De Kloof

God bestaat!

De kloofDeel 1 – Evolutie of schepping?
Deel 2 – De kloof
Deel 3 – Wonderen in ons en rondom ons

Vertaald en samengesteld door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah

“Waarlijk, de gelijkenis (van het scheppen) van ‘Iesaa (Jezus) bij Allah is zoals de gelijkenis (van het scheppen) van Aadam (Adam). Hij schiep hem van aarde, vervolgens zei Hij tot hem: ‘Wees!’ – waarna hij was.” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 59.]

<<< “Geschapen van aarde” wil zeggen uit levenloze onbewuste substanties die gevonden worden in hun elementaire vormen op en in de aarde, zoals koolstof, calcium, natrium en enkele andere vergelijkbare elementen. Door verbindingen van deze elementen is er een wonderbaarlijk wezen voortgebracht, de mens, en in hem zijn enorme vermogens geplaatst, zoals gevoelens, bewustzijn, fantasie, een geweten… Het verwijst ook naar de voortdurende transmutatie van deze substanties – door middel van inname van uit de grond voortkomend en in de grond groeiend voedsel – in reproductieve cellen. Hiermee wordt de nederige oorsprong van de mens benadrukt, en dat de mens vandaar dank verschuldigd is aan God omdat Hij hem begiftigd heeft met een denkende ziel. (Uit The Message of the Qur’aan, Moh’ammed Asad.)>>>

Hoofdstukken:
Fossielen: bewijsstukken tegen de evolutietheorie
De kloof tussen vissen en amfibieën
De kloof tussen amfibieën en reptielen
De kloof tussen reptielen en vogels
De kloof tussen reptielen en zoogdieren
De allergrootste kloof
Conclusie: hiaat in het fossielen verslag

 


Fossielen: bewijsstukken tegen de evolutietheorie

Het leven in al zijn verschijningsvormen is niet één enkele rij, door ononderbroken reeksen tussenvormen verbonden. Het fossielenverslag laat verschillende vormen zien en niet een geleidelijke verandering van het ene organisme naar het andere. Als de evolutietheorie waar zou zijn, dan zou het wel zo moeten zijn. Er zouden bijvoorbeeld vinnen van vissen moeten zijn, die langzaam veranderden in poten, met voeten en tenen, en kieuwen zouden moeten veranderen in longen. Er zouden fossielen moeten zijn van reptielen met half poten, half vleugels en met half schubben, half veren. Maar die zijn er niet! (Klik op de afbeelding om het vergroot weer te geven.)

 

Levende fossielen

Levende fossielen.

Na vele jaren van fossielenonderzoek zijn er nog steeds geen overgangsschakels gevonden tussen de ene belangrijke levensvorm en de andere. Er is nu zoveel aan fossiel materiaal, dat het ontbreken van overgangsreeksen niet toegeschreven kan worden aan schaarste van fossiel materiaal. De gaten zijn echt, ze zullen nooit worden opgevuld. Fossielen tonen aan dat er steeds weer nieuwe dier- en plantsoorten plotseling verschijnen, zonder verband te houden met iets wat ervóór bestond. Insecten zijn ook plotseling en massaal in het fossielenverslag verschenen, zonder evolutionaire voorouders. Tot in deze tijd zijn ze niet eens zo veel veranderd. Na een vondst van een vlieg van zo’n 40 miljoen jaar oud, bleken de vleugels, poten en de kop, en zelfs de cellen binnenin, vrij ‘hedendaags’ te zijn. Planten vertonen een zelfde beeld. In de gesteenten zijn fossielen gevonden van bladeren, die weinig verschil vertonen met de hedendaagse soorten, zoals de eik, de walnoot, de druif, de varen, de palm en vele andere soorten. Ook diersoorten volgen hetzelfde patroon. De voorouders van de hedendaagse diersoorten, zijn plotseling in het fossielenverslag verschenen en lijken erg veel op hun nu levende tegenhangers. Waar zijn de tussenstappen???

De wervelkolom van een vis verschilt veel van die van een kikker. Geen enkel fossiel van een vis laat zien hoe het bekken van amfibieën zich heeft ontwikkeld. Het was ineens daar.

“Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil…” [Soerat as-Shoeraa (42), aayah 49.]

Wetenschappers ontkenden eerst dat het universum een begin heeft, maar nu accepteren zij dit feit. Waarom accepteren ze wel dat het universum met alles wat het bevat uit het niets is ontstaan, maar blijven koppig volhouden dat de eerste levende cel niet uit niets is ontstaan maar door een reeks toevallige ontwikkelingen?

“(Hij is de) Voortbrenger van de hemelen en de aarde: en wanneer Hij iets besloten heeft, dan zegt Hij er slechts tegen: ‘Wees!’ – waarna het is.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 117.]

Is er een fossiel van een giraffe met een nek met een lengte van twee derde, of drie vierde van de huidige neklengte? Zijn er fossielen van vogels met een snavel die zich uit een reptielenbek aan het evolueren is? Wanneer wij het fossielenverslag laten spreken, wijst de getuigenis ervan niet in de richting van evolutie. Het wijst veeleer in de richting van schepping. De fundamentele feiten van het fossielenverslag ondersteunen schepping en niet de evolutie.

De evolutietheorie zegt dat uit vissen amfibieën geëvolueerd zijn. Sommige amfibieën werden reptielen, uit reptielen ontstonden zowel zoogdieren als vogels. Uiteindelijk zijn enkele zoogdieren tot mensen geëvolueerd. Het fossielenverslag ondersteunt deze bewering niet!

 


De kloof tussen vissen en amfibieën

Kloof1Er is een zeer grote kloof tussen vissen en amfibieën. Het was de wervelkolom die de vissen onderscheidde van de ongewervelden. Deze wervelkolom zou belangrijke veranderingen moeten ondergaan om de wervelkolom van een amfibie te worden, van een dier dat zowel in het water als op het land kan leven. Er moest een bekken aan worden toegevoegd, maar er zijn geen fossielen van vissen bekend, waaraan te zien is hoe het bekken van amfibieën zich heeft ontwikkeld. In het geval van sommige amfibieën, zoals kikkers en padden, moest de gehele wervelkolom onherkenbaar veranderen. Ook de schedelbeenderen verschillen. Bovendien vereist de evolutie dat bij de vorming van amfibieën de vinnen van de vis zouden veranderen in ledematen met gewrichten en tenen, met in samenhang daarmee grote veranderingen in spieren en zenuwen. Kieuwen moesten veranderen in longen. Bij vissen wordt het bloed door een hart met twee kamers rondgepompt, maar bij amfibieën door een hart met drie kamers. Om de kloof tussen vissen en amfibieën te overbruggen, moest het gehoor een radicale verandering ondergaan. Over het algemeen vangen vissen geluid op via hun lichaam, maar de meeste padden en kikkers hebben een trommelvlies. De tong moest ook veranderen. Geen enkele vis heeft een uitsteekbare tong, maar amfibieën, zoals bijvoorbeeld de pad, hebben die wel. Amfibieën kunnen bovendien met hun ogen knipperen, aangezien ze een vlies bezitten dat ze over hun ogen kunnen laten glijden om ze schoon te houden. Vissen kunnen dit niet.

 

Links: een 140 miljoen jaar oud Coelacanth fossiel. Evolutionisten beweerden dat dit de overgangsvorm was van water naar land. Levende exemplaren van deze vis zijn regelmatig gevangen sinds 1938 en ze zijn een goed voorbeeld van de omvang van de speculaties waar evolutionisten zich mee bezig houden.

Links: een 140 miljoen jaar oud Coelacanth fossiel. Evolutionisten beweerden dat dit de overgangsvorm was van water naar land. Levende exemplaren van deze vis zijn regelmatig gevangen sinds 1938 en ze zijn een goed voorbeeld van de omvang van de speculaties waar evolutionisten zich mee bezig houden.

 


De kloof tussen amfibieën en reptielen

Pogingen om de kloof tussen amfibieën en reptielen te overbruggen, leveren weer andere ernstige problemen op. Eén van de grootste moeilijkheden is de oorsprong van het ei met een harde schaal. Dieren die er vóór de reptielen waren, legden hun zachte, geleiachtige eieren in het water, waar ze uitwendig werden bevrucht, zoals kikkerdril. Reptielen leven op het land en leggen hun eieren op het land. Maar het zich ontwikkelende embryo in het ei moet zich toch in een waterig milieu bevinden. Het ei met de harde schaal was het antwoord. Maar het vereiste tevens een grote verandering in het bevruchtingsproces: het vroeg om inwendige bevruchting, voordat het ei door een harde schaal wordt omgeven. Om dit te bewerkstelligen waren nieuwe geslachtsorganen nodig, een nieuw paringsgedrag en nieuwe instincten en dit alles vormt een reusachtige kloof tussen amfibieën en reptielen.

Dat het ei door een schaal werd omgeven, vroeg om verdere opmerkelijke veranderingen. Deze moesten het mogelijk maken dat zich daarbinnen een reptiel zou kunnen ontwikkelen en dat het dier zich uiteindelijk uit de schaal zou kunnen bevrijden. Er zijn bijvoorbeeld binnen de schaal verschillende membranen en zakken nodig, zoals het amnion. Dit bevat de vloeistof waarin het embryo groeit. Een ander membraan wordt het allantoïs genoemd: opgevangen en opgeslagen – het doet dus dienst als een soort blaas. Het bevat ook bloedvaten die zuurstof op nemen welke via de schaal binnenkomt en die deze zuurstof naar het embryo leiden.

Ook andere hierbij betrokken ingewikkelde verschillen zijn niet door de evolutietheorie verklaard. Embryo’s in de zachte eieren van vissen en amfibieën lozen hun afvalstoffen in de vorm van oplosbaar ureum in het omringende water. Maar ureum binnen de eieren (met een harde schaal) van reptielen zou dodelijk zijn voor het embryo. In het ei met een harde schaal is dus een belangrijke chemische verandering tot stand gebracht: de afvalstoffen, onoplosbaar urinezuur, worden in het allantoïs opgeslagen.
Bedenk ook dit eens: de eidooier bestaat uit voedsel voor het groeiende reptielembryo, waardoor het zich volledig kan ontwikkelen voordat het uit de schaal kruipt – dit in tegenstelling tot amfibieën, die niet in de volwassen vorm uit het ei komen. En om uit de schaal te komen heeft het embryo als onderscheidend kenmerk een eitand, waarmee het zich uit zijn ‘gevangenis’ bevrijdt.

Er is nog veel meer nodig om de kloof tussen amfibieën en reptielen te overbruggen, maar de hier genoemde voorbeelden tonen al aan dat de vele ingewikkelde veranderingen die daartoe vereist zijn, eenvoudig niet aan toeval toegeschreven kunnen worden. Geen wonder dat de evolutionist Archie Carr (#1) klaagde: “Eén van de frustrerende kenmerken van het fossielenverslag van de geschiedenis der gewervelden, is dat het zo weinig laat zien van de evolutie van reptielen in hun vroegste dagen, toen het ei met een harde schaal zich ontwikkelde.”

<<< (#1) Archie Fairly Carr, Jr. (1909–1987): een Amerikaanse herpetologist (een deskundige op het gebied van reptielen en amfibieën), ecoloog en een pionierend milieubeschermer. Hij was een Professor zoölogie (dierkunde) aan de Universiteit van Florida.>>>

 


De kloof tussen reptielen en vogels

Reptielen zijn koudbloedige dieren, hetgeen betekent dat hun lichaamstemperatuur op en neer gaat met de temperatuur van hun omgeving. Vogels zijn daarentegen warmbloedig; hun lichaam behoudt een betrekkelijk constante inwendige temperatuur, ongeacht de omgevingstemperatuur. Om het raadsel op te lossen hoe warmbloedige vogels uit koudbloedige reptielen zijn ontstaan, zeggen sommige evolutionisten nu dat enkele dinosauriërs (die tot de reptielen behoorden) warmbloedig waren. Maar de algemene zienswijze is nog steeds zoals Robert Jastrow (#2) opmerkt: “Dinosauriërs waren, net als alle reptielen, koudbloedige dieren.” Lecomte du Noüy (#3), de Franse evolutionist, zei met betrekking tot het denkbeeld dat warmbloedige vogels uit koudbloedige reptielen zijn ontstaan: “Dit is nog steeds één van de grootste raadsels der evolutie.” Hij gaf ook toe dat vogels ‘alle onbevredigende kenmerken van absolute schepping’ bezitten – onbevredigend voor de evolutietheorie, wel te verstaan.

<<< (#2) Robert Jastrow (1925–2008): een Amerikaans astronoom, natuurkundige en kosmoloog. Hij was een toonaangevende wetenschapper bij NASA.>>>

<<< (#3) Pierre Lecomte du Noüy (1883-1947): een Frans biofysicus en filosoof.>>>

Hoewel het waar is dat zowel reptielen als vogels eieren leggen, moeten alleen vogels hun eieren uitbroedden. Ze zijn erop gebouwd. Vele vogels hebben een broedvlek op hun borst – een plek waar geen veren groeien en waar zich een netwerk van bloedvaten bevindt om warmte voor de eieren te leveren. Sommige vogels hebben geen broedvlek, maar plukken de veren uit hun borst. Dat vogels hun eieren uitbroeden, vereiste ook dat de evolutie hen van nieuwe instincten zou voorzien – voor het bouwen van het nest, voor het uitbroeden van de eieren en voor het voeden van de jongen – zeer onzelfzuchtige en zorgzame gedragingen waarbij bekwaamheid, hard werk en vrijwillige blootstelling aan gevaar betrokken zijn. Dit alles vormt een reusachtige kloof tussen reptielen en vogels.

Maar er is nog veel meer!

VeerVeren zijn een uniek kenmerk van vogels. Evolutionisten veronderstellen dat deze verbazingwekkende structuren gewoon toevallig uit de schubben van het reptiel zijn voortgekomen. Aan weerszijden van de veerschacht bevinden zich rijen baarden. Elke baard bezit vele baardjes en elk baardje heeft honderden haakjes. Uit een microscopisch onderzoek van een duivenveer, kwam naar voren dat ze “ettelijke honderdduizenden baardjes en miljoenen haakjes” had. Deze haakjes houden alle delen van de veer bijeen om een glad oppervlak of een gladde “vlag” te krijgen. Niets overtreft de veer als draagvlak in de lucht en als isolatiemateriaal wordt ze door slechts weinig substanties geëvenaard.

Wanneer de baarden van deze veren van elkaar zijn losgeraakt, worden ze met de snavel gekamd. De snavel oefent druk uit terwijl de baarden erdoorheen gaan en de haakjes aan de baardjes grijpen weer in elkaar als de klauwtjes van een ritssluiting. De meeste vogels hebben aan de basis van de staart een vetklier waaruit ze vet halen om elke veer te verzorgen. Sommige vogels hebben geen vetklier, maar in plaats daarvan hebben ze speciale veren die aan de toppen gaan rafelen, zodat ze een fijn, talkachtig poeder produceren om hun veren in goede staat te houden. En het verenkleed wordt gewoonlijk eens per jaar vernieuwd door de rui.

Beschouw, met deze kennis omtrent de veer, nu eens de volgende nogal verbazingwekkende poging om de ontwikkeling ervan te verklaren: “Hoe is dit structurele wonder geëvolueerd? Er is niet veel verbeeldingskracht voor nodig om een veer als een gewijzigde schub te zien, een lange schub die losjes was bevestigd en waarvan de uiteinden gingen rafelen en zich uitspreidden, totdat ze evolueerde tot de zeer complexe structuur die ze thans is.” Maar bent u van mening dat zo’n verklaring echt wetenschappelijk is? Of lijkt het meer op sciencefiction?

 

Een voorbeeld van de evolutionistische scenario’s: dinosaurussen die plotseling vleugels krijgen tijdens het proberen vangen van vliegen!

Een voorbeeld van de evolutionistische scenario’s: dinosaurussen die plotseling vleugels krijgen tijdens het proberen vangen van vliegen!

Overdenk verder eens hoe de vogel gebouwd is om te vliegen. De beenderen van de vogel zijn dun en hol, in tegenstelling tot de massieve beenderen van het reptiel. Toch is er kracht nodig om te vliegen en dus bevinden zich binnen in de beenderen van de vogel stutten, gelijkend op de spanten binnen in een vliegtuigvleugel. Dit ontwerp van de beenderen dient nog een doel: het helpt nog een exclusief wonder van vogels te verklaren – hun ademhalingsstelsel.

De gespierde vleugels waarmee de vogel uren of zelfs dagen achtereen kan vliegen, produceren veel warmte. Maar zonder zweetklieren die voor afkoeling zouden kunnen zorgen, kan de vogel dit probleem toch oplossen – hij heeft een luchtgekoelde “motor”. Een stelsel van luchtzakjes reikt tot in bijna elk belangrijk deel van het lichaam, zelfs tot in de holle beenderen; en door deze inwendige luchtcirculatie wordt lichaamswarmte afgestaan. Dankzij deze luchtzakjes onttrekken vogels tevens op een veel efficiëntere manier, dan enig ander gewerveld dier, zuurstof aan de lucht. Hoe gaat dit in zijn werk?

Bij reptielen en zoogdieren nemen de longen lucht op en staan die weer af, net als blaasbalgen die zich afwisselend vullen en legen. Maar bij vogels gaat er een voortdurende stroom verse lucht door de longen, zowel tijdens het inademen als tijdens het uitademen. Eenvoudig gezegd werkt het stelsel als volgt: wanneer de vogel inademt, gaat de lucht naar bepaalde luchtzakjes; deze dienen als blaasbalg om de lucht in de longen te blazen. Vanuit de longen gaat de lucht naar andere luchtzakjes en verlaat het vervolgens het lichaam. Dit betekent dat er voortdurend een stroom verse lucht in één richting door de longen gaat, zoals water dat door een spons vloeit.
Het bloed in de haarvaten van de longen stroomt echter in tegengestelde richting. Deze tegenstroom van de lucht ten opzichte van het bloed maakt het ademhalingsstelsel van de vogel zeer buitengewoon. Dankzij dit stelsel kunnen vogels ademhalen in de ijle lucht op grote hoogten, wanneer ze tijdens hun trek van duizenden kilometers, dagen achtereen op zo’n 6000 meter hoogte vliegen.

 

Speciale longen voor vogels.

Speciale longen voor vogels.

Er zijn nog meer kenmerken die de kloof tussen vogels en reptielen vergroten. Eén daarvan is het gezichtsvermogen. De arend heeft ogen die als een telescoop werken, terwijl anderzijds het woudzangertje ogen heeft die als een vergrootglas werken. Vogels hebben meer lichtgevoelige cellen in hun ogen dan enig ander levend wezen. Ook de poten van vogels zijn anders. Wanneer vogels op een tak gaan zitten om te rusten of slapen, sluiten hun tenen door middel van pezen automatisch rond de tak. En ze hebben slechts vier tenen in plaats van de vijf die reptielen bezitten. Bovendien hebben ze geen stembanden, maar een syrinx waaruit melodieuze klanken, zoals die van de nachtegaal of de spotvogel, voortkomen. Bedenk ook dat reptielen een hart met drie kamers hebben; het hart van een vogel heeft vier kamers. Ook de snavel onderscheidt de vogels van de reptielen: snavels die als notenkraker dienst doen, snavels die voedsel uit modderig water filtreren (b.v. de flamingo), snavels die gaten in bomen hameren (b.v. de specht), de snavel van de kruisbek, waarmee hij dennenappels openbreekt – het lijkt een eindeloze verscheidenheid. En toch zegt men dat de snavel, die van zo’n gespecialiseerd ontwerp getuigt, bij toeval is geëvolueerd uit de neus van een reptiel! Vindt u dat een geloofwaardige uitleg?

Fossiel2Eens geloofden evolutionisten dat Archaeopteryx, wat “oude vleugel” of “oude vogel” betekent, een schakel was tussen reptielen en vogels. Nu zijn velen deze mening echter niet meer toegedaan. De fossiele overblijfselen van dit dier onthullen dat het volmaakt gevormde veren had gevestigd aan aërodynamische vleugels waarmee het kon vliegen. De beenderen van zijn vleugels en poten waren dun en hol. Zijn verondersteld reptielachtige kenmerken worden ook thans bij vogels aangetroffen. En hij was geen voorganger van de vogels, want in gesteenten uit dezelfde periode als die van Archaeopteryx zijn ook fossielen van andere vogels gevonden.

 


De kloof tussen reptielen en zoogdieren

VleermuisGrote verschillen veroorzaken een grote kloof tussen reptielen en zoogdieren. Alleen al de naam “zoogdier” wijst op een groot verschil: de aanwezigheid van klieren die melk produceren voor het zogen van de jongen, die levend worden geboren.

Theodosius Dobzhansky (een Oekraïens-Amerikaans geneticus, entomoloog, evolutiebioloog en theïstisch evolutionist) suggereerde dat deze melkklieren “wellicht veranderde zweetklieren zijn”. Maar reptielen hebben zelfs geen zweetklieren! Bovendien staan zweetklieren afvalproducten af, geen voedsel. En in tegenstelling tot reptielbaby’s hebben de jongen van zoogdieren zowel het instinct als de spieren om melk bij hun moeder te drinken. Zoogdieren bezitten nog andere kenmerken die niet bij reptielen worden aangetroffen; zoogdiermoeders hebben een zeer ingewikkelde placenta voor de voeding en ontwikkeling van hun ongeboren jong, reptielen niet. Reptielen bezitten geen middenrif, dat de borstholte van de buikholte scheidt, maar zoogdieren wel. Het orgaan van Corti in de oren van zoogdieren vindt men niet in de oren van reptielen.
Dit kleine ingewikkelde orgaan heeft 20.000 haarcellen en 30.000 zenuwuiteinden. Zoogdieren hebben een constante lichaamstemperatuur, reptielen niet. Zoogdieren hebben ook drie beenderen in hun oren, terwijl reptielen er slechts één hebben. Waar zijn die twee “extra” beenderen vandaan gekomen?

De evolutietheorie tracht het als volgt uit te leggen: reptielen hebben op zijn minst vier beenderen in de onderkaak, terwijl zoogdieren er slechts één hebben; toen reptielen zoogdieren werden, moet er dus een verschuiving van beenderen hebben plaatsgevonden; enkele beenderen uit de onderkaak van het reptiel verhuisden naar het middenoor van het zoogdier, zodat daar nu drie beenderen waren en in dit proces bleef er slechts één voor de onderkaak van het zoogdier over.

Het probleem met deze redenatie is echter dat er helemaal geen fossiel bewijsmateriaal is om dit te ondersteunen. Het is veeleer een hoopvolle gissing met veel fantasie!

 

Schildpadden waren altijd schildpadden.

Schildpadden waren altijd schildpadden.

Nog een probleem in verband met beenderen: de poten van reptielen zitten zijdelings aan het lichaam vast, zodat de buik zich op of dicht bij de grond bevindt. Bij zoogdieren bevinden de poten zich echter op het lichaam en heffen het van de grond op. Dobzhansky zei over dit verschil: “Voor deze verandering, hoe gering deze ook mag lijken, zijn uitgebreide wijzigingen van skelet en spierstelsel noodzakelijk geweest.” Vervolgens erkende hij nog een groot verschil tussen reptielen en zoogdieren: “Zoogdieren hebben hun tanden veel verder ontwikkeld. In plaats van de eenvoudige spitse tanden van het reptiel, bestaat er bij zoogdieren een grote verscheidenheid aan tanden en kiezen, die geschikt zijn voor het afbijten, vastgrijpen, doorboren, afsnijden, vermorzelen of vermalen van voedsel.”

Een laatste punt: bij de veronderstelde evolutie van amfibie tot reptiel hebben wij opgemerkt dat de afgescheiden afvalproducten waren veranderd van ureum in urinezuur. Maar toen reptielen zoogdieren werden, gebeurde het tegenovergestelde. Zoogdieren keerden terug tot de manier waarop amfibieën hun afvalstoffen afscheiden, namelijk als ureum. De evolutie ging dus in feite terug – iets wat ze volgens de theorie niet behoort te doen!

 


De allergrootste kloof

Fysiek gezien voldoet de mens aan de algemene definitie van een zoogdier. Een evolutionist zei echter: “Men zou geen tragischer vergissing kunnen begaan dan de mens als ‘louter een dier’ te beschouwen. De mens is uniek; vele kenmerken doen hem verschillen van alle andere dieren, kenmerken zoals spraak, traditie, cultuur en een buitengewoon lange periode van groei en ouderlijke zorg.”

 

Recent onderzoek onthulde dat het onmogelijk is voor een gebogen aapskelet, geschikt voor de beweging van een viervoeter, om te ontwikkelen in een menselijk rechtop staand skelet, dat geschikt is voor de beweging van een tweebenige.

Recent onderzoek onthulde dat het onmogelijk is voor een gebogen aapskelet, geschikt voor de beweging van een viervoeter, om te ontwikkelen in een menselijk rechtop staand skelet, dat geschikt is voor de beweging van een tweebenige.

Elaine Morgan, een evolutionistische paleoanthropologiste [vooral bekend van haar boeken over de watermensaap-theorie (Aquatic Ape Hypothesis)], gaf het volgende toe: vier van de meest opmerkelijke mysteries omtrent de mens zijn: 1) Waarom lopen zij op twee benen? 2) Waarom hebben zij hun vacht (haren) verloren? 3) Waarom hebben zij zulke grote hersenen ontwikkeld? 4) Waarom leerden zij spreken?

De orthodoxe antwoorden op deze vragen waren: 1) “We weten het nog niet.” 2) “We weten het nog niet.” 3) “We weten het nog niet.” 4) “We weten het nog niet.” De lijst met vragen kan aanzienlijk verlengd worden zonder invloed te hebben op de eentonigheid van de antwoorden. (Elaine Morgan: Oxford University Press, 1994, p. 5.)

ZenuwWat de mens van alle andere levende wezens op aarde onderscheidt, zijn de hersenen. De informatie die in de ongeveer 100 miljard neuronen van de menselijke hersenen is opgeslagen, zou zo’n 20 miljoen boekdelen kunnen vullen! Abstract denken en spraak onderscheiden de mens van elk dier en het vermogen om zijn toenemende kennis op te tekenen, is één van de opmerkelijkste kenmerken van de mens. Het gebruik van deze kennis heeft hem in staat gesteld alle andere levende wezens op aarde te overtreffen – zelfs een reis naar de maan te maken. Het is werkelijk waar wat een geleerde zei, namelijk dat de hersenen van de mens “anders en oneindig veel ingewikkelder zijn, dan al het andere wat zich in het bekende universum bevindt.”

Ook het gezicht van de mens is opmerkelijk. Het bevat vele spieren die ervoor zorgen dat we vele verschillende gezichtsuitdrukkingen kunnen maken. Er is geen enkel dier dat ook maar in de buurt komt van de gezichtselasticiteit van de mens.

Een kenmerk dat de kloof tussen mens en dier tot de allergrootste maakt, is het feit dat de mens morele en geestelijke waarden kent, die voortspruiten uit eigenschappen zoals liefde, gerechtigheid, wijsheid, macht en barmhartigheid.

<<< Imaam Ibn al-Qayyiem al-Djawziyyah schreef in zijn boek ‘Oeddat oes-Saabirien wa Dzakhirat oes-Shaakirien: “Allah heeft engelen geschapen met verstand en geen begeertes, dieren met begeertes en geen verstand, en de mens (alsook de djinn) met zowel verstand als begeertes. Dus als het verstand van een persoon sterker is dan zijn begeertes, is hij (bij wijze van spreken) beter dan een engel. En als zijn begeertes sterker zijn dan zijn verstand, dan is hij (bij wijze van spreken) erger dan een dier…”>>>

Waarom bestaan de “inferieure” mensapen nog steeds, maar is er geen enkele “superieure aapmens” meer? Waar zijn de tussenstappen?

Er zijn slechts zeer weinig beenderen gevonden die afkomstig zouden zijn van ‘mensapen’. Deze beenderen zouden passen op een biljarttafel. Er zijn geen bewijzen van een biologische verandering in hersenomvang of hersenstructuur sinds Homo sapiens zo’n vijftigduizend jaar geleden in het fossielenverslag verschenen.

Tekeningen van ‘aapmensen’ zijn gebaseerd op verbeelding, fictie en verzinsels. Uit een zeer kleine fractie, vaak niet meer dan een kaak of een stuk ander bot, wordt er een compleet wezen ‘gecreëerd’, of beter gezegd, verzonnen. Ook gebeurt het regelmatig dat wetenschappers botten van verschillende dieren combineren. Dit als wanhoopspoging om te bewijzen dat de mens afstamt van de aap. Tot nu toe bleken alle claims op het “bewijs” vals te zijn.

 

Een enkel kaakbeen als bron van inspiratie.

Een enkel kaakbeen als bron van inspiratie.

Er bestaan derhalve enorme verschillen tussen de hoofdafdelingen van het leven. Ze worden van elkaar gescheiden door vele nieuwe structuren, geprogrammeerde instincten en eigenschappen. Is het redelijk te denken dat deze verschillen door ongeleide toevallige gebeurtenissen ontstaan kunnen zijn? Zoals wij hebben gezien, wordt die opvatting niet door fossiele bewijzen ondersteund. Tussenvormen ontbreken in het fossielenverslag. Wij begrijpen nu waarom: omdat er geen tussenvormen waren. Voor degenen die hun ogen en hun oren niet hebben toegesloten, zegt het fossielenverslag: SCHEPPING.

Het is God Die schept wat Hij wil. Allah de Verhevene zegt ons in de Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Zijn Bevel – wanneer Hij iets wil – is slechts dat Hij er tegen zegt: ‘Wees!’ – waarna het is.” [Soerat Yaa-e Sien (36), aayah 82.]

“Hoe kunnen jullie ongelovig zijn in Allah (of anderen aanbidden naast Hem)!? Jullie (zielen) waren (tenslotte) levenloos, vervolgens bracht Hij jullie tot leven. Vervolgens zal Hij jullie laten sterven (in deze wereld), vervolgens zal Hij jullie wederom tot leven brengen (op de Dag der Opstanding). Vervolgens zullen jullie tot Hem terugkeren (voor de beoordeling, en beloning dan wel bestraffing ontvangen).” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 28.]

 


Conclusie: hiaat in het fossielen verslag

Toen Charles Darwin zijn theorie publiceerde, dat alle ons bekende levende wezens familie van elkaar zijn, oogstte hij van de kant van paleontologen voornamelijk hoofdschudden. Reeds toen was te onderkennen, dat de noodzakelijke overgangsvormen tussen de afzonderlijke basissoorten systematisch ontbraken. Tegenwoordig kan men dat hiaat, op basis van waarnemingen, wel het hoofdkenmerk van het fossielenverslag noemen. Onder het hiaat verstaat men, dat geen nieuwe vormen en organen ontstaan en de basissoorten fundamenteel over de gehele geschiedenis van de aarde onveranderd zijn gebleven.

Op basis van het systematisch ontbreken van essentiële gerichte veranderingen bij de fossielen, moet de veronderstelde evolutie van de levende wezens als mythe worden beschouwd. In de ontwikkeling van de meeste fossiele soorten vertonen zich twee wezenlijke kentekenen, die een langzame en in kleine stapjes verlopende ontwikkeling (gradualisme) duidelijk weerspreken: het hiaat en het plotseling verschijnen van nieuwe soorten.

Hiaat:

de meeste soorten vertonen geen doelgerichte veranderingen in het verloop van geologische lagen waarin zij opduiken. Vanaf het tijdstip van hun eerste verschijning tot hun verdwijnen zijn slechts begrensde en richtingloze veranderingen vast te stellen.

Plotseling verschijnen van nieuwe soorten:

Fossiel3Binnen de geologische tijdlijn verschijnen nieuwe soorten in de regel plotseling en als “volledig ontwikkelde” soorten. Men heeft nog nooit fossielen gevonden, die het proces van een geleidelijke transformatie van één soort naar een andere aantonen. (Stephen Jay Gould, geciteerd in Phillip E. Johnson, Darwin im Kreuzverhör, CLV, p. 66.) Onder de beroemde ammonieten zijn enkele stapsgewijze veranderingen aantoonbaar. Bij deze fossielen hebben zich echter slechts de grootte en de structuur van het oppervlak veranderd (micro-evolutie).

Historische achtergrond (Niles Eldredge, geciteerd in Phillip E. Johnson, Darwin im Kreuzverhör, CLV, p. 76-77):

“Wij paleontologen hebben gezegd, dat de geschiedenis van het leven (de stelling van een geleidelijke verandering door aanpassing) ondersteund wordt door het fossielen verslag, terwijl wij in feite de hele tijd al wisten dat dit niet waar is,” geeft de beroemde paleontoloog Niles Eldredge (#4) toe. Zo heeft zich in de loop van de tijd een feitelijk beroepsgeheim bij paleontologen ontwikkeld, dat deze evolutionaire tussenvormen niet bestaan.

<<< (#4) Niles Eldredge (1943): een Amerikaans paleontoloog en evolutiebioloog. In 1972 ontwierp hij samen met Stephen Jay Gould een nieuwe variant van de evolutietheorie, die er van uit gaat dat de evolutie niet geleidelijk gaat maar afwisselend lange perioden kent van stabiliteit en korte perioden waarin groeispurten optreden in de evolutionaire ontwikkeling van soorten.>>>

“Het blijkt dat elke nieuwe generatie enige jonge paleontologen oplevert die ertoe verleid worden voorbeelden van de evolutionaire verandering in hun fossielen te documenteren. De veranderingen, waarnaar zij zochten, zullen natuurlijk van een geleidelijk voortgaande soort zijn. In de meeste gevallen zijn hun inspanningen niet met succes bekroond – hun fossielen schijnen feitelijk onveranderd te blijven, in plaats van de verwachte evolutionaire vormen te vinden…,” geeft Eldredge toe.

Deze buitengewoon grote constantheid in de fossielen ziet er voor paleontologen, die per se bewijzen voor de evolutionaire verandering willen vinden, uit alsof er geen evolutie plaatsgevonden heeft. Maar omdat het basisconcept van de evolutie voor hen als vanzelfsprekend geldt, wordt het hiaat gewoonlijk als “voor de resultaten irrelevant” beschouwd en de missende fossiele tussenvormen met “een gat in het fossielenverslag” verklaard.

Gelijkblijvende soorten (Willem J. Ouweneel, Evolution in der Zeitenwende, Christliche Schriftenverbreitung Hückeswagen, p. 146.):

Onder gelijkblijvende soorten verstaat men planten- en diersoorten, die gedurende de gehele geologische tijd bijna of volledig onveranderd zijn gebleven. Bijvoorbeeld:

– Virussen, bacteriën en schimmels sinds het Precambrium
– Sponzen, slakken en kwallen sinds het Cambrium
– Mossen, zeesterren en wormen sinds het Ordovicium
– Schorpioenen en koralen sinds het Siluur
– Haaien en longvissen sinds het Devoon
– Varens en kakkerlakken sinds het Carboon
– Kevers en libellen sinds het Perm
– Dennen en palmen sinds het Trias
– Krokodillen en schildpadden sinds het Jura
– Eenden en pelikanen sinds het Krijt
– Ratten en egels sinds het Paleoceen
– Maki’s en neushoorns sinds het Eoceen
– Bevers, eekhoorns en mieren sinds het Oligoceen
– Kamelen en wolven sinds het Mioceen
– Paarden en olifanten sinds het Plioceen

Op basis van het evolutiemodel verwacht men, dat de soorten voortdurend veranderen. In plaats daarvan worden zij in de regel in alle geologische lagen, waarin zij aanwezig zijn, onveranderd gevonden. De links tussen de soorten ontbreken volledig. Kortom, het proberen om Gods bestaan tegen te spreken met valsheid, is als een onnozele die probeert elektrisch licht als een kaars uit te blazen.

Deel 1 – Evolutie of schepping?
Deel 2 – De kloof
Deel 3 – Wonderen in ons en rondom ons