien (satans) tot hen en helpen hen, omdat zij de hulp zoeken van iemand anders dan Allah (waar de satans van houden). Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En degene die zich blind afkeert van het gedenken van ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige), Wij stellen voor hem een satan (duivel van onder de djinn) aan, die voor hem dan een metgezel is.” [Soerat az-Zoekhroef (43), aayah 36.]

De soefi’s beweren te beschikken over gnosis (diepere kennis aangaande godsdienstige waarheden) en kennis van het onzichtbare (al-ghayb). Maar de Qor-aan toont aan dat zij leugenaars zijn. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“Zeg (o Moh’ammed): ‘Niemand in de hemelen en de aarde kent al-ghayb (het onwaarneembare) behalve Allah, en zij weten niet wanneer zij opgewekt zullen worden.’” [Soerat an-Naml (27), aayah 65.]

De soefi’s beweren dat Allah de wereld geschapen heeft voor Moh’ammed (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), maar de Qor-aan toont aan dat zij leugenaars zijn. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En Ik (Allah) schiep de djinn en de mensheid enkel om Mij te aanbidden.” [Soerat ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.]

[Zie de artikelen Het doel van de schepping en De wereld van de djinn.]

Allah, moge Hij geprezen en verheven worden, sprak Zijn profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) toe met de woorden (Nederlandstalige interpretatie):

“En aanbid jouw Heer totdat de zekerheid (#12) (de dood) tot jou komt.” [Soerat al-H’idjr (15), aayah 99.]

[(#12) Noot van de vertaler: het is onjuist om al-yaqien (de zekerheid) te interpreteren als ma’rifah (“spirituele waarheid” of “mystieke intuïtieve kennis”) zoals sommige van de soefi’s dat doen. Zij beschouwen degene die het niveau van ma’rifah bereikt heeft, vrij van de religieuze verplichtingen. Dit is ongeloof, misleiding en onwetendheid! De profeten (vrede zij met hen allen) en hun metgezellen waren degenen met de meeste kennis over Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij) en Zijn rechten, en tegelijkertijd waren zij degenen die Hem aanbaden op de beste manier: en zij deden dit allemaal – zonder enige uitzondering – tot aan hun dood! Wat hier met al-yaqien bedoeld wordt, is dus de dood (of een toestand waarin men iets niet meer kan). (Naar Tefsier Ibn Kethier.)]

De soefi’s beweren dat zij Allah in dit leven kunnen zien, maar de Qor-aan toont aan dat zij leugenaars zijn. Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En toen Mozes op Onze afspraak kwam en zijn Heer tot hem sprak, zei hij: ‘Mijn Heer! Stel mij in staat om U te aanschouwen.’ Hij (Allah) zei: ‘Je kunt Mij (in dit wereldse leven) niet zien…’” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 143.]

[Zie het artikel Is het mogelijk om Allah te zien?]

De soefi’s beweren dat zij direct van Allah kennis nemen, zonder de tussenkomst van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en in een bewuste toestand (in tegenstelling tot dromen). Zijn zij dan beter dan de sah’aabah!?!? Zij zeggen: “H’addathanie qalbie ‘an Rabbie (mijn hart vertelde mij van mijn Heer).”

De soefi’s vieren Mawlid [al-Mawlid an-Nabawie – de geboorte van de profeet (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem); zie het artikel Het vieren van al-Mawlid an-Nabawie] en houden bijeenkomsten om zegeningen te zenden op de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Maar zij wijken af van zijn leringen, door hun stemmen te verheffen tijdens dzikr en anasheed (religieuze liederen) en qasiedahs (gedichten) die overduidelijke shirk bevatten. Vierde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zijn verjaardag? Vierde Aboe Bakr, ‘Oemar, ‘Oethmaan, ‘Alie, de vier a-immah (imams) of iemand anders zijn verjaardag? Wie weet meer over en is beter in aanbidding; de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en de selef, of de soefi’s?

[Zie het artikel De voorwaarden voor acceptabele ‘ibaadah (aanbidding).]

De soefi’s reizen om graven te bezoeken en zegeningen te zoeken bij de bewoners ervan, of om tawaaf (rituele ommegang) er omheen te verrichten, of om op deze plaatsen offers te brengen, wat allemaal indruist tegen de leringen van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), die zei (Nederlandstalige interpretatie):

“Reis niet om enige plaats (voor aanbidding) te bezoeken, behalve drie moskeeën: al-Masdjid al-H’araam (in Mekkah), deze moskee van mij (in al-Medienah) en al-Masdjid al-Aqsaa (in Jeruzalem).” (Overeengekomen, oftewel, overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.)

De soefi’s zijn blindelings loyaal jegens hun sheikhs, zelfs als zij in strijd zijn met de Woorden van Allah Ta’aalaa en de uitspraken van Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Maar Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“O degenen die geloven! Plaats jezelf niet voor Allah en Zijn boodschapper (Moh’ammed) (#13)…” [Soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 1.]

[(#13) Noot van de vertaler: dit vers bevat meerdere betekenissen, waaronder (1) haast je niet met het maken van een beslissing voordat de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) zijn oordeel gegeven heeft (opdat je niet beslist in tegenspraak met hem), maar volg hem in elke kwestie; (2) kijk naar de Qor-aan en de Soennah van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) voor leiding en verkies niets boven hen, zoals je eigen begeerten en meningen. (Zie Tefsier Ibn Kethier en A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.) Dit is de meest belangrijke en fundamentele eis van geloof. Degene die Allah Ta’aalaa als zijn Heer beschouwt, Allahs boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) als zijn gids en leider accepteert en oprecht is in zijn geloof, kan nooit de attitude hebben dat hij zijn eigen mening en standpunt de voorkeur geeft boven de beslissing van Allah Ta’aalaa en Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). Noch kan hij een onafhankelijke opinie over kwesties vormen en zijn eigen oordelen vellen – zowel qua individuele als gemeenschappelijke kwesties – zonder zich te bekommeren of Allah Ta’aalaa en Zijn boodschapper (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) leiding hebben gegeven in die kwesties of niet, en als zij leiding gegeven hebben, wat dit dan inhoudt. (Tafheem-ul-Qur’an van Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.)

De soefi’s gebruiken talismannen, letters en getallen om beslissingen te nemen en voor het maken van amuletten en gelukshangertjes enzovoort.

[Noot van de vertaler: er is overgeleverd dat ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden over hem zijn) zei: “Ik hoorde de boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) zeggen (Nederlandstalige interpretatie): ‘Waarlijk, ar-roeqaa (spreuken/formules), at-tamaa-iem (amuletten) en at-tiwalah (betovering) zijn shirk.’” [Overgeleverd door Aboe Daawoed (3883) en Ibn Maadjah (3530): als sah’ieh’ (authentiek) geclassificeerd door al-Albaanie in Sah’ieh’ Abie Daawoed.] Zie het artikel Amuletten en bijgeloof voor meer informatie.]

De soefi’s beperken zichzelf niet tot de specifieke zegeningen op de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) die van hem zijn overgeleverd. Zij bedachten nieuwe formuleringen die het zoeken van zijn zegeningen en andere overduidelijke shirk met zich meebrengen, die onacceptabel zijn voor degene op wie zij zegeningen zenden.

Met betrekking tot de vraag of de soefi sheikhs enige vorm van contact hebben, dat klopt, maar hun contact is met de shayaatien (satans), niet met Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij). Aldus inspireren zij elkaar met verfraaide woorden als een misvatting (of door middel van misleiding), aangezien Allah Ta’aalaa zegt (Nederlandstalige interpretatie):

“En zo stelden Wij voor elke profeet een vijand aan, satans van onder de mensen en de djinn; zij inspireren elkaar met verfraaide woorden als een misleiding (#14). En als jouw Heer gewild had, hadden zij dat niet gedaan…” [Soerat al-An’aam (6), aayah 112.]

[(#14) Noot van vertaler: de satans onder de mensen en de djinn zijn altijd actief en misleiden anderen door gebruik te maken van zeer mooie woorden en plausibele excuses en bezwaren. Daarom is het opdoen van kennis zo belangrijk om niet in de vallen van de satans te trappen. Imaam Ah’mad heeft gezegd:

De mensen hebben meer behoefte aan kennis dan dat zij behoefte hebben aan eten en drinken! Want zij hebben maar twee of drie keer per dag behoefte aan water, maar zij hebben op elk moment behoefte aan kennis!” (Siyar an-Noebala, 2/256.)

[Zie de artikelen Het zoeken naar kennis, Valkuilen tijdens het zoeken van kennis en De vallen van Iblies (satan).]

En Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt ook (Nederlandstalige interpretatie):

“…En waarlijk, de duivels (onder de djinn) inspireren hun vrienden (onder de mensen)…” [Soerat al-An’aam (6), aayah 121.]

“Zal Ik jullie (o mensen) informeren op wie de duivels (djinn) neerdalen? Zij dalen neer op elke leugenachtige zondaar.” [Soerat as-Shoe’araa-e (26), aayah 221-222.]

Dit is het contact dat realiteit is, niet het contact dat zij valselijk beweren te hebben met Allah Ta’aalaa. Ver verheven is Allah boven dit alles. (Zie Moe’djam al-Bida’, 346 –359.)

Wanneer sommige van deze soefi-sheikhs plotseling uit het zicht van hun volgelingen verdwijnen, dit is het resultaat van hun contact met de shayaatien, die hem zelfs kunnen dragen naar een verafgelegen plaats en hem op dezelfde dag of nacht weer terugbrengen, om hun menselijke volgelingen te misleiden.

De belangrijke regel hier is dus om mensen niet te beoordelen op basis van de buitengewone prestaties die zij verrichten. We dienen hen te beoordelen op basis van hoe nauwkeurig of niet zij zich houden aan de Qor-aan en Soennah. De ware vrienden van Allah (awliyaa-e) zijn niet noodzakelijkerwijs bekend voor het verrichten van verbazingwekkende prestaties. Integendeel, zij zijn degenen die Allah aanbidden op de manier zoals Hij dat voorgeschreven heeft, en niet door het verrichten van daden van bid’ah. De ware awliyaa-e of vrienden van Allah zijn degenen die onze Heer omschreven heeft in de h’adieth qoedsie overgeleverd door al-Boekhaarie in zijn Sah’ieh’ (5/2384) van Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden over hem zijn), die zei: “De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heeft gezegd:

‘Wie vijandigheid vertoont jegens een vriend (walie) van Mij, Ik verklaar hem de oorlog. Mijn dienaar komt niet dichterbij tot Mij met iets dat meer geliefd is bij Mij dan de religieuze verplichtingen die Ik hem opgelegd heb, en Mijn dienaar blijft dichterbij tot Mij komen door middel van extra (naafil – vrijwillige) daden, zodat Ik van hem houdt. Wanneer Ik van hem houdt, dan ben Ik zijn gehoor waarmee hij hoort, zijn gezichtsvermogen waarmee hij ziet, zijn hand waarmee hij slaat en zijn voet waarmee hij loopt. Indien hij (iets) aan Mij zou vragen, dan zou Ik hem dat zeker geven; en indien hij toevlucht bij Mij zou zoeken, dan zou Ik hem dat zeker toekennen.’

En Allah is de Bron van kracht en de Gids tot het rechte pad.

 

Relevante artikelen:

Waar is Allah? (Een weerlegging van de Djahmiyyah)

Sekten in de islam (diverse artikelen)

Algemene principes van Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa’ah