Biografie van Thaabit ibn Qays

Radhyallaahoe ‘anhoe – moge Allah tevreden over hem zijn.

Biografieen klDe spreker van de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – vrede en zegeningen van Allah zijn met hem).

Vertaald en bewerkt door Aboe ‘Abdoellah.

Ga naar Biografieën voor meer biografieën.

Terwijl H’assan de poëet van de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en de Islaam was, was Thaabit zijn spreker. De woorden die uit zijn mond kwamen waren sterk en perfect. Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) was een leider van de Khazradj en genoot daardoor veel macht in al-Medienah. Hij stond bekend om zijn scherpe geest en voortreffelijke eloquentie. Het was door de handen van Moes’ab ibn Oemayr (radhyallaahoe ‘anhoe), die met zijn rustige en overtuigende logica de zoetheid en de schoonheid van de Qor-aan voorlas aan Thaabit ibn Qays, dat Thaabit uiteindelijke overstag ging en de Islaam in haar volle glorie aanvaarde.

Toen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) na zijn historische hidjrah al-Medienah bereikte, stond daar Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) en een groot aantal mensen om de profeet van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) te verwelkomen. Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) deed dienst als de spreker en gaf een toespraak in de aanwezigheid van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en zijn metgezel Aboe Bakr (radhyallaahoe ‘anhoe). Hij begon met het prijzen van Allah de Almachtige en riep de vrede en de zegeningen over de profeet.

“Wij geven onze eed aan jou, o boodschapper van Allah, dat wij jou beschermen tegen al datgene waar wij onszelf tegen beschermen,” zei Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe).

De toespraak van Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) herinnerde de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) aan de woorden die tijdens de tweede eed van trouw van ‘Aqabah werden uitgesproken. De reactie van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) was identiek aan zijn reactie in ‘Aqabah: “Al-Djennah (het Paradijs).” Toen de inwoners van Yathrib (de stad die later al-Medienah zou gaan heten) het woord al-Djennah hoorden, begonnen hun gezichten door vreugde te stralen en zij riepen: “Wij zijn tevreden, o boodschapper van Allah! Wij zijn tevreden, o boodschapper van Allah!”

Vanaf die dag maakte de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) zijn khatieb [degene die de khoetbah (toespraak) geeft] en H’assan ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) zijn poëet.

Wanneer delegaties van Arabieren naar hem toe kwamen om met hun redenaars te pronken – iets waar de Arabieren veel trots uit putten – dan was daar de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) altijd met Thaabit en H’assan ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoemaa – moge Allah tevreden over hen beide zijn). Hij riep hen om naar voren te komen om de Arabische delegaties met groot machtsvertoon van repliek te dienen.

In het jaar van de Delegaties, het negende jaar van de hidjrah, kwamen vele stammen van het Arabische schiereiland naar al-Medienah om hun respect aan de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) te tonen of om de djizyah [een soort belasting die betaald dient te worden door niet-moslims die leven in een islamitische staat en die hun eigen religie willen behouden (Ahloe ad-Dziemmah – Mensen van Bescherming): zie het artikel Jihad in de Islam voor meer informatie] te betalen voor de bescherming van de moslims. Één van deze delegaties kwam namens de stam Tamiem en zei tegen de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem): “Wij zijn gekomen om te pronken. Geef ons toestemming zodat onze khatieb kan spreken.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) lachte en zei (Nederlandstalige interpretatie): “Ik sta jouw khatieb toe, laat hem spreken.”

Hun khatieb, Oetarid ibn Hadjib, stond op en begon te spreken over hun grootsheid en over datgene wat zijn stam bereikt had. Toen hij klaar was, liet hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) naar voren komen en zei tegen hem: “Sta op en reageer op hem.” Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) stond op en zei:

“Alle lof is voor Allah, Wiens schepping o.a. de hemelen en de aarde zijn, waarin Zijn Wil is gemanifesteerd. Zijn Troon is het verlengstuk van Zijn Kennis en er is niets wat bestaat of het is met Zijn gratie (geschapen). Door Zijn Macht heeft Hij ons als leiders aangesteld en uit de beste van Zijn Schepping heeft Hij een boodschapper uitverkoren die de meest geëerde is van zijn afstammelingen, de meest betrouwbare en waarachtige in spraak en de beste in daden. Hij heeft aan hem een Boek geopenbaard en koos hem als de leider van Zijn scheppingen. Vanonder al Zijn scheppingen is hij een zegening van Allah. Hij beval de mensen om in hem te geloven. De emigranten van onder zijn mensen en zijn familie, die de nobele mensen zijn met de meeste achting en de beste in daden. Vervolgens waren wij, de ansaar, de eerste mensen die op hem reageerden. Dus wij zijn de helpers van Allah en de ministers van Zijn boodschapper.”

Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) was samen met de profeet van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) getuige van de veldslag van Oeh’oed  en de veldslagen die daarna  zouden volgen. Hij had een zeer grote drang om zichzelf op te offeren. In de veldslagen tegen de afvalligen stond hij altijd in de voorste rijen en hield hij de banier van de ansaar hoog de lucht in en had een zwaard dat hij nooit terugtrok.

Tijdens de veldslag van al-Yamaamah was Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) getuige van een plotselinge aanval die ingezet werd door de vijand van de Islaam, Moesaylamah de Leugenaar. Op dat moment schreeuwde Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe):  “Bij Allah, wij waren niet gewend om met de profeet  van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) op deze manier te vechten.” Vervolgens nam hij een kleine afstand en kwam even later geërgerd terug en trok zijn (gevechts)kleed aan en riep nog eens: “O Allah! Ik distantieer mij van datgene wat die mensen (het leger van Moesaylamah de Leugenaar) gedaan hebben en ik verontschuldig mijzelf bij U voor datgene wat zij hebben gedaan (de laksheid van de moslims tijdens de veldslag).” Langs hem stond nu Saalim (radhyallaahoe ‘anhoe), de dienaar van de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) die de banier van de moehaadjiroen vasthield. Samen groeven zij een kuil en gingen erin staan. Vervolgens maakten zij de kuil tot aan hun heupen vol met zand. En daar stonden zij als twee gigantische bergen met hun bovenlichamen langs elkaar om het leger van shirk (afgoderij) en lafaards tegen te houden. En iedereen die maar bij hen in de buurt kwam, werd door de zwaarden van deze twee smachtende dienaren naar het bijzijn van Allah de Verhevene genadeloos neergehaald. Dit ging zo door totdat zei uiteindelijk met de Toestemming van Allah de Almachtige het martelaarschap verkregen. Het was een beslissend moment tijdens de veldslag waarbij de moslims weer moed kregen en met volledige overgave Moesaylamah de Leugenaar te lijf gingen. Het was een meedogenloze strijd die vele levens had gekost. Maar uiteindelijk won het licht van Allah het van de duisternis.

Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe), die uitblonk als spreker en als strijder, was een nederige dienaar van Allah Soebh’aanahoe wa Ta’aalaa (Glorieus en Verheven is Hij). Onder de moslims stond hij bekend als zeer bescheiden met een grote vrees voor Allah ‘Azza wa Djel (de Almachtige en Majesteitelijke).  Toen het nobele vers (Nederlandstalige interpretatie): “En wend jouw wang niet hoogmoedig van de mensen af en loop niet verwaand op aarde…” [Soerat Loeqmaan (31), aayah 18] geopenbaard werd en Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) dit vers hoorde, ging hij naar huis, sloot zijn deur en begon te huilen. De profeet van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) vroeg naar Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) en riep hem. Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) kwam bij de profeet van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en vroeg hem: “O boodschapper  van Allah! Ik houd van mooie kleding en schoenen. Ik ben bang om één van de arroganten te zijn.” De profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) moest hierom lachen en zei (Nederlandstalige interpretatie): “Jij zult leven en sterven met zegeningen en je zult het Paradijs binnengaan.”

Toen de volgende Woorden van Allah Ta’aalaa (Verheven is Hij) werden geopenbaard (Nederlandstalige interpretatie): “O degenen die geloven! Verhef jullie stemmen niet boven de stem van de profeet (Moh’ammed) en wees niet luidruchtig tegen hem tijdens het spreken, zoals jullie luidruchtig zijn tegen elkaar, opdat jullie (goede) daden niet verloren raken terwijl jullie het niet bemerken” [soerat al-H’oedjoeraat (49), aayah 2] en Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) dit hoorde, ging hij weer naar huis en sloot zijn deur dicht en begon te huilen. En weer vroeg de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) naar hem. Toen Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) bij hem kwam en hij hem naar de reden van zijn afwezigheid vroeg, antwoordde Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe): “Ik heb een luide stem en ik was gewend om mijn stem boven uw stem te verheffen, o boodschapper van Allah. Mijn daden zullen dan vruchteloos zijn en zal ik behoren tot de mensen van het Vuur.” De boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) antwoordde (Nederlandstalige interpretatie): “Jij bent niet één van hen. Jij zult prijzenswaardig leven en als martelaar sterven en Allah zal jou het Paradijs binnen laten gaan.”

Er is één incident in het leven van Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) – waarbij de mensen die door hun kortzichtige gedachten en gevoelens beperkt worden tot hun begrijpelijke, materialistische wereld – niet gerust voelen. Desondanks is deze gebeurtenis waar gebeurd en zeer gemakkelijk te verklaren door degenen die hun uiterlijke en innerlijke bewustzijn gebruiken.

Nadat Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) als martelaar was gevallen, liep er een moslim, die recentelijk moslim was geworden, langs hem en zag het schitterende harnas van Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) nog om zijn lichaam. De moslim dacht dat het zijn recht was om dit harnas zich toe te eigenen en deed dit vervolgens ook. Toen één van de moslims sliep, kwam Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) in zijn droom tevoorschijn en zei tegen hem: “Ik vertrouw mijn testament aan jou toe, wees dus voorzichtig en zeg niet: ‘Het is maar een droom,’ waardoor het verloren zal gaan. Toen ik gisteren als martelaar viel, nam een moslim mijn harnas mee. Zijn huis bevindt zich in de buitenwijk van de stad. Hij heeft een lange baard. Hij legde zijn pot op zijn harnas en zijn zadel boven zijn harnas. Ga naar Khaalid en zeg tegen hem dat hij het (harnas) moet pakken, en wanneer jij naar al-Medienah gaat en de opvolger van de boodschapper van Allah (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), Aboe Bakr (radhyallaahoe ‘anhoe), ontmoet, vertel hem dat ik die-en-die nog geld schuldig ben. Laat hem mijn loon uitbetalen.”

Toen de man opstond, ging hij naar Khaalid ibn al-Walied (radhyallaahoe ‘anhoe) en nadat hij hem zijn droom had verteld, liet Khaalid (radhyallaahoe ‘anhoe) iemand het harnas ophalen. Hij vond het harnas zoals Thaabit (radhyallaahoe ‘anhoe) het in de droom had uitgelegd. Toen de moslims naar al-Medienah terugkeerden en de droom aan de khalief hadden uitgelegd, had hij de wilsbeschikking van Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe) alsnog uitgevoerd. In de Islaam is er nog nooit op deze manier de wilsbeschikking van een dode man uitgevoerd, behalve die van Thaabit ibn Qays (radhyallaahoe ‘anhoe).

Waarlijk, de mens is een mysterie. “En denk niet dat degenen die gedood zijn op de weg van Allah dood zijn. Nee! Zij leven bij hun Heer waar zij voorzien worden!” [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah169.] (Zie het artikel Zeg niet dat zij dood zijn.)

 

Ga naar Biografieën voor meer biografieën.