Broeder Salahdien

Mijn terugkeer naar Allah.

BekeringsverhalenWaar zal ik beginnen? Ja, ik vind dit aardig om te vertellen; ik zat op de lagere school en was toen helemaal in de ban van de vertelkunsten van onze geschiedenisleraar. Als hij begon te vertellen, werd het stil in de klas en begon er zich een andere werkelijkheid meester van mij te maken. Het besef van je omgeving verdween en zijn verhaal was mijn voertuig door mijn kinderlijke verbeelding. Ik wilde niet uitstappen op het moment dat het einde van het lesuur was genaderd, dus mijmerde ik in mijn vrije tijd vaak nog wat door. Op een dag vertelde ik mijn lieve moeder dat ik wou sparen voor een piramide. Mijn moeder spaarde trouw een aantal guldens in de maand voor mij bij een bank en ik had er een gewichtig voornemen mee. De dood kwam toen, voor zover ik me herinner, voor het eerst op in mijn gedachten. De dood vormde ruim vijftien jaar later onder andere aanleiding voor mijn arrestatie.

Mijn lieve ouders en ik kregen moeilijkheden tijdens mijn puberteit. Op een bepaald moment resulteerde dit in een uithuisplaatsing. Dat was moeilijk voor ons. Ieder heeft het op zijn eigen manier beleefd. Als ik terugdenk aan die periode, dan zie ik mezelf als iemand die verlangde naar die “vanzelfsprekende veiligheid” die je placht te vinden in je ouderlijk huis. Dat bleek destijds niet het geval, met als resultaat dat ik steeds meer mijn eigen gang ging om in de eerste plaats gehoor te geven aan dat verlangen. Het gebeurde de eerste tijd niet dat ik weer thuis mocht wonen, maar toch bleef dat verlangen. Dat verlangen heeft zich op een gegeven moment deels getransformeerd, of althans ik gaf er op verschillende manieren gehoor aan. Dat ging onder andere als volgt; gezeten in een soort opvanghuis, zonder ouderlijk gezag en zonder dat we iets hoefden te vrezen van de groepsleiders en zonder dagprogramma, trokken we naar de stad waar ik getuige werd van hoe mede lotgenoten mooie leren jassen stalen en hoe we een 2CV trachtten te stelen die echter in het stuurslot viel. We gingen soms in groepen naar andere steden en tja, in een groep en half ontspoord zijn een paar klappen ook makkelijk uitgedeeld. Nu, dit was voor mij destijds een welkome afleiding, eentje die steeds grotere proporties aan zou nemen.

Op een gegeven moment merkte ik dat ik ook zonder probleem kleren kon stelen. Dat zorgde niet alleen voor aanzien waar ik, naarmate het uitzicht op een thuiskomst verslechterde, steeds meer behoefte aan leek te hebben, het zorgde ook voor geld wat mij een bepaalde mate van onafhankelijkheid gaf. Zo begon langzamerhand het balletje aardig te rollen, totdat ik voor het eerst in aanraking kwam met de rechterlijke macht, die gezien mijn achtergrond besloot dat er een gezinsvoogd moest komen die vervolgens in staat werd gesteld om beslissingen voor mijn ouders en mij te nemen. Het gaf mij een impuls om nog meer het heft in eigen hand te nemen. Toen volgde wat mensen die in een of andere tak van dienstverlening werkzaam zijn ‘vicieuze cirkel’ noemen. De gezinsvoogd ging op zijn strepen staan vanwege mijn ongehoorzaamheid en ik werd vastgezet in een jeugdgevangenis. Aldaar bedenk ik, ik heb immers de smaak te pakken, hoe en wat ik ga doen om ‘die slag’ te slaan. Zo ging het nog even door, totdat ik verlost was van de gezinsvoogd en inmiddels zelf geacht werd om op kamers te kunnen wonen. Ja, dat verlangen… die behoefte, die niet te stillen was en die groter werd naarmate het succes in het verdienen van geld en het uitgeven daarvan toenam. De behoefte die groeit door het sterven van je hart.

Op een gegeven moment, terwijl Allah (Verheven en Glorieus is Hij) in Zijn Alwetendheid Zijn Plan ontvouwde, ging het om dusdanige bedragen dat het mensen heeft geïnspireerd om daar op een gewelddadige manier deel in te hebben. Hebzucht neemt stap voor stap de plaats in van vriendschap. Tegelijkertijd waren de maatregelen die ik nam om ‘mijn’ bezit te beschermen draconisch te noemen. Met pistoolschoten heb ik iemand verwond en ten gevolge daarvan is hij gestorven. Het was voor mij, op dat punt aanbeland, zij of ik.

Zie hier een beknopte voorgeschiedenis. Na in Spanje te zijn aangehouden en vervolgens na een poosje te zijn uitgeleverd aan de Nederlandse autoriteiten, kwam ik in een voor mij inmiddels bekende omgeving: een politiecel. Na beraad met mijn advocaat besloot ik om voorlopig niks te verklaren. Ik werd op het politiebureau in de gelegenheid gesteld om wat lectuur uit te zoeken wat men normaal gesproken bij iemand van gevorderde leeftijd op de zolder aantreft, op een paar weekbladen na. Maar goed, geen probleem, ik zag een Bijbeltje. Een kleine met een blauwe plastic kaft. Mijn hoofd stond niet naar al dat andere triviale geneuzel en dus besloot ik om de Bijbel te gaan lezen. Het was het nieuwe testament en ik vond de voorbeelden om de moraal van een verhaal duidelijk te maken mooi. Ik las destijds niet zozeer met een analytisch oog, maar meer om zeg maar in de sfeer van de klas van de geschiedenisleraar te komen.

Na het kortstondige verblijf op het politiebureau in Nederland, werd ik overgeplaatst naar een huis van bewaring. De officier van justitie vond het noodzakelijk om in het belang van het onderzoek mij ‘beperkingen’ te geven. Dit hield in drieëntwintig en een half uur op cel, een half uurtje om te douchen en in mijn geval ging ik tijdens dat half uurtje ook even naar de keuken om wat melk warm te maken. ‘Luchten’ kon ook, maar dat deed ik in het begin niet. Je kunt dan in een kooi van drie bij drie ommuurd met een rooster in het plafond ‘luchten’. De officier van justitie liet ook weten een psychologische rapportage te willen hebben. Voor mezelf was ik in die tijd al bezig met de vraag hoe het allemaal zover heeft kunnen komen. Nu echter de officier van justitie naar een dergelijke rapportage vroeg, werd ik mij bewust van een andere dreiging. Eenieder die ooit iets met justitie te maken heeft gehad, weet dat op het moment dat men om een dergelijke rapportage vraagt en gezien mijn achtergrond en het delict waar ik van werd verdacht, het gevaar op de loer ligt van een eventuele ter beschikking stelling. Hierdoor gealarmeerd, dacht ik mij te moeten wapenen met kennis van de psyche…

Dus wat trof ik tot mijn in eerste instantie grote tevredenheid aan; Sigmund Freud. Het was een biografie, dikker dan het woordenboek dat ik op mijn bureau heb staan. De dokter uit Wenen, ik begon het al helemaal voor me te zien, mijn eigen opa was immers ook dokter. Ik las en las door dik en dun en vond op een gegeven moment dat de heer Freud een theorie had en vervolgens bewijs ervoor ging zoeken. Hij kon beschikken uit een groot aantal ‘cliënten’, het was destijds net na de eerste wereldoorlog. Maar het is volgens mijn onwetenschappelijke kennis gebruikelijk, dat men eerst feiten constateert en daaropvolgend, bijvoorbeeld door deductie, een theorie formuleert. Mijn indruk was dat de heer Freud hier bijzonder creatief mee omging. Mijn verstand kon er in ieder geval op een gegeven moment niet meer aan tippen, dus bracht ik het boek na verloop van tijd maar weer terug.

Vervolgens heb ik een boek geleend over iemand die in death-row zat en zijn belevenissen heeft opgeschreven tijdens dat verblijf. De schrijver, Jarvis Jay Masters, vertelt onder andere over zijn jeugd die samengevat moeilijk was en hoe hij terecht is gekomen waar hij terecht is gekomen. Hij vertelt op een bijzonder humoristische wijze over het leven ‘binnen’. Hij schrijft op een gegeven moment over zijn overplaatsing naar een andere cel binnen de inrichting en van het feit dat de vorige bewoner van die cel nog wat prullaria had achtergelaten. Hij vindt onder andere een papiertje op de grond met de tekst: “Te leven en te sterven zonder spijt.”

Net zoals bij hem trok deze tekst mijn aandacht, ik weet alleen niet of ik de diepgang ervan heb begrepen. De jongen die de tekst had gevonden ging op onderzoek naar de oorsprong van de tekst. Het bleek een tekst uit het Boeddhisme te zijn en langzaam maar zeker ontwikkelt de jongen interesse voor het Boeddhisme. Uiteindelijk wordt hij ook Boeddhist na een aantal inwijdingen te hebben gehad van een lama. Het boekje was niet zo gek dik, dus tegen de tijd dat ik weer eens de gelegenheid had om rond te struinen in de bieb, liet ik mijn oog vallen op een boek dat ik al wel eerder had zien liggen, maar destijds onaangeroerd had gelaten. Nu besloot ik om de inleiding ervan te lezen. Het boek heet; “Het Tibetaanse boek van leven en sterven”. Het is geschreven door iemand die op zijn vierde in Tibet in het klooster ging om vervolgens op zijn tweeëntwintigste af te reizen naar Engeland en aldaar verder te studeren aan ik meen de universiteit van Oxford of Cambridge. Inmiddels woont deze meneer al geruime tijd in het Westen en is, zo schrijft hij, bekend met zowel de Oosterse manier van denken alsook de Westerse. Hij probeert op een Westerse manier het Boeddhisme uit te leggen in het boek. Gezien het feit dat ik destijds amper een opening had in mijn geest betreffende religieuze kwesties en het feit dat het Boeddhisme geen aanspraak maakt op een Schepper, was het boek een soort opstapje om de deur te vinden welke een tijd later zou worden geopend met de sleutel van laa ilaaha iell-Allaah (er is geen god die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah).

Het boek sprak me aan en ik besloot het te lenen. In zijn boek begint de schrijver over zijn eerste kennismaking met de dood. In het klooster waar hij zat, was een monnik overleden en alvorens hem te cremeren, werden er eerst drie dagen lang allerlei rituelen uitgevoerd. Hij beschrijft de indrukken die dit gebeuren bij hem achterlieten. In zijn boek haalt hij diverse bronnen aan om zijn verhaal duidelijk te maken. Zo was er bijvoorbeeld een hoofdstuk waarin ‘bijna dood ervaringen’ ter sprake kwamen. In dit betreffende hoofdstuk maakt de schrijver gebruik van de verslagen van een dokter die zich helemaal in deze materie had verdiept. Zijn bezigheden behelsden onder andere het bijhouden van bevindingen van mensen die een dergelijke ervaring hebben meegemaakt. Stel u en ik, wij rijden in een auto en krijgen vervolgens een ongeluk. ‘Boem!’ Tegen een boom aan. Even later komt er een ambulance om ons door middel van een defibrillator apparaat (u weet wel dat apparaat met twee paneeltjes die stroom afgeven) weer ‘tot leven’ te wekken. In het ziekenhuis informeert de desbetreffende dokter naar onze toestand, wat we hebben gevoeld, gezien etc. Kortom onze ervaringen. Deze dokter deed dat bij al dit soort ongevallen en heeft al deze verslagen vervolgens gebundeld om te publiceren in een boek. Het frappante is dat veel mensen, niet allen, dezelfde ervaringen lijken te hebben gehad. Er wordt melding gemaakt van een tunnel van licht en het goede wat ze in hun leven hebben gedaan, zagen ze voorbij komen, het slechte wat ze hebben gedaan daar ervoeren ze de consequenties van en zo verder. Ik moet soms denken aan de film Flatliners, waar dergelijke taferelen ook in voorkomen.

Inmiddels zat ik met het enthousiasme van een kind dat een nieuw speelgoedje krijgt het een en ander te lezen. De officier van justitie heb ik zelfs nog een bedankbriefje geschreven voor de speciale zorg en aandacht die hij aan mij besteedde en dat hij mij in de gelegenheid stelde om over het een en ander te filosoferen.

In die periode kreeg ik wekelijks bezoek van de humaniste. Dit is, zeg maar beleid binnen een penitentiaire inrichting. Men vraagt bij binnenkomst naar de geloofsovertuiging om je later in te kunnen delen. Dit om bijvoorbeeld rekening te houden met het soort voedsel en dus ook met het bezoeken van een gedetineerde. U kunt zich voorstellen dat het niet altijd even gemakkelijk communiceert als er een pater bij een moslim komt informeren naar zijn toestand. Uitzonderingen daargelaten. Nu had ik bij binnenkomst aangegeven niet te geloven, vandaar dat de humaniste mij dus kwam bezoeken. Op een dag vertelde ik haar wat ik aan het lezen was en over het hoofdstuk van de ‘bijna dood ervaringen’. Voor mijn doen was het erg curieus en ik was benieuwd naar haar reactie. Ze vertelde me dat haar vader ook een dergelijke ervaring had gehad. Omdat ik enigszins twijfelde en nu in mijn ogen toch een indicatie kreeg van het feit dat het toch allemaal mogelijk zou kunnen zijn. In die periode had ik met haar contact en met de ‘reiniger’. Een reiniger is iemand die belast is met de schoonmaak van de afdeling en is de hele dag uitgesloten (niet in een cel). Het wordt een beetje als elite baantje gezien.

Voor iemand die beperkingen heeft, is het niet toegestaan om met iemand contact te hebben behalve personeel en raadsman. Maar gezien het feit dat de reiniger altijd is uitgesloten, is het vrij moeilijk om geen contact met hem te hebben. Dus toen ik op een gegeven moment in de keuken stond om melk warm te maken en hem ook vertelde wat ik aan het lezen was, reageerde hij bevestigend vanwege het feit dat ook zijn vader een dergelijke ervaring had meegemaakt. Zijn vader was schipper en was overboord geslagen. Van de verdrinkingsdood gered, vertelde hij ook van zijn bijzondere belevingen. In al die tijd spreek ik met bijna niemand en degene met wie ik sprak, leken te bevestigen wat ik las. Langzamerhand accepteerde ik het idee dat de dood niet het einde kon zijn. Er is iets wat door gaat, dacht ik. Die gedachte werd gevolgd door het bewust worden van de consequenties van daden. Ik dacht; als alles terugkomt, moet ik opletten wat ik doe. Ondanks dat mijn vader een katholieke achtergrond heeft en mijn moeder een joodse, was dit besef compleet nieuw voor mij. Vroeger, om geen problemen te krijgen met mijn tante, conformeerde ik me aan haar wens en ging ik naar de kerk omdat al mijn neefjes en nichtjes dat deden. Het uiterlijk is me bijgebleven maar van de boodschap die gepredikt werd, bleef weinig hangen.

Aanbeland in het boek bij een hoofdstuk over meditatie, zat ik binnen de kortste keren in lotushouding op bed. En hoewel er beweerd werd dat men dit niet uit een boek kon leren, deed ik toch een poging om ‘tot rust’ te komen, mijn ademhaling te volgen en niet gepreoccupeerd te zijn met allerlei gedachten, naar de buitenlucht te kijken (ik zat mooi hoog in het huis van bewaring). Uit het boek dat ik las, kwam duidelijk naar voren dat het wereldse niet zo belangrijk was, sterker nog, het vormde allerlei ‘obstakels’. Nu ik langzamerhand zicht begon te krijgen op de ophoping van wereldse gedachten in mijn geest, welke ik altijd als onlosmakelijk deel van mezelf had beschouwd, was ik verlicht met het perspectief wat ik nu begon te ontdekken. Zoiets wat in het Arabisch wiswaas (influisteringen van de shaytaan, de duivel) wordt genoemd. Volgens mij was ik een en al wiswaas. Maar gaande weg werd ik een stukje stiller en bedachtzamer.

Op een gegeven moment kreeg ik een droom. Tot die tijd had ik nog nooit zo gedroomd. Zoals bekend is het niet altijd even gemakkelijk om hetgeen je ervaart om te zetten in woorden. Ik droomde dat ik in een gevangenis zat. Samen met nog iemand zaten we aan een tafeltje. Even later kwam er iemand op me aflopen. Hij was groot en breed, had rood gekruld lang haar. Hij sloeg me met zijn platte hand in mijn gezicht, hij scheen kennelijk ergens geïrriteerd over te zijn. Vervolgens legde hij zijn arm om mijn nek, om mij in een nekklem te houden. Op het moment dat hij me klemvast in die houding had werd ik bang. Ik was weinig verwijderd van een nekbreuk. In die angst word ik in een tunnel gezogen. Ik ga van voren naar achteren lijkt het. De tunnel is zwart met eromheen lichtflitsen. En ik word naar een middelpunt getrokken/gezogen, waar zich een punt licht bevindt dat groter en groter wordt. Naarmate het licht groter en alomvattender wordt, maakt de angst plaats voor complete vrede, tot in, ik zou maar zeggen, elke vezel van mijn zijn. Genaderd tot het licht en in vrede zie ik een gezicht. Het is een gezicht wat ik heb leren kennen als Padmasambhava. Zijn afbeelding was afkomstig uit het boek dat ik aan het lezen was. Padmasambhava was, zo werd in het boek beschreven, een lama die, zo ver ik mij herinner, in de zesde eeuw het Boeddhisme van India naar Tibet heeft gebracht. Zijn afbeelding stond in het boek en dat had ik laten kopiëren door de humaniste. Ik had de kopie opgehangen aan het prikbord van de cel waarin ik verbleef. Soms keek ik naar zijn afbeelding, met name zijn ogen, en mediteerde ik erop, maar meestal richtte ik mijn blik naar de buitenlucht. Ik zag hem dus voor me in vrede en werd toen wakker. Midden in de nacht, maar niet zoals men soms ‘s ochtends lijzig wakker wordt, maar klaar en helder wakker. Ik wist niet hoe of wat, maar ik dacht; ik zal wel op de goede weg zitten.

Het boek heb ik verder uitgelezen en heb daarna contact gelegd met een Boeddhistische organisatie die hebben meegeholpen het boek te vertalen. Er ontstond een correspondentie en ik ontving nog enkele boeken, bandjes en een kwartaalblad van hen. Na verloop van tijd gingen de beperkingen eraf en ik wil hier nog even vermelden dat ik de psychiater, die door het verlangen van de officier van justitie mij kwam bezoeken in het huis van bewaring om een rapportage te schrijven, vroeg naar zijn indruk van mij die hij tijdens het vijfenveertig minuten durende gesprek van mij had gekregen. Hij antwoordde me dat hij vond dat ik ‘van God los was’.

Later heeft de rechtbank en het hof gemeend dat dit kennelijk niet ernstig genoeg was en hebben het niet noodzakelijk geacht om mij verder psychisch te moeten laten onderzoeken of in aanmerking te laten komen voor een behandeling. Ikzelf echter, zocht door de bomen het bos. Vanaf het moment dat ik op een reguliere afdeling werd geplaatst en dus gewoon met iedereen en alles contact mocht hebben, ging ik naar de kerkdienst op zondag, imam op vrijdag en doordeweeks woonde ik gespreksgroepen bij van velerlei overtuiging. Ook vond er nog steeds een briefwisseling plaats met de Boeddhistische organisatie en kwam er regelmatig een rabbi op bezoek. Op cel was het lezen, lezen en lezen om vervolgens vragen te stellen, waarvan de antwoorden in sommige gevallen weer meer vragen opriepen. Op een dag kwam de dominee bij mij in mijn cel en vroeg me of het niet eens tijd was om een keuze te maken… Nee, zo voelde ik het nog niet. Er waren nog teveel puzzelstukjes die nog niet op hun plaats lagen om een vastbesloten stap te kunnen zetten. Dankzij de eerlijkheid en openhartigheid van de priester begon het Christendom op een gegeven moment af te vallen. Interesse in de Bijbel bleef ik toen wel houden, om het gelijk van de Qor-aan te ontdekken. Toen kwam zondag 26 maart 2000. Op vrijdag had de imam aan mij gevraagd of ik een aantal stencils wou kopiëren.

Het was voor mij een kleine moeite om dat te doen, omdat ik destijds makkelijk het een en ander kon laten kopiëren. In de stencils stonden korte hoofdstukjes uit de Qor-aan in het Arabische en Latijnse schrift, plus de vertaling in het Nederlands en een korte uitleg over het hoofdstukje. Nadat de stencils gekopieerd waren, gaf hij mij een exemplaar en deelde ze verder onder de broeders uit die vrijdag bijeen kwamen. Tot die tijd had ik wel wat over de Qor-aan gelezen, maar toen ik daadwerkelijk in de Qor-aan begon te lezen, ervoer ik niet de diepte die ik bijvoorbeeld nu wel ervaar. Ik stelde wel veel vragen aan de imam waarmee ik een goed contact heb en die altijd geduldig mijn vragen beantwoordde, zodoende kreeg ik toch een beeld van de Islaam. Ik weet nog dat ik toen de indruk had dat al die mooie aspecten van het Boeddhisme ook in de Islaam aanwezig waren.

Zondag dus. Een mooie zonnige dag in maart. Het was in de namiddag en ik had al in tijden voor mijn doen geen joint meer gerookt. Maar die bewuste middag had ik dus trek en samen met mijn toenmalige buurman draaiden we een toeter met hasj en wiet door elkaar (moge Allah ons vergeven). Ik stond in de deuropening van mijn cel te roken op het moment dat er een bewaarder het vlak, dat zich onder ons bevond, op kwam lopen. Het bewuste huis van bewaring kent een vlak met aan beide zijden cellen en daarboven nog twee etages ook met cellen. Wij bevonden ons dus op de middelste etage en de bewaarder keek op in onze richting, terwijl ik dat dampende geval tussen mijn vingers hield. Op dat moment wist ik niet of hij in de gaten had dat ik rookte of niet, omdat ik nooit sigaretten heb gerookt en als ik dus rookte was dat een joint. Of de bewaarder dat onderscheid kon maken was mij niet duidelijk. Even hier vermelden dat in tegenstelling tot het beleid buiten de gevangenis, het in een penitentiaire inrichting verboden is om hasj of wat voor een verdovend middel dan ook te roken. Bij constatering volgt dus ook een sanctie. Niet dat we daar zo bijster veel van onder de indruk waren, bovendien liep de bewaarder door en ging verderop zitten.

Nadat mijn buurman en ik uitgerookt waren (moge Allah ons vergeven), hadden we nog wat te doen, omdat het bijna tijd was dat we zouden worden ingesloten tot de volgende dag. Het was namelijk zo dat bepaald personeel in de inrichting bijzonder behulpzaam was om tegen betaling allerlei zaken te verschaffen die normaal gesproken absoluut niet toegestaan zijn binnen een inrichting. Het was beter om deze ‘zaken’ niet lang op cel te hebben, omdat als er bijvoorbeeld een inspectie plaats zou vinden, dit grote consequenties voor belanghebbenden zou hebben. Dit risico werd enigszins beperkt door de ‘zaken’ ergens op een algemene plek te verstoppen, zodat er niet meteen iemand direct als eigenaar kan worden aangemerkt bij eventuele ontdekking. Aldus begaf ik mij richting de keuken, in mijn handen een pak bar le duc en een pak appelsientje, met een andere vloeistof dan het pak doet vermoeden, om in een van de gemeenschappelijke koelkasten te verbergen. Al lopende over de etage zie ik dat de bewaarder die beneden zat, opstaat en het kantoor binnenloopt. Een paar tellen later zie ik dat er uit het kantoor van onze etage een andere bewaarder mijn richting lijkt op te lopen. Dus daar loop ik dan met voor mijn gevoel levensgevaarlijk spul in mijn handen om opgevangen te worden in zijn armen… Mijn redding, zo calculeerde ik, was een grote grijze afvalcontainer op een paar passen afstand in de hoek van het pad. Als ik daar het handeltje in zou kunnen dumpen, was ik in ieder geval daarvan tijdelijk verlost. Dit lukte en in looppas ging ik terug naar mijn buurman om, terwijl ik zijn hand bij mijn hartstreek leg, te vertellen wat zich aan het voorvallen was naar mijn indruk. Toen werden we ingesloten.

Wat ik op dat moment niet wist, was of dat kwam doordat het tijd was of omdat dat voor ons was. Het is namelijk gebruikelijk dat het personeel bij calamiteiten van welke aard ook, de gedetineerden insluit om vervolgens het een en ander rustig uit te kunnen zoeken en/of geharnast en wel iemand uit zijn cel te trekken om in een isolatiecel te kunnen plaatsen. Ook verricht het personeel volgens procedure een telling om vast te stellen of iedereen op zijn eigen cel zit. Dit gebeurt door het klepje van de luikjes die zich in de celdeuren bevinden omhoog te doen. Dus daar stond ik dan in mijn cel te ijsberen, te bedenken wat de gevolgen van ontdekking konden zijn. Mijn gedachten gingen sneller dan een Franse sneltrein. Op het moment dat mijn klepje omhoog ging en de bewaarder mij aanstaarde, leek dat vier minuten te duren. Natuurlijk was ik paranoïde. Toen hij het klepje ‘eindelijk’ weer dicht deed, schoot mij een zin te binnen die ik een jaar eerder had gelezen in het Tibetaanse boek van leven en sterven. De zin was afkomstig van de filosoof Montaigne. Hij schreef: “Hij die geleerd heeft om te sterven, heeft afgeleerd om slaaf te zijn.” Het kwartje leek een jaar later te zijn gevallen. Wat een verruiming! Zoals ik het gevoel van diepe vrede omschreef die ik voelde tijdens de droom, zo voelde ik haar opnieuw maar nu met het verschil dat ik wakker was. Alles viel van me af en ik werd echt licht.

Ik dacht; wat maak ik me nou druk? Ik kan niks terugdraaien. Mijn handelen is beperkt. Het zit tussen je oren begreep ik. In vrede zette ik mijn koffiezetapparaat aan om er thee in te zetten. Ik had een apart model, zo eentje met een kookplaatje waar je ook nog andere zaken mee kunt doen. In de standaard celinventaris van de inrichting kwam dergelijk apparaat niet voor. Het zijn zo van die dingetjes waar iemand in het dagelijkse leven niet bij stilstaat, maar ik kan u vertellen dat dit soort voorrechten een mens blij kunnen maken in dergelijke omstandigheden. Ik ging zitten en zat te staren naar een plant die ik op de vensterbank had staan. U kunt zich voorstellen wat voor een geluid er geproduceerd wordt als tweeënzeventig mensen zijn uitgesloten in een galmend gebouw met her en der muziekinstallaties die aan staan. Kortom, een ware kermis. Het is dan een verademing als men op cel zit achter zo’n dikke deur en in mijn geval zonder onruststoker als televisie of radio. In die rust, tevreden met het zojuist opgedane begrip, het typische geluid wat een koffiezetapparaat maakt op de achtergrond, mijn blik dus gericht op die plant, welke ik tevoren nooit zo nauwkeurig bekeken had. Ik keek naar het blad, hoe het zonlicht er doorheen scheen en al die kanaaltjes waar die vochtsappen doorstromen liet oplichten. Gefascineerd aanschouwde ik het geheel. Het zonlicht was in beweging, ik volgde haar licht in mijn cel door onder andere te letten op de wisseling van licht en donker op mijn prikbord. Ik klom uit mijn stoel om het blad van de plant van dichtbij te bekijken. Het beeld vulde me steeds meer met ontzag. Ik dacht; kijk, net was ik gestrest, druk en paranoia en nu even later ben ik koning te rijk. Hoe kan dat? In het Boeddhisme ging men veel uit van het eigen, je eigen geest zonder een kader of verder aanspraken te doen op een God. Ik dacht; ja, maar het feit dat ik me zo voel en het feit dat het licht verandert en hoe ingenieus het blad in elkaar zit, dat heb ik niet gedaan! Dat is niet in mijn hand. Ik dacht; wie kan ik hier nou voor bedanken? Ik voelde me zo dankbaar. Ik ging weer zitten en pakte zonder daar al te veel bij stil te staan de stencils die ik vrijdag van de imam had gekregen. Het eerste blad begon met al-Faatih’ah. De Opening. Bismiellaahi ar-Rah’maani ar-Rah’iem, en toen kwam ie: AL-H’AMDOELILLAAHI RABBIEL ‘AALAMIEN!!! Dus ik dacht wie ik kan bedanken en vervolgens lees ik: “Alle lof behoort aan Allah, de Heer der werelden.” Ik was perplex. Maar het werd nog mooier. Ik las verder en draaide het blad om. Op de achterkant stond soerat as-Sharh’ (94). Bismiellaahi ar-Rah’maani ar-Rah’iem. Alam nashrah’ laka sadrak, wa wada’na ‘anka wiezrak, aladzie anqada dzahrak en verder. “Hebben Wij jouw borst niet verruimd voor jou? En hebben Wij jou niet van jouw last ontdaan? Die jouw rug belastte?” Dus stel voor; (ik blijf even in een criminele context) u en ik, we plegen een overval. Pakken het geld, rennen de gereedstaande vluchtwagen in en geven plankgas. Maar onderweg krijgen we een achtervolging. Wegen worden afgezet, men probeert een fuik te zetten etc. Met de nodige stuurmanskunst en na de auto te hebben weggewerkt weten we toch veilig het schuiladres te benaderen. We betreden de woning, gaan zitten, trekken de tas los, ja! Tas is Vol. Wat doe je dan? Pfffffffffffft. Toch!? Je bent opgelucht, alles is goed afgelopen. Je borst verruimt zich. Welnu, ik heb beschreven in wat voor een hachelijke situatie ik zat, de gedachten aan de eventuele gevolgen etc. Uiteindelijk is waar ik bang voor was niet gebeurd en nu een blad in mijn hand wat zegt: “Hebben Wij jouw borst niet verruimd?”

Ja, en toen was het gebeurd. De volgende dag, ik was reiniger op die afdeling en had ook een collega reiniger, een Marokkaanse broeder, die ik dit hele verhaal vertelde. Hij zei heel wijs: “Hoeveel tekens krijg je nog?” Toen zei ik: “Ash-hadoe allaa ilaaha iell-Allaah, wa ash-hadoe anna Moh’ammadan rasoeloellaah (ik getuig dat er geen god is behalve Allah, en ik getuig dat Moh’ammed Allah’s boodschapper is).” Hij noemde me Salahdien.

Salahdien

 

Meer bekeringsverhalen.