Biografie van ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr

Radhyallaahoe ‘anhoe – moge Allah tevreden over hem zijn.

Biografieen klWat een man! Wat een martelaar!

Vertaald en bewerkt door Aboe ‘Abdoellah.

Ga naar Biografieën voor meer biografieën.

Wat een gezegend kind was hij, al in de baarmoeder van zijn moeder, toen zijn moeder door de verzengende hitte van de woestijn de hidjrah maakte van Mekkah naar al-Medienah. Als ongeboren kind emigreerde hij al met de moehaadjiroen.

‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe), het eerste kind die na de hidrjah was geboren, werd na zijn geboorte naar het huis van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem – vrede en zegeningen van Allah zijn met hem) in al-Medienah gedragen. Daar aangekomen kuste de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) ‘Abdoellaah, vervolgens kauwde hij (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) op een dadel en wreef het over zijn tandvlees (zie het artikel Het verwelkomen van een pasgeboren kind).

Het eerste wat het lichaam van ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) binnenging was het speeksel van onze geëerde profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem). De moslims kwamen bijeen en liepen met de baby door de straten van al-Medienah en bleven maar Allaahoe Akbar roepen.

Nadat de moslims zich in al-Medienah hadden gevestigd, waren daar de joden die een diepe haat jegens de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) en de moslims koesterden. Zij probeerden op allerlei manieren de moslims in moeilijkheden te brengen. Zo verspreidden zij een leugen dat priesters van de joden middels hun magie de moslims onvruchtbaar hadden gemaakt en dat al-Medienah niet meer getuige zou zijn van de geboorte van moslimbaby’s.

Toen ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) uit het niets kwam, was het een onweerlegbaar bewijs van Allah de Almachtige dat de beweringen van de joden niets meer dan leugens waren.

Door zijn intieme relatie met de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) tijdens zijn jeugd, kreeg hij alle normen en waarden onderwezen van de beste leraar op aarde en gedroeg hij zich op zeer jonge leeftijd al als een volwassen man. Zo ontwikkelde ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) voortvarend zijn karakter. Hij ontwikkelde een uitzonderlijke energie, intellect en standvastigheid. Zijn jeugd was omgeven door puurheid, aanbidding en heroïsme. Naarmate de tijd verstreek bleef hij altijd de ‘Abdoellaah zoals de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) hem had gevormd. Hij was een man die zeker was van zijn pad en beliep die met een stevig geloof.

Het was tijdens de veroveringen van Afrika, Spanje en Constantinopel waar hij bewees dat hij werkelijk één van de grootste helden van de Islaam was. Met name tijdens de veldslag van Iffriqiyah (Tunesië), toen twintigduizend moslims het opnamen tegen een vijandelijke leger van honderdtwintigduizend soldaten. Beide legers gingen met volledige overgave het gevecht aan. Op een gegeven moment verkeerde het moslimleger in groot gevaar. ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) bestudeerde het vijandige leger nauwkeurig en realiseerde zich snel de bron van hun kracht. Het was hun leider, de berberkoning. ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) had heel goed in de gaten dat de uitkomst van de veldslag sterk af zou hangen van de dood van de koppige berberkoning. Maar hoe moest ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) de koning bereiken? Hij moest eerst voorbij een groot en meedogenloos leger. Echter, hoe kunnen we de moed van deze grote held van de Islaam in twijfel trekken! Hij riep zijn metgezellen bijeen en zei: “Bescherm mijn achterzijde en val met mij aan.” En daar ging hij zoals een pijl zijn boog verlaat, en hij baande zich een weg door het slagveld richting de koning. Toen hij hem bereikte was het een kwestie van tijd voordat hij met de koning had afgerekend. Vervolgens draaide hij zich om naar de vijanden, die zich in de nabijheid van de koning bevonden en doodde ze allemaal. Vervolgens kon men steeds luider Allaahoe Akbar over het slagveld horen galmen. Al snel werden op de plaats waar eerst de berberkoning zijn troepen aanstuurde , de banieren van de moslims hoog de lucht in geheven. Nog eenmaal bundelden de moslims al hun krachten en sloegen nog eenmaal genadeloos toe. Met de Wil van Allah zegevierden de moslims over een leger dat qua mankracht zes keer sterker was. De leider van het islamitische leger, ‘Abdoellaah ibn Abie Sarh, kreeg al snel te horen over de heldendaad van ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) en eerde hem door hem persoonlijk het nieuws van de overwinning naar al-Medienah en naar de khalief ‘Oethmaan ibn ‘Affaan (radhyallaahoe ‘anhoe) te laten brengen.

Ondanks zijn miraculeuze en uitzonderlijke heroïsme tijdens de veldslagen, was dit niets vergeleken bij de aanbidding van zijn Heer, de Almachtige. Zijn familie, zijn jeugd, zijn positie, zijn rijkdom, zijn kracht, dit allemaal kon hem niet verhinderen om uit te groeien tot een bewonderenswaardige Godvrezende aanbidder, die de hele dag vastte en de hele nacht bad.

‘Oemar ibn ‘Abdoe l-‘Aziez vroeg eens aan Ibn Abie Moelaykah om ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr te omschrijven. Hij zei: “Bij Allah, ik heb nog nooit een ziel gezien die gelijk aan hem is. Als hij met zijn gebed begon, dan liet hij alles achter. Hij boog en knielde neer, zo lang dat vogels op zijn rug stonden en dachten dat het een muur of een weggegooid kleed was. Ooit passeerde een projectiel tussen zijn baard en borst terwijl hij aan het bidden was. Bij Allah, hij voelde het niet en noch was hij daarvan geschrokken. Hij stopte niet met zijn recitatie, noch haastte hij zich om te buigen.”

Hoewel er enige vorm van meningsverschil was tussen ‘Abdoellaah en Ibn ‘Abbaas (radhyallaahoe ‘anhoemaa – moge Allah tevreden over hen beide zijn), omschreef Ibn ‘Abbaas (radhyallaahoe ‘anhoe) hem in de volgende bewoordingen: “Hij was een reciteur van de Qor-aan, een volger van de Soennah, onderdanig aan Allah, een Godvrezende vastende, zoon van de profeets volgeling. Zijn moeder was de dochter van as-Sidhieq, zijn tante ‘Aa-ieshah was de vrouw van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem), zijn rang kan alleen door de blinde genegeerd worden.”

Tijdens het leven van ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) was hij getuige van een splitsing (onenigheid) binnen de oemmah waarin hij een grote rol speelde. Aan de ene kant was daar Banie Oemayyah en aan de andere kant was daar ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe), hetgeen een grote beproeving was voor de oemmah. Tijdens de oorlogen met Banie Oemayyah (de Omayyaden) bezocht al-H’oesayn ibn Noemarie, de leider van het leger die door Yazied werd gezonden om ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) te verslaan, ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr in Mekkah nadat het nieuws hen had bereikt dat Yazied was gestorven. Al-H’oesayn bood ‘Abdoellaah aan om samen met hem naar Syrië te gaan, waar hij zijn macht zou gebruiken om de mensen te dwingen om de eed van trouw (al-bay’ah) aan hem af te leggen. Echter, ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) weigerde deze uitgelegen kans, omdat hij volledig overtuigd was van de noodzaak om wraak te nemen op het Syrische leger voor hun verschrikkelijke misdaden.

Wij kunnen van mening verschillen en hadden liever gezien dat hij vrede en vergevingsgezindheid prefereerde door de kans die al-H’oesayn hem aanbood te accepteren. Nadat hij deze kans onbenut liet, was het voor al-H’adjjaadj het teken om met zijn leger aan te vallen. In die periode bestond het leger van ‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) uit een groep zeer getalenteerde Abysenische speerwerpers en strijders. Hij hoorde hen op een gegeven moment zeer slecht praten over de gestorven khalief ‘Oethmaan ibn Affaan (radhyallaahoe ‘anhoe). ‘Abdoellaah was zeer woest en zei: “Bij Allah, ik houd er niet van om mijn vijand te verslaan met de hulp van iemand die ‘Oethmaan haat.” Vervolgens zond hij ze weg op een zeer kritiek moment, waarop hij juist al zijn mankracht nodig had.

‘Abdoellaah ibn az-Zoebayr (radhyallaahoe ‘anhoe) werd de bevelhebber van de gelovigen met het Heilige Mekkah als hoofdstad. Zijn heerschappij reikte tot aan H’idjaaz, Yemen, Basrah, Koefah, Khoerasaan en Syrië, behalve Damascus. De inwoners van al deze provincies legden de eed van trouw af aan hem. Maar de Omayyaden waren niet tevreden. Rusteloos zochten zij de veldslagen op die meestal voor de Omayyaden zeer slecht afliepen. Dit bleef maar zo doorgaan totdat ‘Abdoe l-Maalik ibn Marwaan één van de meest notoire criminelen aanstelde om ‘Abdoellaah in Mekkah aan te vallen. Deze genadeloze vijand was al-H’adjjaadj at-Thaqafie, die door ‘Oemar ibn ‘Abdoe l-‘Aziez werd omschreven als: “Als alle naties hun zonden samen zouden wegen, en wij kwamen alleen met al-H’adjjaadj, dan zou de balans in ons nadeel zijn.”

Al-H’adjjaadj leidde persoonlijk zijn leger naar Mekkah. Hij belegerde Mekkah bijna zes maanden. Hij zorgde ervoor dat er geen water en voedsel de stad binnen kon komen om zo de mensen te dwingen zich over te geven. Onder zeer zware omstandigheden gaven grote groepen strijders zich over en ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) bleef bijna helemaal alleen over. Hoewel er tot dan toe nog mogelijkheden waren om zijn leven te redden, besloot hij toch door te gaan met het uitvoeren van zijn verantwoordelijkheden.

Laten we luisteren naar zijn gesprek met zijn moeder Asmaa-e bintoe Abie Bakr (radhyallaahoe ‘anhoemaa) kort voor zijn overlijden. Hij ging naar haar toe om de hele situatie uit te leggen. Asmaa-e (radhyallaahoe ‘anhaa – moge Allah tevreden over haar zijn) zei tegen hem: “Mijn zoon, jij kent jezelf beter dan iemand anders. Als jij weet dat jij vasthoudt aan de waarheid en ernaar oproept, wees dan geduldig totdat jij in haar naam sterft en laat niet de mensen van Banie Oemayyah jouw nek bereiken. Maar als het leven in deze wereld jouw prioriteit is, dan ben jij een ellendige zoon, die zichzelf vernietigt en degenen die aan jouw zijde vochten.”

‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) zei tegen zijn moeder (radhyallaahoe ‘anhaa): “Bij Allah, moeder, ik heb nooit leven in deze wereld gezocht, noch heb ik mijzelf daaraan onderworpen. Ik heb nooit met onrechtvaardigheid geregeerd of iemand onrechtvaardig behandeld, of iemand verraden.”

Zijn moeder Asmaa-e (radhyallaahoe ‘anhaa) zei: “Ik hoop dat ik goede troost zal ontvangen als jij mij voorgaat naar het Paradijs, of ik jou voorga. Moge Allah genade hebben voor jouw lange gebeden tijdens de nacht, jouw vasten tijdens de warme dagen en jouw eerbiedige behandeling van jouw moeder en vader. Allah, ik heb mijn zoon aan Uw lot overgelaten. Ik zal tevreden zijn met Uw lot. Beloon mij voor de opoffering van mijn zoon, zoals U de dankbare en de geduldige gelovigen beloont.” Zij omhelsden elkaar en ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) maakte zich op voor een machtige confrontatie. Op zeventigjarige leeftijd begon hij aan zijn laatste gevecht en pas na een uur vol heldendaden door ‘Abdoellaah (radhyallaahoe ‘anhoe) was uiteindelijk de tijd aangebroken voor deze imposante dienaar en strijder van Allah om naar zijn Heer terug te keren. Al-H’adjjaadj, deze meedogenloze crimineel, stond erop om na zijn dood zijn lichaam te kruisigen.

‘Abdoellaahs moeder (radhyallaahoe ‘anhoemaa) was op dat moment zevenennegentig jaar oud. Zij ging naar haar gekruisigde zoon. Als een reusachtige berg stond zijn moeder Asmaa-e (radhyallaahoe ‘anhaa) daar toen al-H’adjjaadj haar in schaamte en vernedering naderde en zei: “O moeder, de bevelhebber van de gelovigen ‘Abdoe l-Maalik ibn Marwaan heeft mij bevolen om jou goed te behandelen. Heb jij iets nodig?”

Zij riep terug: “Ik ben niet jouw moeder. Ik ben de moeder van degene die aan het kruis is gekruisigd. Ik heb jou niet nodig, maar ik ga jou een h’adieth vertellen die ik van de profeet (salallaahoe ‘alayhie wa sellem) heb gehoord. Hij zei (Nederlandstalige interpretatie): ‘Hij zal vanuit Thaqief komen, een leugenaar en een gemeen iemand.’ En wij hebben al de leugenaar en de gemene gezien. Ik denk niet dat het iemand anders kan zijn dan jij.”

‘Abdoellaah ibn ‘Oemar (radhyallaahoe ‘anhoemaa) naderde haar om haar te troosten en vroeg Allah om haar geduld te schenken. Zij antwoordde: “Wat hindert mij om geduldig te zijn? Was niet het hoofd van Yah’yaa ibn Zakariyyah (de profeet Johannes – vrede zij met hen beide) aan een Israëlische prostituee gegeven!?”

 

Moge vrede over ‘Abdoellaah nederdalen.

Moge vrede over Asmaa-e nederdalen.

Moge vrede nederdalen over de eeuwig levende martelaren.

Moge vrede nederdalen over de eerbiedwaardigen en de vromen.

Amien.

 

Ga naar Biografieën voor meer biografieën.