Boeddhisme

Da’wah met boeddhisten.

Boeddhisme

 

 

Geschreven door dr. Zakir Naik.
Vertaald en bewerkt door Aboe Yoesoef ‘Abdoellaah

 

 

Leringen van Boeddha

Historische kritiek heeft aangetoond dat de oorspronkelijke leringen van Boeddha (+/- 560-480 v.C.) nooit geweten kunnen worden. Het schijnt dat de leringen van Gautama Boeddha door zijn discipelen uit het hoofd zijn geleerd. Na Boeddha’s overlijden werd er in Rajagaha een beraad gehouden zodat de woorden van Boeddha gereciteerd konden worden en er een akkoord over bereikt kon worden. Er waren meningsverschillen en onverenigbare herinneringen tijdens het beraad. De mening van Kayshapa en Ananda, die voorname discipelen waren van Boeddha, genoot de voorkeur. Honderd jaar later werd er in Vesali een tweede beraad gehouden. Pas na 400 jaar na het overlijden van Boeddha werden zijn leringen en doctrines opgeschreven. Er werd weinig aandacht geschonken aan de authenticiteit, echtheid en zuiverheid.

 

A. De Vier Nobele Waarheden

De voornaamste leringen van Gautama Boeddha kunnen samengevat worden in wat de boeddhisten de “Vier Edele of Nobele Waarheden” noemen:

1. De waarheid betreffende dukkha (er is lijden, bezorgdheid en ontevredenheid in het leven)

2. De waarheid betreffende de oorzaak van dukkha (namelijk begeerte, het verlangen naar – door onwetendheid)

3. De waarheid betreffende de beëindiging van dukkha (door geen begeerte te hebben)

4. De waarheid betreffende het pad dat leidt tot de beëindiging van dukkha (namelijk het Achtvoudige Pad)

<<<Noot van de vertaler: in het boeddhisme beduidt lijden (dukkha) dat het leven onvolmaakt is. Het is alsof je de hele tijd met een steentje in je schoen loopt, en dat steentje wil maar niet verdwijnen. Dit leidt tot dorst (tanha), het verlangen dat de zaken anders zijn dan ze zijn: “Als ik nou een groter huis / een betere baan / een leukere partner / rustigere kinderen / liefdevollere ouders had, dan zou het leven volmaakt zijn.” [Snelling, John (1987), The Buddhist handbook. A Complete Guide to Buddhist Teaching and Practice. London: Century Paperbacks.] (Einde toevoeging.)>>>

 

B. Het Edele Achtvoudige Pad

[Noot van de vertaler: het achtvoudige pad – de vierde van Boeddha’s nobele waarheden – bestaat uit een set van acht onderling verboden factoren of voorwaarden, die, wanneer ze samen ontwikkeld worden, leiden naar de beëindiging van dukkha. (Einde toevoeging.)]

1. Correct begrip/inzicht (aangaande de oorzaken van het lijden en de oplossing hiervan – zie de dingen zoals ze werkelijk zijn, niet zoals ze lijken te zijn)

2. Correcte intenties/gedachten (streven naar verlichting ten behoeve van alle levende wezens)

3. Correcte spraak (niet liegen en kwaadspreken)

4. Correcte handelingen (handel op een onnadelige manier – niet doden, niet stelen, geen misbruik van zintuiglijke genoegens, geen alcohol en drugs etc.)

5. Correct levensonderhoud (verdien het eerlijk en zonder anderen kwaad te doen)

6. Correcte inspanningen (span je in om verbeteringen te bewerkstelligen)

7. Correcte bedachtzaamheid (bewustheid om de dingen te zien zoals ze zijn met duidelijk besef; wees bewust van de huidige realiteit binnen jezelf, zonder hunkering of afkeer)

8. Correcte concentratie (of meditatie, uitgelegd als de eerste vier jh?nas).

<<<Noot van de vertaler: in feite komen de vier edele waarheden en het achtvoudige pad (met uitzondering van punt 8) grotendeels overeen met wat de Islam onderwijst, alleen wijkt de invulling/uitleg van deze zaken af. Maar wellicht was Boeddha ook een profeet van Allah de Verhevene, maar zijn diens leringen na zijn dood verandert. Dat Boeddha niet in de Koran genoemd wordt, betekend niet dat hij geen profeet was. De Koran geeft aan (Nederlandstalige interpretatie): “En (Wij zonden) boodschappers over wie Wij jou voorheen verteld hebben (in de Koran) en boodschappers over wie Wij jou niet verteld hebben…” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 164.] Er is overgeleverd door imaam Ah’mad van Aboe Oemaamah (een metgezel – moge Allah tevreden zijn met hem), en door H’aakim van Aboe Dzarr (ook een metgezel – moge Allah tevreden zijn met hem), dat toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gevraagd werd hoeveel boodschappers en profeten gestuurd zijn naar de wereld, hij antwoordde dat er 313 of 315 boodschappers waren en 124.000 profeten. (Tefhiem al-Qor-aan, Sayyid Aboe al-A’laa Mawdoedie.) (Einde toevoeging.)>>>

 

C. Nirvana

Nirvana betekent letterlijk “uitblazen” of “uitsterven”. Volgens het Boeddhisme is dit het ultieme doel van het leven en kan het in verschillende bewoordingen omschreven worden [o.a. perfecte verlichting]. Het is een beëindiging van alle leed dat bereikt kan worden door het verwijderen van verlangen door het achtvoudige pad te volgen.

 

[Toevoeging van de vertaler:]

 

D. Karma en wedergeboorte

Karma betekent dat alle handelingen een gevolg hebben: “goede” handelingen hebben positieve gevolgen en “slechte” handelingen hebben slechte gevolgen. De gevolgen kunnen zich ook in een volgend leven manifesteren. Karma wordt vooral bepaald door de intentie die de actie motiveert. Door de motivatie te controleren kan men dus de eigen toekomst bepalen en de verlossing uit de kringloop van wedergeboorte bewerkstelligen.

Het Boeddhisme gaat uit van wedergeboorte. Het is een fundamenteel boeddhistisch concept, direct verbonden met karma, omdat de wereld waarin men herboren wordt, alles te maken heeft met de acties (karma) uit het verleden.

Dit wijkt af van de islamitische leerstellingen. Allah de Verhevene zegt (Nederlandstalige interpretatie): “Wachten zij slechts op zijn vervulling (van de Dag der Opstanding en de gevolgen ervan)? Op de Dag dat zijn vervulling komt, zullen degenen die het voorheen vergaten zeggen: ‘Werkelijk, er kwamen boodschappers van onze Heer met de waarheid. Zijn er voorsprekers voor ons die nu voor ons voorspraak kunnen doen? Of kunnen wij teruggezonden worden (naar het wereldse leven), zodat wij anders handelen dan wat wij gewoon waren te doen?’ Werkelijk, zij hebben zichzelf verloren en hetgeen zij plachten te verzinnen zal hen verlaten.” [Soerat al-A’raaf (7), aayah 53.]

Na de dood is er geen terugkeer meer naar het ondermaanse (wereldse) leven. En hoewel men zich zou willen vrijkopen met een aarde gevuld met goud (zie o.a. aayah 3:91), dit zal niet geaccepteerd worden van hen.

[Einde toevoeging.]

 

De Boeddhistische filosofie is tegenstrijdig

Zoals eerder vermeld is, worden de leringen van het Boeddhisme samengevat in de vier edele waarheden.

1. Er is lijden en tegenslag in dit leven
2. Begeerte is de oorzaak van lijden en tegenslag
3. Lijden en tegenslag kunnen beëindigd worden door geen begeerte te hebben
4. Begeerten kunnen gemeden worden door het volgen van het achtvoudige pad

Deze Boeddhistische filosofie is tegenstrijdig of zijn doel voorbijstrevend, omdat de derde waarheid zegt: “Lijden en tegenslag kunnen beëindigd worden door begeerten te mijden”, terwijl de vierde waarheid aangeeft: “Begeerten kunnen gemeden worden door het volgen van het achtvoudige pad.”

Als iemand het Boeddhisme wil volgen dient hij eerst de begeerte te hebben om de vier edele waarheden en het achtvoudige pad te volgen. De derde edele waarheid zegt dat begeerte verwijderd dient te worden. Als begeerte eenmaal verwijderd is, hoe kunnen we dan de vierde edele waarheid volgen, namelijk het volgen van het achtvoudige pad tenzij we het verlangen hebben om het achtvoudige pad te volgen. Kortom, verlangen kan alleen verwijderd worden door het hebben van een verlangen om het achtvoudige pad te volgen. Als je het achtvoudige pad niet volgt, kan begeerte niet verwijderd worden. Het is tegenstrijdig alsook zijn doel voorbijstrevend om te zeggen dat begeerte alleen verwijderd kan worden door dit constant te begeren.

 

Het concept van God

(Volgens de nog bestaande geschriften) zweeg Boeddha over het bestaan of niet-bestaan van God. Omdat India ondergedompeld was in afgodenaanbidding en antropomorfisme [de neiging om God – Allah – voor te stellen volgens ons eigen model, idee of voorstellingsvermogen, hoewel er niets is dat lijkt op Hem] zou een plotselinge stap naar monotheïsme wellicht ingrijpend geweest zijn waardoor Boeddha er voor gekozen heeft om te zwijgen over de kwestie aangaande God. Hij ontkende het bestaan van God niet. Boeddha werd eens door een discipel gevraagd of God wel of niet bestond. Hij weigerde te antwoorden. Na aandringen zei hij dat als je lijdt aan buikpijn, ga je je dan concentreren op het verlichten van de pijn of ga je het voorschrift van de dokter bestuderen? “Het gaat mij en jou niets aan om te ontdekken of er een God is of niet – wat ons aangaat is het verwijderen van de pijnen van de wereld.”

Het Boeddhisme verschafte Dhamma (of Dharma) – de “natuurlijke wet” (de natuurlijke samenhang van de levende wezens en de dingen, de hoogste wet waaraan hun bestaan gehoorzaamt) – in plaats van God. Maar dit kon niet voldoen aan de behoefte van mensen. Aldus moest de religie van zelfhulp (het achtvoudige pad) veranderd worden in een religie van belofte en hoop. De Hinayana sekte kon niet blijven weigeren toe te geven aan enige externe hulp voor de mensen. De Mahayana sekte onderwees dat Boeddha’s waakzame en medelevende ogen gericht zijn op alle beroerde wezens. Aldus werd Boeddha een god gemaakt. Vele geleerden beschouwen de evolutie van god binnen het Boeddhisme als een effect van het Hindoeïsme.

Vele boeddhisten aanvaardden de lokale god. Aldus werd de religie van “geen God” getransformeerd tot een religie van “vele goden” – groot en klein, sterk en zwak, mannelijk en vrouwelijk. De “man-god” verscheen op aarde in menselijke vorm en incarneert van tijd tot tijd. Boeddha was tegen het kastenstelsel dat gangbaar was in de hindoeïstische maatschappij.

 

Mohammed in de Boeddhistische literatuur

 

1. Boeddha voorspelde de komst van een Maitreya

 

A.) Bijna alle Boeddhistische boeken bevatten deze profetie. Het staat in Chakkavatti Sinhnad Suttanta D. III, 76:

“Er zal in de wereld een Boeddha verschijnen met de naam Maitreya (de Goedgunstige), een heilige, een opperste, een verlichte, begiftigd met wijsheid in gedrag, voorspoedig, het universum kennend: wat hij gerealiseerd heeft door zijn eigen bovennatuurlijke kennis, zal hij aan dit universum bekendmaken. Hij zal zijn religie verkondigen, roemrijk in zijn oorsprong, roemrijk op zijn hoogtepunt, roemrijk wat betreft het doel, naar letter en geest. Hij zal een religieus leven afkondigen, volledig perfect en volkomen puur; zoals ik nu mijn religie en een soortgelijk leven verkondig. Hij zal de samenleving van vele duizenden monniken handhaven, zoals ik nu een samenleving van vele honderden monniken handhaaf.”

B.) Volgens The Sacred Books of the East (Heilige Boeken van het Oosten), volume 35, p. 225:

“Er wordt gezegd dat ik niet de enige Boeddha ben van wie het leiderschap en bevel afhankelijk is. Na mij zal er een andere Boeddha maitreya komen met zo’n en zo’n goede eigenschappen. Ik ben nu de leider van honderden, hij zal de leider zijn van duizenden.”

C.) Volgens The Gospel of Buddha (het Evangelie van Boeddha) van Paul Carus, XCVI – Metteyya 11-15:

“Ananda zei tegen de Gezegende: ‘Wie zal ons onderwijzen wanneer u weg bent?’ En de Gezegende antwoordde: ‘Ik ben niet de eerste Boeddha die op aarde kwam, noch zal ik de laatste zijn. Te zijner tijd zal er een andere Boeddha verschijnen in de wereld, een heilige, een uiterst verlichte, begiftigd met wijsheid in manieren, voorspoedig, het universum kennend, een weergaloze leider van mensen, een meester van engelen en stervelingen. Hij zal aan jullie dezelfde eeuwige waarheden bekendmaken die ik jullie onderwezen heb. Hij zal zijn religie verkondigen, roemrijk in zijn oorsprong, roemrijk op zijn hoogtepunt en roemrijk wat betreft het doel. Hij zal een religieus leven afkondigen, volledig perfect en volkomen puur zoals ik nu verkondig. Zijn discipelen zullen vele duizenden bedragen terwijl die van mij vele honderden bedragen.’ Ananda zei: ‘Hoe zullen wij hem herkennen?’ De Gezegende antwoordde: ‘Hij zal als Maitreya geboren worden.’”

(i) Het Sanskriet woord ‘Maitreya’, of het equivalent in Pali ‘Metteyya’ betekent liefhebbend, medelevend, barmhartig en goedgunstig. Het betekent ook vriendelijkheid, genegenheid etc. Een Arabisch woord dat equivalent is aan al deze woorden is ‘rahmat’. In soerat al-Anbiyaa-e lezen we (Nederlandstalige interpretatie): “En Wij zonden jou (O Moh’ammed) slechts als een barmhartigheid voor de ‘aalamien [werelden: alle schepsels (#1)].” [Soerat al-Anbiyaa-e (21), aayah 107.]

<<< (#1) De werelden (al-‘aalamien) zijn alles behalve Allah de Verhevene: de wereld der mensen, de wereld der engelen, de wereld der djinn, de wereld der zielen (zowel vóór als na hun wereldse leven) en alles wat bestaat – bezield en onbezield.>>>

Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “Er werd de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) gevraagd: ‘Kunt u geen smeekbede doen tegen de afgoddienaren (opdat Allah hen vervloekt en vernietigt)?’ Hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Ik ben niet gezonden om te verdoemen en te vervloeken, maar als barmhartigheid.’” [Overgeleverd door imaam Moeslim (2599).]

Voorbeelden (Nederlandstalige interpretatie) van uitspraken van de profeet Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem): (1) “God heeft geen genade met degene die geen genade heeft met anderen.” (2) “Degene die zich rond eet terwijl zijn buurman geen eten heeft, is geen gelovige.” (3) “De sterke is niet degene die de mensen overmant door zijn kracht, maar de sterke is degene die zichzelf controleert terwijl hij boos is.” (4) “Een man was onderweg en kreeg dorst. Hij bereikte een waterput en daalde erin af. Hij dronk totdat hij genoeg had en ging weer naar boven. Toen zag hij een hond met zijn tong uit zijn bek, likkend aan modder om zijn dorst te lessen. De man zag dat de hond dezelfde dorst voelde die hij voelde, dus daalde hij weer af in de waterput en vulde zijn schoen met water en gaf het aan de hond om te drinken. God vergaf zijn zonden voor deze daad.” De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd gevraagd: “O boodschapper van Allah! Worden wij beloond voor vriendelijkheid jegens dieren?” Hij zei: “Er is een beloning voor vriendelijkheid jegens elk levend wezen.” (Van de h’adieth verzamelingen van al-Boekhaarie, Moeslim, at-Tirmidzie en Bayhaqie.)>>>

De profeet Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd de barmhartige genoemd, wat ‘Maitri’ is.

(ii) De woorden ‘genade’ en ‘barmhartig’ zijn niet minder dan 409 keer genoemd in de Nobele Koran.

(iii) Elk hoofdstuk van de Koran, behalve hoofdstuk 9, namelijk soerat at-Tawbah, begint met de schitterende formule “Bismillaah ar-Rahmaan ar-Rahiem”, wat “in de Naam van Allah de Meest Barmhartige de Meest Genadevolle” betekent.

(iv) Het woord “Mohammed” wordt ook wel gespeld als “Mahamet” of “Mohomet” en op verschillende andere manieren in verschillende talen. Het woord “maho” of “maha” in Pali en Sanskriet betekent “groot” en “illuster”, en “metta” betekent “barmhartigheid”. “Mahomet” betekent dus “Grote Barmhartigheid”.

 

2. Boeddha’s doctrine was esoterisch en exoterisch

 

[Esoterisch betekent “alleen voor ingewijden bedoeld”, en exoterisch betekent “bestemd of geschikt voor iedereen en niet alleen voor ingewijden; algemeen toegankelijk”.]

In The Sacred Books of the East, volume 11, p. 36, Maha-Parinibbana Sutta hoofdstuk 2 vers 32 is te lezen:

“Ik heb de waarheid verkondigd zonder enig onderscheid te maken tussen exoterische en esoterische doctrine. Want Ananda, de Tathagata, heeft met betrekking tot waarheden niet zo iets als de gesloten vuist van een onderwijzer, die iets achterhoudt.”

Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verkondigde op bevel van God de Almachtige de boodschap en doctrine zonder enig onderscheid te maken tussen esoterisch en exoterisch. De Koran werd in de dagen van de profeet in het openbaar gereciteerd, wat nu nog steeds gebeurd. De profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verbood de moslims strikt om de doctrine geheim te houden.

 

3. Toegewijde dienaren van de Boeddha

 

In The Sacred Books of the East, volume 11, p. 97, Maha-Parinibbana Sutta hoofdstuk 5 vers 36 is te lezen:

“Vervolgens sprak de Gezegende tot de broeders en zei: ‘Wie van de broeders Arahat-Boeddha’s geweest zijn gedurende de lange tijden van het verleden, zij waren dienaren net zo toegewijd aan die Gezegenden zoals Ananda aan mij was. En wie van de broeders de Arahat-Boeddha’s van de toekomst zullen zijn, zij zullen dienaren zijn net zo toegewijd aan de Gezegenden zoals Ananda aan mij was.’”

De dienaar van Boeddha was Ananda. Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) had ook een dienaar, namelijk Anas (moge Allah tevreden zijn met hem), de zoon van Maalik. Anas werd door zijn ouders aan de profeet aangeboden. Anas (moge Allah tevreden zijn met hem) verhaalde: “Mijn moeder zei tegen hem: ‘O boodschapper van God! Hier is uw kleine dienaar.’” Anas verhaalde ook: “Ik diende hem vanaf dat ik 8 jaar was en de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) noemde mij zijn zoon en zijn kleine geliefde.” Anas bleef bij de profeet tijdens oorlog en vrede, tijdens veiligheid en gevaar tot aan het einde van zijn leven.

(i) Anas (moge Allah tevreden zijn met hem) bleef, ook al was hij nog maar elf jaar, aan de zijde van de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) tijdens de veldslag van Oehoed, waar het leven van de profeet in groot gevaar was.

(ii) Zelfs tijdens de veldslag van Honayn, toen de profeet (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) omsingeld was door de vijanden die boogschutters waren, week Anas (moge Allah tevreden zijn met hem), die slechts zestien jaar was, niet van de profeets zijde.

Anas (moge Allah tevreden zijn met hem) kan ongetwijfeld vergeleken worden met Ananda die niet van Gautama Boeddha’s zijde week toen de dolle olifant op hem afstormde.

 

4. Zes criteria voor het identificeren van Boeddha

 

The Gospel of Buddha van Paul Carus, XCV, Chunda, The Smith, vers 23, geeft aan:

“De Gezegende zei: ‘Er zijn twee gelegenheden waarop de verschijning van een Tathagata duidelijk en buitengewoon stralend zal zijn. In de nacht, Ananda, waarin een Tathagata het uiterste en perfecte inzicht verwerft, en in de nacht waarin hij uiteindelijk overlijdt tijdens het absolute overlijden wat niets van zijn aardse bestaan achterlaat.’”

Volgens Gautama Boeddha zijn de volgende punten de zes criteria voor het identificeren van een Boeddha:

(i) Een Boeddha verwerft uiterst en perfect inzicht tijdens de nacht.

(ii) Op het moment van zijn volkomen verlichting ziet hij er buitengewoon stralend uit.

(iii) Een Boeddha sterft een natuurlijke dood.

(iv) Hij overlijdt in de nacht.

(v) Vóór zijn dood ziet hij er buitengewoon stralend uit.

(vi) Een Boeddha bestaat na zijn dood niet meer op aarde.

[Deze punten zijn van toepassing op de profeet Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem).]

(i) Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) verwierf uiterst inzicht en het profeetschap tijdens de nacht. In soerat ad-Doekhaan is te lezen (Nederlandstalige interpretatie): “Bij het duidelijke Boek (deze Koran). Waarlijk, Wij zonden hem (de Koran) neer in een gezegende nacht…” [Soerat ad-Doekhaan (44), aayah 2-3.]

In soerat al-Qadar is te lezen (Nederlandstalige interpretatie): “Waarlijk, Wij zonden hem (de Qor-aan) neer in Laylatoel-Qadr (de Nacht van de Verordening).” [Soerat al-Qadar (97), aayah 1.]

(ii) Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) voelde zijn begrip onmiddellijk gevuld met hemels licht.

(iii) Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) stierf een natuurlijke dood.

(iv) Volgens ‘Aa-ishah (moge Allah tevreden zijn met haar) overleed Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) tijdens de nacht. Toen hij aan het sterven was, was er geen olie in de lamp en zijn vrouw ‘Aa-ishah moest olie lenen.

(v) Volgens Anas (moge Allah tevreden zijn met hem) zag Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) er buitengewoon stralend uit in de nacht van zijn dood.

(vi) De profeet Mohammed (Allahs zegeningen en vrede zijn met hem) werd na zijn begrafenis nooit meer in zijn lichamelijke vorm gezien op deze aarde.

 

5. Boeddha’s zijn slechts predikers

 

In Dhammapada, The Sacred Books of the East, volume 10, p. 67, is te lezen:

“De Jathagatas (Boeddha’s) zijn slechts predikers.”

De Koran zegt in soerat al-Ghaashiyah (Nederlandstalige interpretatie): “Dus vermaan hen (O Mohammed)! Waarlijk, jij bent slechts een vermaner. Jij hebt geen macht over hen.” [Soerat al-Ghaashiyah (88), aayah 21-22.]

 

6. De identificatie van Maitreya door Boeddha

 

Dhammapada, Mattaya Sutta, 151, geeft aan:

“De beloofde zal zijn:

(i) medelevend met de hele schepping

(ii) een boodschapper van vrede, een vredestichter

(iii) de meest succesvolle in de wereld.

De Maitreya als een prediker van moraal zal zijn:

(i) waarachtig

(ii) zichzelf respecterend

(iii) vriendelijk en nobel

(iv) niet trots

(v) als een koning voor schepsels

(vi) een voorbeeld voor anderen qua daden en woorden.”

[Toevoeging van de vertaler:]

De Koran geeft aan (Nederlandstalige interpretatie): “Wie de boodschapper (Mohammed) gehoorzaamt, gehoorzaamt dan werkelijk Allah. En wie zich afkeert, Wij hebben jou (O Mohammed) dan niet als een toezichthouder over hen gezonden (#2).” [Soerat an-Nisaa-e (4), aayah 80.]

<<< (#2) Jouw taak is slechts het mededelen, en eenieder die jou gehoorzaamt, hij zal blijheid en succes verwerven en jij zult een zelfde beloning als hem verkrijgen (zonder dat iets van zijn beloning verwijderd wordt). Met betrekking tot degene die zich van jou afkeert, hij zal mislukking en verlies verwerven, en jij zult geen last dragen vanwege wat hij doet. (Tefsier Ibn Kethier.)>>>

En tot Allah keert iedereen terug.

[Einde Toevoeging.]