De duivelsverzen

Zij zijn de hoogvliegende kraanvogels

DuivelsverzenDoor Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah

Alle lof is voor Allah, de Heer der werelden, en vrede en zegeningen zijn met de profeet, zijn familieleden, metgezellen en eenieder die hen in het goede volgt. Voorts.

Ibn Kethier zegt in zijn Tefsier: “De Koran (Arabisch: al-Qor-aan) heeft een wonderbaarlijke aard welke niet nagemaakt kan worden. Niemand kan iets voortbrengen dat lijkt op de Qor-aan, noch tien soewar (hoofdstukken), niet eens één vergelijkbare soerah. De eloquentie, precisie en bevalligheid van de Qor-aan kunnen van niemand afkomstig zijn behalve van Allah. De belangrijke en talrijke principes en betekenissen in de Qor-aan – die van grote waarde zijn voor zowel deze wereld als voor het Hiernamaals – kunnen van niemand afkomstig zijn behalve van Allah.”

Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En als jullie (O Arabische heidenen, joden en christenen) in onzekerheid verkeren betreffende hetgeen Wij op Onze dienaar (Moh’ammed) hebben neergezonden (d.w.z. de Qor-aan), breng dan een soerah (hoofdstuk) voort dat daaraan gelijk is en roep jullie getuigen (aanhangers en helpers) naast Allah op, als jullie oprecht zijn. Maar als jullie dat niet doen, en jullie kunnen dat nooit doen, vrees dan het Vuur (de Hel) wiens brandstof mensen en stenen is, gereedgemaakt voor de ongelovigen.” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 23-24.]

Dit wil zeggen dat zij nooit in staat zullen zijn – alleen of in groepen – deze uitdaging te beantwoorden. Dit is een ander wonder omdat Allah de Verhevene duidelijk aangeeft dat de Qor-aan nooit ontkracht of betwist kan worden door iets gelijkwaardigs, zonder twijfel, voor eeuwig. Dit is een waarachtige uitspraak welke tot op de dag van vandaag niet is veranderd en ook nooit zal veranderen. Hoe kan iemand in staat zijn om iets gelijkwaardigs aan de Qor-aan voort te brengen, terwijl de Qor-aan het Woord van God is, Die alles schiep? Hoe kunnen de woorden van het geschapene ooit gelijkwaardig zijn aan de Woorden van de Schepper? (Er zijn nog 4 andere aayaat die deze uitdaging afkondigen, namelijk 10:38, 11:13, 17:88 en 52:34.)

Allah de Verhevene zegt ook in de Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Overpeinzen zij de Qor-aan (Koran) dan niet? En als het van iemand anders dan Allah geweest zou zijn, dan zouden zij daarin veel tegenstrijdigheden vinden (#1).” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 82.]

<<< (#1) Het feit dat de Qor-aan vrij is gebleven van inconsistenties en tegenstrijdigheden ondanks alle aangrijpende veranderingen en turbulente gebeurtenissen in het leven van de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gedurende de drieëntwintig jaar van het “ontvouwen” van het goddelijke Schrift, had hen moeten overtuigen dat het niet “samengesteld is door Moh’ammed” (een beschuldiging die herhaaldelijk tegen hem werd uitgebracht door niet alleen zijn tijdgenoten, maar ook door ongelovigen van latere tijden), maar dat het alleen van goddelijke oorsprong kon zijn. (The Message of the Qur’aan, Moh’ammed Asad.)>>>

Waarlijk, de Qor-aan bevat geen enkele tegenstrijdigheid. En als een overijverige zoeker naar fouten dan toch iets heeft gevonden waarvan hij denkt dat het tegenstrijdig is, zal na nader onderzoek en met de juiste tefsier (uitleg, interpretatie) blijken dat hij het verkeerd begrepen heeft en dat het toch volledig met elkaar in overeenstemming is.

Dus wat blijft er over om het laatste geopenbaarde Boek van God te kraken!? Aangezien de slachtoffers van satan, de haters van waarheid, zedelijkheid en hoge moreel, de Qor-aan niet kunnen weerleggen, hebben zij toevlucht gezocht naar het verzinnen van leugens om de Qor-aan in diskrediet te brengen. Een voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde “Duivelsverzen”, een favoriet onderwerp van vele oriëntalisten.

Met de duivelsverzen worden die verzen bedoeld die Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in eerste instantie zou hebben uitgesproken, maar die later zouden zijn vervangen. De bedoelde verzen zouden niet overgebracht zijn door de engel Djibriel (Gabriël – vrede zij met hem), maar zouden door Iblies – de shaytaan (satan, de duivel) – op de tong van Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gelegd zijn. Zij zouden gevolgd zijn op aayah 19 en 20 van soerat an-Nadjm (53), waar al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat vermeld worden, drie zeer populaire afgodsbeelden die door de heidense Arabieren vereerd werden (Nederlandstalige interpretatie): “Hebben jullie (O afgodenaanbidders) dan nagedacht over al-Laat (#2) en al-‘Oezzaa (#3) (twee afgodsbeelden van de heidense Arabieren)? En Manaat (#4) (een ander afgodsbeeld), de derde, de andere?” [Soerat an-Nadjm (53), aayah 19-20.]

<<< (#2) Al-Laat was een witte steen met inscripties. Er was een huis om al-Laat gebouwd in de stad at-Taa-if, met gordijnen, dienaren en een heilige tuin er om heen. Volgens ‘Abdoellaah ibn ‘Abbaas, Moedjaahid en ar-Rabi’ ibn Anas, was al-Laat een man die sawiq (een soort van gerstepap) mengde met water voor de pelgrims tijdens de periode van djaahiliyyah (Onwetendheid). Toen hij overleed, bleven zij bij zijn graf en begonnen hem te aanbidden. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

<<< (#3) Al-‘Oezzaa was een boom waaraan de polytheïsten een gedenkteken en doeken bevestigden, in het gebied van Nakhlah, tussen Mekkah en at-Taa-if. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

<<< (#4) Manaat was een ander afgodsbeeld in het gebied van Mushallal, vlak bij Qudayd, tussen Mekkah en al-Medienah. Er waren veel meer afgodsbeelden op het Arabische schiereiland die de Arabieren vereerden zoals zij de Ka’bah vereerden. Allah de Verhevene noemt in deze aayaat deze drie afgodsbeelden omdat zij meer bekend waren dan de andere. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

Wat men verzonnen heeft, is een verhaal wat aangeeft dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) soerat an-Nadjm reciteerde aan de afgodenaanbidders totdat hij bij aayah 19 en 20 aankwam. Vervolgens zou de satan woorden in de mond van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gelegd hebben (een duivelse openbaring), zonder dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in de gaten had dat deze woorden van de satan waren, en hij zou na aayah 19 en 20 gezegd hebben: “Zij (al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat) zijn de verheven gharaanieq (of hoogvliegende kraanvogels), op wier voorspraak gehoopt wordt.” De ongelovigen waren zeer tevreden met deze lofuiting van hun drie afgoden. Het wordt ook wel gezien als een tijdelijke concessie tegenover het Arabische polytheïsme van die tijd.

Volgens het verhaal van al-gharaanieq, zoals dat opgenomen is door at-Tabarie in zijn Tefsier en boek over de geschiedenis, zag de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat het volk van Mekkah hem de rug toekeerde en dat zijn van Allah ontvangen boodschap hen koud liet. Aldus verlangde de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) naar een boodschap van zijn Heer, waardoor hij zich kon verzoenen met de Mekkanen. Hij hoopte dat de hindernis die tussen hem en de Mekkanen stond zo kon worden weggenomen. Daarop daalde soerat an-Nadjm neer. Nadat hij de verzen (Nederlandstalige interpretatie): “Hebben jullie (O afgodenaanbidders) dan nagedacht over al-Laat en al-‘Oezzaa? En Manaat, de derde, de andere?” had bereikt, legde Iblies op de tong van Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): “Zij zijn de verheven gharaanieq (of hoogvliegende kraanvogels), op wier voorspraak gehoopt wordt.”

Toen de afgodenaanbidders dit hoorden, waren zij dolgelukkig over de manier waarop de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) over hun goden sprak. Volgens het verhaal stemden de afgodenaanbidders door deze goddelijke status van hun drie afgoden in met toetreding tot de Islaam waardoor Moh’ammeds leger aanzienlijk versterkt werd. Zij zouden gezegd hebben: “We hebben altijd geweten dat Allah schept en leven geeft, dat Hij eten schenkt en opwekt. Maar onze goden bemiddelen voor ons bij Hem. Nu dat jij hen een plaats in jouw nieuwe religie gegeven hebt, zullen wij allemaal met jou zijn.”

Ook de gelovigen zouden – volgens dit verhaal – van mening zijn dat deze boodschap van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werkelijk het Woord van Allah de Verhevene was en de moslims die naar Ethiopië geëmigreerd waren, vertrokken weer naar Mekkah toen zij hoorden dat de Qoeraysh moslims geworden waren. Maar na enige tijd kwam Gabriël (vrede zij met hem) bij Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en vertelde hem dat hij woorden had gesproken die niet van Allah de Verhevene afkomstig waren maar van de satan. Het verhaal gaat als volgt verder: vervolgens kwam Djibriel (vrede zij met hem) bij de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) en zei tegen hem (Nederlandstalige interpretatie): “Wat heb je gedaan!? Je reciteerde aan de mensen wat ik niet tot jou gebracht heb van Allah, en je zei dingen die Hij niet gezegd heeft.” De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd hierdoor zeer verdrietig en bang. Als troost liet Allah hem weten dat alle profeten vóór hem ook wensen en verlangens hadden, die vervolgens door de satan op hun tong werden gelegd. Daarom zou het volgende vers uit soerat al-H’adj (22) neergezonden zijn (Nederlandstalige interpretatie): “En Wij zonden geen boodschapper vóór jou, noch een profeet, of de satan wierp twijfel (m.b.t. degenen die hem horen) in zijn recitatie wanneer hij (de boodschapper) reciteerde, waarna Allah teniet doet wat de satan werpt. Vervolgens bevestigt Allah Zijn verzen. (#5) En Allah is Alwetend, Alwijs.” [Soerat al-H’adj (22), aayah 52.]

<<< (#5) Sheikh ‘Abdoer-Rah’maan ibn as-Sa’die gaf in zijn Taysier al-Kariem ar-Rah’maan fie Tefsier Kalaam al-Mannaan aan “dat de shaytaan twijfel werpt in zijn recitatie”: “Door zijn manieren en listen, wat tegenstrijdig is aan die recitatie, ook al heeft Allah Zijn boodschappers feilloos gemaakt m.b.t. hetgeen zij van Hem verkondigen. Hij heeft Zijn openbaring beschermd dat deze in twijfel getrokken kan worden, of dat het vermengd raakt met iets anders. Deze werping van de shaytaan is niet blijvend en voortdurend, maar het is slechts incidenteel, het komt voor en vergaat.” Ibn Kethier zei in zijn Tefsier: “Vele geleerden van tefsier noemen op dit punt (bij dit vers) het verhaal over de gharaanieq (of hoogvliegende kraanvogels) en hoeveel van degenen die geëmigreerd waren naar Ethiopië terugkeerden (naar Mekkah) toen zij dachten dat de afgodenaanbidders van de Qoeraysh moslims waren geworden. Maar al deze overleveringen zijn overgeleverd via moersal (#A) ketens en ik denk dat geen één van hen een moesned (#B) keten heeft. En Allah weet het best.” Imaam Ibn Khoezaymah zei: “Dit verhaal (het verhaal van al-gharaanieq) is een verzinsel van az-zanaadiqah (ongelovigen en huichelaars).” Al-Imaam Moh’ammed ibn Ish’aaq, de verzamelaar van de biografie van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), werd gevraagd over het verhaal van al-gharaanieq waarop hij antwoordde: “Dit is een verzinsel van az-zanaadiqah en hij schreef hierover een boek.” (#A) Moersal (niet toegeschreven) – een h’adieth waarvan aan het eind van de keten van overleveraars, degenen die na de taabi’ie (volgeling) komen, ontbreken. (Teysier Mostalah’ al-H’adieth van dr. Mah’moed at-Tahh’aan.) (#B) Moesned (toegeschreven) – een h’adieth waarvan de keten van overleveraars ononderbroken is tot de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). (Teysier Mostalah’ al-H’adieth van dr. Mah’moed at-Tahh’aan.)>>>

De verzen waarover Allah de Verhevene zegt dat Hij ze zou bevestigen, zijn ongetwijfeld de verzen die Hij vervolgens openbaarden, om zo ongedaan te maken wat de duivel had gezegd over de afgoden van Mekkah. Dit gebeurde in het vervolg van soerat an-Nadjm (#6) (Nederlandstalige interpretatie): “Zijn voor jullie de mannen (zonen) en voor Hem de vrouwen (dochters)? Dat is dan een oneerlijke verdeling! (#7) Zij (al-Laat, al-‘Oezzaa en Manaat) zijn slechts namen die jullie gaven (verzonnen), jullie en jullie vaders, waarvoor Allah geen bewijs neergezonden heeft. Zij volgen slechts het vermoeden (#8) en wat de zielen (zij zelf) begeren (#9), terwijl de leiding van hun Heer werkelijk tot hen kwam (d.m.v. verschillende boodschappers).” [Soerat an-Nadjm (53), aayah 21-23.]

<<< (#6) Ook al is er een enorm tijdsinterval tussen de openbaring van soerah 53 (an-Nadjm), van rond het vijfde jaar van de missie van Allahs boodschapper (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), en die van soerah 22 (al-H’adj), ofwel het dertiende jaar van de Mekkaanse periode of (volgens een andere mening) in de begin periode van al-Medienah.>>>

<<< (#7) Deze drie godinnen, genoemd in 53:19-20, werden door de heidense Arabieren beschouwd als “dochters van God” en werden samen met de engelen (die zij ook zagen als vrouwelijk) in bijna heel Arabië aanbeden. Hoewel zij voor zichzelf dochters verafschuwden en dit schandelijk achtten, kenden zij Allah de Verhevene dochters toe!>>>

<<< (#8) Een zinspeling op het heidense idee dat deze godinnen, alsook de engelen, dienst zouden doen als “bemiddelaars” voor hun aanbidders bij God: een ijdele hoop welke zelfs voortleeft onder b.v. de katholieken, onder het mom van verering van heilig verklaarde personen, wier voorspraak zij vragen (zie o.a. Catechismus van de Katholieke Kerk KKK2692). Volgens hen is de heilige tot voorspraak van de gelovigen bij God, wat in feite shirk (afgoderij) is, wat ook de protestanten geloven die dus niet aan heiligverklaring doen.>>>

<<< (#9) Zij hadden geen bewijs hiervoor, slechts vertrouwen in hun voorvaders die dit valse pad vroeger namen, alsook hun begeerten om leiders te worden, eer te verwerven en hun voorouders te vereren. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

Hierop zouden de Mekkanen gezegd hebben dat Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) spijt had van wat hij over de afgoden had gezegd, en dat hij het daarom veranderde en met iets anders was gekomen.

Echter, dit hele verhaal is ongetwijfeld gebaseerd op een verzonnen overlevering (een mawdoe’ h’adieth) en nu volgt een weerlegging van dit verzinsel.

Allah de Verhevene zegt in de Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Wij zijn het Die ad-Dzikr (de Herinnering, de Vermaning: de Qor-aan) hebben neergezonden. En waarlijk, Wij zijn zeker Wakers daarover.” [Soerat al-H’idjr (15), aayah 9.]

Hier belooft Allah de Verhevene ons dat Hij over de betrouwbaarheid van de Qor-aan waakt en dat Hij het zal beschermen.

Volgens het verhaal over al-gharaanieq zou het duivelsvers afgeschaft zijn (neskh) door aayah 53:21-23. Maar als we naar de definitie van neskh in de islamitische wetenschappen kijken: “De afschaffing van een regel door een regel die erna geopenbaard is,” dan kan dit niet van toepassing zijn op het duivelsvers. Het zinsdeel “…van een regel…” beduidt dat neskh alleen geldt voor wetten (as-sharie’ah) en niet voor geloofsovertuigingen (al-‘aqiedah). Met andere woorden, neskh kan niet plaatsvinden met betrekking tot geloof in Allah de Verhevene, Zijn Namen en Eigenschappen, de Dag des Oordeels en andere zaken die verband houden met de fundamenten van geloof. En het hopen op de voorspraak van de drie afgoden in kwestie, is shirk (polytheïsme, afgoderij), de grootste zonde in het islamitische monotheïsme.

Als we naar de definitie van de Qor-aan kijken (zie az-Zarqaanie, v. 1, p. 21.): “De Qor-aan is de Arabische Spraak (Kalaam) van Allah, welke Hij openbaarde aan Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in bewoording en betekenis, en welke bewaard is gebleven in de masaah’ief (geschriften) en ons bereikt heeft door middel van moetawaatir overleveringen, en een uitdaging is voor de mensheid om iets vergelijkbaars voort te brengen,” dan zien we dat het duivelsvers hier niet aan voldoet. Want moetawaatir overleveringen zijn die overleveringen die op een zodanige manier en door zo veel mensen in elke generatie zijn doorgegeven dat het onmogelijk is dat er een fout is gemaakt of dat zij allemaal overeenkwamen om het te vervalsen. Dit is niet het geval bij de duivelsverzen.

De theorie van H’adieth en Asmaa-oe r-Ridjaal (tak van wetenschap over de goede en slechte eigenschappen van de overleveraars van de h’adieth) en dergelijke, werd door de moslims als wetenschap ingevoerd om de betrouwbaarheid van de overleveringen van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) te waarborgen. De krachtige, stevige en onwrikbare principes, die de moslims toepasten voor onderzoek en gedetailleerde studie, zijn zo weergaloos dat de wereld deze in haar gehele bestaan nimmer eerder gekend heeft.

Terwijl andere volkeren hun boeken, zoals de Bijbel en de Mahabharata, beschouwen als een waardevol bezit waar men trots op is, zal een persoon die verder kijkt zich verbazen over hoe moslims alles tot in detail hebben vastgelegd en zelfs de ketens en eigenschappen van overleveraars hebben genoteerd. Het is zelfs bekend wie wat zei en wie bekend staat als betrouwbaar of twijfelachtig en over wie bekend is dat hij gelogen heeft of zich regelmatig vergiste.

Hoewel at-Tabarie het verhaal van al-gharaanieq vermeldde in zijn Tefsier en boek over de geschiedenis, zeiden Ibn Kethier en anderen met betrekking tot de overlevering in kwestie: “Er is geen sah’ieh’ isnaad (authentieke keten van overleveraars) die deze overlevering verbindt met de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).” [Zie (#5) hierboven.]

As-Shawkaanie schreef dat “Ibn Khozaymah, de imaam der a-immah (imams), zei: ‘Dit verhaal is verzonnen door zindieqs (atheïsten).” Deze verklaring is de meest directe veroordeling van het verhaal. Andere a-immah bekritiseerden het verhaal op technische gronden. Al-Bazzaar schreef: “Dit is een overlevering die toegeschreven is aan de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), maar die niet steunt op een ononderbroken keten (van overleveraars).” Ook al-Bayhaqie geeft aan: “Dit verhaal kan niet authentiek verklaard worden met betrekking tot de isnaad (keten van overleveraars).”

Dit punt betreffende de isnaad is opgenomen door vele moslimgeleerden. Een enkeling, zoals Ibn H’adjar, in zijn commentaar op al-Boekhaarie, accepteert enigszins de betrouwbaarheid van het verhaal (maar met kanttekeningen). Vele anderen beoordelen het als een verzinsel verzonnen door de vijanden van de Islaam. Maar beide partijen zijn het eens dat er geen theologische implicatie uit volgt.

Ibn al-‘Arabie bespreekt in zijn boek Ah’kaamoe l-Qor-aan gedetailleerd de implicaties van dit verzonnen verhaal. Hij behandelt dit hele vraagstuk in tien punten (die echter te uitgebreid zijn om hier te behandelen) en Ibn al-‘Arabie’s kritiek wordt geaccepteerd door de latere moslimgeleerden die dit onderwerp besproken hebben, zowel met betrekking tot h’adieth, tefsier als ook theologie.

Ibn al-‘Arabie begint zijn kritiek met het vaststellen van twee essentiële theologische punten:

a.) Allah de Verhevene heeft Zijn boodschapper Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) beschermd (en wat dat betreft al Zijn profeten en boodschappers) tegen ongeloof. Dit is de consensus van alle moslims. Iemand die dit betwist, begaat in feite zelf een daad van ongeloof.

<<<Ieder individu onder de zonen van Adam (d.w.z. de mensen) heeft een djinn die aangewezen is als zijn constante metgezel (qariem). Ibn Mas’oed (moge Allah tevreden zijn met hem) zei: “De boodschapper van Allah (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) heeft gezegd (Nederlandstalige interpretatie): ‘Er is niemand van jullie die niet een djinn als zijn constante metgezel toegewezen heeft gekregen.’ Zij zeiden: ‘En u, O boodschapper van Allah?’ Hij zei: ‘Ik ook, maar Allah heeft mij geholpen en hij [de djinn] heeft zich overgegeven zodat hij mij slechts helpt om het goede te doen.’” (Overgeleverd door Moeslim, 2814.) An-Nawawie zei in zijn commentaar op Moeslim (17/175): “‘Hij heeft zich overgegeven’… hij werd een gelovige moslim. Dit is de klaarblijkelijke betekenis.” Al-Qaadie zei: “Weet dat de oemmah het eens is over het feit dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) beschermd werd tegen shaytaan, fysiek en mentaal, en (ook) met betrekking tot zijn spraak.>>>

b.) De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ontving naast het ontvangen van Allahs openbaring door middel van de aartsengel Gabriël (vrede zij met hem), ook de mogelijkheid om die engel in kwestie te herkennen. Zonder die herkenning en zekerheid kan het profeetschap niet bewerkstelligd worden. Nadat deze herkenning eenmaal is bewerkstelligt, zal de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) in staat zijn de aartsengel duidelijk te onderscheiden van enig ander schepsel en de religie is veilig tegen enige bemoeienis van buitenaf.

Indien het mogelijk was dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) geen onderscheid kon maken tussen de aartsengel en enig ander schepsel (in dit geval de satan), zou hij nooit hebben kunnen zeggen: “Wat ik heb ontvangen is van Allah,” en zouden wij op onze beurt (alsook christenen en joden) niet zeker kunnen zijn dat de openbaring (aan welke profeet dan ook) van Allah de Verhevene is. Als het mogelijk geweest was voor de satan om zich in dit proces in te mengen, of om zichzelf als een engel te vermommen, zouden wij over geen enkel vers zekerheid hebben; noch zouden wij in staat zijn waarheid van valsheid te onderscheiden.

Na het vaststellen van deze twee basispunten, gaat Ibn al-‘Arabie verder met het vernietigen van het verhaal over al-gharaanieq. Hij geeft aan dat “degenen die zeggen dat satan deze woorden uitsprak en dat de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) ze van hem accepteerde en niet in staat was om tawh’ied (de eenheid van Allah) te onderscheiden van ongeloof, kunnen niet falen te beseffen dat dit een daad van ongeloof is, welke niet afkomstig kan zijn van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem). Hoe kon de profeet zeggen dat ‘zij de hoogvliegende kraanvogels zijn, op wier voorspraak gehoopt wordt’, terwijl hij absoluut zeker wist dat zij slechts onbezielde stenen beelden waren, onbekwaam om te zorgen voor enig voordeel of nadeel, hoewel Gabriël dag en nacht tot hem kwam met deze feiten over afgoden zoals hen?

De volledige uitleg van de theologische implicaties en tegenstrijdigheden van het verhaal werd echter overgelaten aan de student van Ibn al-‘Arabie, namelijk al-Qaadhie ‘Iyaadh, in zijn samenvatting as-Shifa Bitta’rifie bie H’oeqoeqie al-Moestafa (De Voldoening Schenkende Uitleg van de Rechten van de Uitverkorene). Naast de vele punten die al in dit artikel genoemd zijn, geeft hij onder andere ook aan dat de taalkundige constructie van de toegevoegde zinnen niet voldoet aan de hoge standaard van de Koranische constructie.

Al-Qaadhie ‘Iyaadh gaf ook aan dat als een dergelijk verhaal waar gebeurd zou zijn, het zeker niet onopgemerkt zou blijven bij de hypocrieten en de polytheïsten en zij zouden van zo’n mogelijkheid onmiddellijk gebruik gemaakt hebben om de gelovigen het doelwit te maken van hun beschimpingen, en de een of andere menselijke duivel of djinn zou dit gebruikt hebben om de apathische en zwakke moslims te misleiden. Maar een dergelijk incident, dat niet erg enthousiaste bekeerlingen de Islaam de rug toekeerden of iets dergelijks, wordt nergens genoemd.

Alle profeten, en vooral de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), waren onfeilbaar met betrekking tot het doorgeven van de boodschap die Allah aan hen openbaarde. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Wij zullen jou (O Moh’ammed, de Qor-aan) laten reciteren, waardoor jij het niet zult vergeten.” [Soerat al-A’laa (87), aayah 6.]

En Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke) zegt ook (Nederlandstalige interpretatie): “…En haast je niet (O Moh’ammed) met de recitatie van de Qor-aan (Koran) voordat zijn openbaring voltooid is aan jou (#10) en zeg: ‘Mijn Heer! Vermeerder mij in kennis.’” [Soerat Taa Haa (20), aayah 114.]

<<< (#10) De profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) was in het begin van zijn profeetschap bang om de verzen te vergeten die Djibriel (vrede zij met hem) aan hem reciteerde, dus herhaalde hij snel na Djibriel (vrede zij met hem), zelfs voordat Djibriel (vrede zij met hem) klaar was met zijn recitatie. Daarom verzekerde Allah de Verhevene Zijn profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) dat hij de Qor-aan niet zou vergeten, dus was er geen noodzaak voor hem om zich te haasten met het herhalen na de engel.>>>

Allah de Verhevene zegt in Zijn Nobele Qor-aan (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, het is aan Ons om hem (de Qor-aan) te verzamelen (in jouw hart) en om (jou in staat te stellen) hem te reciteren. Wanneer Wij hem dan gereciteerd hebben (aan jou, O Moh’ammed, via de engel Gabriël), volg dan zijn recitatie (gehoorzaam het en reciteer het aan anderen).” [Soerat al-Qiyaamah (75), aayah 17-18.]

En Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “En als hij (Moh’ammed) enkele uitspraken (van zichzelf) aan Ons had toegeschreven. Zouden Wij hem zeker bij de rechterhand (#11) gegrepen hebben. Vervolgens zouden Wij de slagader van hem zeker doorgesneden hebben.” [Soerat al-H’aaqqah (69), aayah 44-46.]

<<< (#11) De rechterhand is de hand van kracht en handeling. Als iemand bij de rechterhand gegrepen wordt, kan hij niet meer handelen zoals hij wil of zijn doel verwezenlijken. Het argument is dat als een bedrieger zou verschijnen [waarvan de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) beschuldigd werd door zijn tegenstanders], hij snel door de mand zou vallen. Hij zou zijn bedrog niet onbegrensd voort kunnen zetten. Maar de profeten van Allah, de Enige Ware God, hoezeer zij ook vervolgd werden, verwierven elke dag meer en meer macht. Zo ook de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), wiens waarheid, eerlijkheid, oprechtheid en liefde voor alles en iedereen, erkend werd naarmate zijn leven zich openvouwde. (A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.) >>>

Het duivelsvers bevat shirk (polytheïsme, afgoderij), de grootste zonde in de Islaam. Het is echter een feit dat alle profeten en boodschappers van Allah beschermd werden tegen het begaan van grote zonden, dus ook shirk. Shaykh al-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allah hem genadig zijn) zei in Madjmoe’ al-Fataawa, 4/319: “De mening dat de profeten onfeilbaar zijn en beschermd tegen het begaan van grote zonden, in tegenstelling tot kleine zonden (#12), is de mening van de meerderheid van moslimgeleerden en van alle groepen. Het is de mening van de geleerden van tefsier (uitleg van de Qor-aan) en h’adieth (overlevering) en foeqahaa-e (geleerden betreffende fiqh, de islamitische jurisprudentie). Werkelijk, er is niets overgeleverd van iemand van de selef (#13), a-immah (imaams), sah’aabah (metgezellen), taabi’ien (volgelingen van de sah’aabah) en degenen die hen volgden behalve datgene wat in overeenstemming is met deze mening.”

<<< (#12) Waar zij niet in volharden en onmiddellijk berouw voor tonen, als voorbeeld voor de mensen (zie Fataawa al-Ladjnah al-Daa-imah, 3/194).>>>

<<< (#13) Selef: de eerste drie generaties van de moslimgemeenschap, dus de sah’aabah (de metgezellen van de profeet), hun volgelingen (de taabi’ien) en de leerlingen daarvan. >>>

Ook al zouden we omwille van de discussie toegeven dat deze overleveringen over al-gharaanieq sah’ieh’ (authentiek) zijn, de geleerden hebben aangegeven dat in dit geval begrepen dient te worden dat de satan de koeffaar (ongelovigen) deze woorden liet horen, niet dat hij deze woorden in de mond van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) legde waarna zij het van hem hoorden.

Bovendien gaf sheikh Moh’ammed ‘Abdoeh, de moeftie van Egypte ten tijde van de eeuwwisseling, aan dat het woord al-gharaanieq een woord is dat de Arabieren nergens gebruikten om hun goden te beschrijven, hetzij in hun poëzie of in hun toespraken. Nergens vinden we hun goden of godinnen omschreven met zulke woorden. Het woord al-ghoernoeq of al-gharaanieq is de naam van een zwarte of witte watervogel, een kraanvogel, en soms beduidt het figuurlijk een aantrekkelijke blonde jongere. Het is overduidelijk dat de Arabieren niet op zo’n manier naar hun goden keken.

De Qoeraysh deden regelmatig voorstellen om de profeet Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) concessies te laten doen. Zo zonden zij, bijvoorbeeld, ‘Oetbah ibn Rabi’ah naar de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) met een voorstel: “…als jij, door wat jij doet, rijkdom wenst, zullen wij jou genoeg geven zodat jij de rijkste man onder ons zult zijn; als jij een belangrijke man wilt worden, zullen wij jou onze leider maken en nooit een kwestie beslissen zonder jou; als jij een koning wilt zijn, zullen wij jou als onze koning accepteren…” [Overgeleverd door Moh’ammed ibn Ish’aaq, de eerste biograaf van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem), op gezag van Moh’ammed ibn Ka’b al-Qoerzie, een belangrijke volgeling (taabi’ie) van de metgezellen.] Maar hij weigerde standvastig al deze verleidingen door de bescherming van Allah de Verhevene (Nederlandstalige interpretatie): “En waarlijk, zij hadden jou bijna afgeleid van hetgeen Wij aan jou openbaarden (O Moh’ammed), zodat jij iets anders over Ons zou verzinnen. En bij Allah! Zij zouden jou dan als een boezemvriend genomen hebben. En als Wij jou niet standvastig hadden gemaakt, dan zou jij werkelijk bijna een beetje naar hen geneigd hebben.” [Soerat al-Israa-e (17), aayah 73-74.]

Vanuit een puur menselijk oogpunt kan het een tactiek lijken om een “kleine” concessie te doen om zo een goddelijke missie te vervullen. Want eenmaal aan de macht, op een invloedrijke positie, zou men de mogelijkheid hebben om te doen wat men anders niet zou kunnen doen. Althans, de menselijke zwakheid neigt naar deze gedachte, want macht, een invloedrijke positie en rijkdom zullen op zichzelf niets baten als men tornt aan het Bevel van Allah. Maar de boodschapper Moh’ammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd speciale kracht en standvastigheid gegeven om zulke verleidingen te weerstaan. (Naar A. Yusuf Ali Quran Commentary, de herziene versie.)

<<<Ter illustratie van zijn eenvoudige levensstijl; ‘Abdoellaah ibn Mas’oed (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) sliep op een gevlochten vloerkleed (van palmtakken) dat zijn sporen had achtergelaten op zijn huid. Ik zei: ‘Ik offer mijn moeder en vader voor u (dit is een uitdrukking die gebruikt werd door de Arabieren), O boodschapper van Allah! Als u ons toestemming had gegeven, dan hadden wij het bekleed zodat dit u daartegen beschermt.’ De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Ik heb niets met deze wereld, ik zie deze wereld (voor mij) als een ruiter die in de schaduw van een boom verblijft en vervolgens vertrekt en deze achterlaat.’” (Overgeleverd door Ibn Maadjah, zie Sah’ieh’ Soenen Ibn Maadjah van sheikh al-Albaanie.)>>>

Aayah 52 van soerat al-H’adj (22) is reeds aangehaald (Nederlandstalige interpretatie): “En Wij zonden geen boodschapper vóór jou, noch een profeet, of de satan wierp twijfel (m.b.t. degenen die hem horen) in zijn recitatie wanneer hij (de boodschapper) reciteerde, waarna Allah teniet doet wat de satan werpt. Vervolgens bevestigt Allah Zijn verzen. En Allah is Alwetend, Alwijs.”

Sheikh ‘Abdoe r-Rah’maan ibn Sa’die gaf in zijn Taysier al-Kariem ar-Rah’maan fie Tefsier Kalaam al-Mannaan aan dat dit begrepen dient te worden als dat de satan de desbetreffende profeet of boodschapper trachtte te verwarren tijdens diens recitatie van Allahs Boek zodat hij abusievelijk een woord verwisselde of verkeerd uitsprak zodat de betekenis veranderde. Maar Allah de Almachtige stopte dit en liet zijn gezant het onmiddellijk herstellen zodat de waarheid bevestigd werd (Nederlandstalige interpretatie): “Opdat Hij (Allah) hetgeen de satan (de duivel) werpt, een beproeving laat zijn voor degenen in wier harten een ziekte is (twijfel en hypocrisie) en wier harten hard zijn. En waarlijk, de onrechtplegers zijn zeker in vergaande verdeeldheid. En opdat degenen aan wie kennis is gegeven zullen weten dat het (de Qor-aan) de waarheid is van jouw Heer; zij geloven dan daarin, waarna hun harten zich onderwerpen aan Hem. En waarlijk, Allah zal degenen die geloven zeker leiden op een recht pad. En degenen die ongelovig zijn, zullen niet stoppen daarover te twijfelen (over de Qor-aan) totdat het Uur plotseling tot hen komt, of er komt tot hen de kwelling van een onvruchtbare (#14) Dag.” [Soerat al-H’adj (22), aayah 53-55.]

<<< (#14) Onvruchtbaar betekent taalkundig “niet in staat zijn kinderen te krijgen”. Omdat na deze dag geen andere dag en geen andere nacht (voor hen) zal komen, wordt het omschreven als onvruchtbaar. Er is ook gezegd dat de dag omschreven wordt als onvruchtbaar omdat daarin geen genade noch barmhartigheid is. Het is een dag die onthouden is van alle goedheid. (Tefsier H’adaa-ieq ar-Rawh’ wa ar-Rayh’aan fie Rawaabie ‘Oeloemie al-Qor-aan.)>>>

Allah de Verhevene zegt hier dat de ongelovigen zullen blijven twijfelen over de Qor-aan, want (Nederlandstalige interpretatie): “Zij zijn degenen wier harten en gehoor en zicht Allah verzegeld heeft (waardoor zij onontvankelijk worden voor de waarheid) en zij zijn de onachtzamen.” [Soerat an-Nah’l (16), aayah 108.]

En Allah is de Bron van succes.